Genetica en evolutie

1995-03-10
  • Jaargang 39
  • nummer 5
Het artikel van mw. Smelik over 'Erfelijkheid en evolutie' in Opbouw van 24 februari 1995 wil laten zien dat de erfelijkheidsleer geen basis is om te komen tot een evolutietheorie.
In grote lijn is dat juist als het gaat om afstammingshypotheses en het ontstaan van het leven. De titel zet de lezer echter wel op het verkeerde been: erfelijkheid en evolutie hebben wel degelijk veel met elkaar te maken.
Als genetici het hebben over evolutie gaat het over wat we 'micro-evolutie' kunnen noemen, terwijl het bij de evolutie-theorie gaat over 'macro-evolutie'. Dat onderscheid is belangrijk omdat we het begrip 'evolutie' niet zo maar aan de kant kunnen schuiven.
Het is van belang voor ons christen-zijn.

Het is voor evolutionisten niet zo eenvoudig om op basis van de genetica een verklaring te geven voor macro-evolutie.
Ze hebben daar dan ook diverse andere wetenschappen bijnodig en dan nog blijft het probleem dat ze er niet bij zijn geweest en diverse aannames moeten doen. Als je vergeet dat je zoveel vooronderstellingen hebt gemaakt, kom je er gemakkelijk toe te vergeten dat de evolutie-theorie een hypothese is. Ook een christen die gelooft dat God hemel en aarde uit niet heeft geschapen, kan proberen een min of meer sluitend systeem te vinden. In dat opzicht verschillen evolutionisten en creationisten weinig.
Het is goed te bedenken dat we niet alles kunnen verklaren en dat juist het accepteren van zaken die we niet kunnen zien een belangrijk aspect is van geloven. Geloven is: je toevertrouwen aan God en Zijn Woord zonder meer aannemen. Alleen dan kun je leven in harmonie met vragen die niet worden beantwoord.

Verwantschap op DNAniveau
Het grote argument voor de hedendaagse evolutionist is de overeenkomst op DNA-niveau. DNA bestaat in principe uit slechts vier verschillende bouwstenen (basen) en in de volgorde van die bouwstenen ligt de informatie voor de erfelijke aanleg. In de basensamenstelling en in de volgorde van die basen kunnen veranderingen optreden (mutaties).
Een mutatie van één base kan er toe leiden dat een bepaald gen niet of anders functioneert. Het is ook mogelijk dat g~otere stukken DNA veranderen of dat een stuk DNA met meerdere genen wordt verplaatst. Als je er van uit gaat dat het eerste zinvolle stukje DNA spontaan is ontstaan, dan kun je niet anders dan zoeken naar een verklaring hoe daar uit al die verschillende vormen van leven zich hebben ontwikkeld. Als je dat niet doet, moet je er haast wel van uit gaan dat er een Architect is die een bepaald bouwprincipe meerdere keren heeft gebruikt. In het werk van een groot architect herken je een bepaalde bouwstijl of het gebruik van bepaalde materialen.
Dat kan voor een christen de verklaring zijn voor de verwantschappen die we zien in de structuur van genen in heel sterk verschillende organismen.
Als christen kun je dan ook rustig spreken over verwantschap en over de mate waarin soorten verwant zijn. Genen met een zelfde soort functie hebben vaak overeenkomst op
DNA-niveau en een gen van gist kan sterke verwantschap vertonen met een gen van een mens.

Op de grens van het leven
Een virus is eigenlijk een stukje DNA met een mantel van eiwit. In levende cellen komen ook stukjes DNA voor die plasmiden genoemd worden. Dat lijken eigenlijk virussen zonder mantel. Toen in de vijftiger jaren steeds meer bekend werd over het DNA en over de bouw van virussen, dacht met dat een virus de schakel tussen het niet-levende en het levende zou zijn.
Virussen bevinden zich op de grens van het leven: ze bepalen grotendeels hun eigen vermeerdering, maar daarvoor zijn ze wel afhankelijk van het mechanisme van een levende cel. Ook virussen kunnen door mutaties veranderen.
Virussen zijn echter geen bewijs voor een afstammingshypothese van kleinnaar-groot of van het spontaan ontstaan van leven uit dode materie. Het kan ook nog wel eens zo zijn dat een virus of een plasmide een stukje DNA is van een hoger organisme dat zelfstandig is geworden.
Het hele genetische mechanisme is zo complex dat elk verhaal maar een deel beschrijft van wat er werkelijk gebeurt.

