Nooit boos
1995-02-24
Natuurlijk werd Martin nooit boos.- Jaargang 39
- nummer 4
Thuis niet en op zijn werk niet. Thuis liepen 3 kleine kinderen rond. Hij werd nooit boos op ze, want een christen hoort niet boos te zijn. De buurman zette soms harde rock-muziek op.
Martin zei er wel eens wat van, maar de buurman luisterde nooit. En Martin werd nooit boos. Een christen hoort immers niet boos te worden.
Op zijn werk had Martin een konflikt met zijn baas. In Martins ogen was hij omheus bejegend. De baas dreigde met ontslag, zonder dat er ooit tegen hem was gezegd dat hij niet goed funktioneerde. "Ik ben het er niet mee eens, want zoiets kan natuurlijk niet.
Maar ik ben niet boos op hem. Daar ben ik christen voor." Terwijl hij dit zo zei, was de spanning in de kamer voelbaar. De intonatie in zijn stem werd meer afgemeten, zijn kaken spanden zich, de rechtervuist was gebald. Hij werd niet boos.
Geduld
Op zijn werk had Martin te maken met kinderen die veel geduld vroegen. Ze stelden hun begeleiders voortdurend op de proef. Het was een voortdurende strijd om de vraag wie de baas was.
Het was ook een test met als inzet: zouden de mensen die hier werken wél om ons geven. Zulke kinderen vragen een geestelijke en lichamelijke topkonditie van hun begeleiders. Gelukkig werd Martin nooit boos. Toen hem iets was overkomen, waardoor iedere andere begeleider zich gekrenkt zou voelen, vroeg de psycholoog aan Martin hoe het met hem ging.
"Vervelend", zei Martin. "Begrijp me goed: niet voor mij, maar voor hem, hij moet nu weer opnieuw beginnen."
"Ben je niet boos?" "Oh nee, hoor, absoluut niet, dat komt door mijn geloof, ik word niet boos." En weer verkrampten de spieren in zijn gezicht, balde zijn vuist zich, werd de toon in zijn stem meer afgemeten. .
Gebroken
Op een· dag klonk er een hoop geschreeuw op de afdeling. Martin vocht met een jongen. Hij sloeg die jongen op alle plekken waar hij hem maar kon raken. Hij was niet af te remmen, ielfs niet toen een kollega probeerde in te grijpen. "Ik zál hem, ik zál hem!" klonk het schreeuwend uit de mond van Martin. Het schuim stond op zijn mond.
Een kwartier later zat Martin te huilen in de personeelskamer. De stoere christen die niet boos mocht worden, was gebroken. Er deugde niets meer van hem. Hij wilde zijn ontslag indienen.
"Zoiets mág een christen niet overkomen. Ik ben niet geschikt voor mijn werk!"
Perfektionist
Martin stelde hoge eisen aan zichzelf. Alles moest in orde zijn. Hij mocht niet falen en zich niet kwetsbaar opstellen.
Zelfs geen boze gedachte mocht er in hem opkomen. Iedere boze gedachte werd direkt weggedrukt; iedere suggestie dat hij misschien boos was werd direkt ontkend. Juist door die gedachten ging het mis. De eisen die Martin aan zichzelf stelde, maakten juist dat het wel mis m6ést gaan. Martin dacht zichzelf, dankzij zijn eigen perfektionisme, te kunnen verlossen.
Hij wilde zijn eigen toren van Babel bouwen. Toen de toren instortte, was Martin nergens meer. De valkuil van het perfektionisme leek hem in zijn werk nu noodlottig te zijn geworden.
Nog steeds had Martin het niet geleerd: hij realiseerde zich nog steeds onvoldoende dat ook een bekeerd christen dag-in, dag-uit met de gebrokenheid in zijn eigen leven te maken heeft. Martin was gebroken, want hij had ontdekt dat hij toch zijn geduld kon verliezen. Dat was winst. Maar hij dacht ook nog steeds dat in een echte christen nooit boze gevoelens naar boven mogen komen. Die gedachte maakte het leed alleen maar groter.
Hij had nu niet alleen gefaald in zijn werk. Ook als christen deugde hij niet meer. Vergeving was er in deze situatie niet voor hem. Een christen moet immers perfekt zijn?