Soorten zijn flexibel
Vroeger werd er, misschien als reactie op de evolutietheorie, nogal de nadruk op gelegd dat een soort constant is.
Natuurlijk er kunnen veranderingen optreden maar een soort blijft een soort.
Dat is misschien ook wat in de hand gewerkt door de manier waarop soorten werden beschreven. Een nieuwe soort wordt meestal beschreven aan de hand van een type-exemplaar. Een plant wordt dan' in een herbarium opgeborgen en een dier wordt op een of andere wijze geconserveerd. Dat statische soortbegrip heeft ook een grote rol gespeeld in de plantenveredeling: als er een nieuwe varieteit was gekweekt die resistent was tegen een bepaalde ziekte, dachten we dat we klaar waren.
Na enige tijd werd het gewas toch weer aangetast door delzelfde ziekteverwekker.
Het gewas heeft dan niet zijn resistentie verloren, maar er is een virulente mutant van de schimmel ontstaan.
Zoiets kan ook gebeuren met een grie.pvirus of HIV-virus.

Een spons vol water
Bij hogere, meer complexe, organismen, die zich vaak veel minder snel vermenigvuldigen, hebben mutaties niet een direct evolutie-effect. Ook de 'wetten van Mendel' spelen dan geen rol. Het gaat er om wat er in een populatie van een bepaalde soort gebeurt. Een soort moeten we zien als een populatie, een groep zich onderling voortplantende organismen. Kenmerkend voor hogere organismen is dat ze alle genen in tweevoud bezitten. Als een bepaalde mutatie in één van die twee bij elkaar horende genen aanwezig is, is zo'n individu wel 'drager' voor die mutatie, maar aan het uiterlijk is vaak niet te zien dat dit individu een mutatie heeft. Dat kan wel aan het licht komen in de volgende generatie als de andere ouder ook zo'n mutatie heeft, als beide ouders drager zijn voor die mutatie. Als de mutatie met een heel lage frequentie voorkomt (bijv. 1:1000), zullen afwijkende individuen hoogst zelden optreden (1:1000000 = 0,001 x 0,001). In een populatie kunnen zo mutaties van een groot aantal genen aanwezig zijn in de dragers.
De omstandigheden kunnen zo worden dat juist het mutante type in het voordeel is (zoals het donkere berkemotje in een sterk vervuild industriegebied). Dan kan de frequentie van de mutatie sterk toenemen en de mutant kan de overhand krijgen. Een populatie is net een spons: pas als je er in knijpt, blijkt dat er water in zit.

Geen afstammingshypothese wel evolutie
Bovenstaande verklaart nog steeds niet de verwantschap tussen de hoofdvormen van organismen. Wel is duidelijk dat een soort een dynamisch geheel is en dat de flexibiliteit er toe kan leiden dat er bijvoorbeeld verschillende soorten mezen en vinken ontstaan. Daarvoor is een genetische opsplitsing van een populatie, bijvoorbeeld door geografische isolatie, van belang. Bij planten is soms heel duidelijk dat verwante soorten uit een gemeenschappelijke voorouder zijn ontstaan. Dat speelt zich, voor zover we kunnen nagaan, af binnen een geslacht, soms binnen een familie.
Soms is de gang van zaken gereconstrueerd.
Bij dieren ligt dat veel moeilijker.
Ik denk dat de hoofdvormen inderdaad in de ark aanwezig waren, maar dat er daarna nog een grote variatie aan soorten is ontstaan. Het is ook van belang dat we ons realiseren dat de indeling in soorten kunstmatig is. We hebben het nodig om de natuur te kunnen beschrijven, om verbanden te kunnen zien.
We kunnen echter ook slaaf van ons eigen systeem worden. Soorten zijn zeker niet constant en het heeft geen zin het begrip evolutie tot contrabande te verklaren. Juist die dynamiek is van belang als we nadenken over het in standhouden van biodiversiteit, over de ethiek van genetisch onderzoek en genetische manipulatie. In de schepping, en juist ook in de dynamiek er van, zien we Gods machtige hand waarmee Hij alles heeft geschapen en nog steeds in stand houdt.

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief