Lieve Vader en Moeder,

1995-03-24
  • Jaargang 39
  • nummer 6
Chiel en ik waren woensdagavond opeens vertrokken. Ik zag aan' uw gezicht, moeder, dat u dacht: 'Waarom gaan ze nou weg, we zitten midden in een gesprek'.
Maar we konden en wilden niet verder praten omdat Ellyen Peter er nog waren.
Bij hen gaat het allemaal zo fantastisch.
Niet dat ik daar jaloers op ben, ik gun het ze echt. Maar het werd me even teveel. AI hun vijf kinderen lopen keurig in het paadje, gaan trouw naar de kerk, krijgen op tijd kindertjes, daar steken wij met ons viertal en aanhang wel een beetje bij af, dacht ik. Ja ik weet dat u nu allebei uw wijze hoofd schudt, maar daarom schrijf ik deze brief ook, om het u uit te leggen. Vader, u zei zo terloops, toen we het over de kinderen hadden, dat u al een paar keer in de gemeente van Bart en Rineke hebt gepreekt. Maar u had ze geen enkele keer in de kerk gezien. Chiel mompelde iets van: 'tussentijdse vacantie, weekend naar Rinekes broer in Zeeland', en ik zat op spelden, bang dat u door zou vragen. Vandaar ons haastige afscheid, vandaar deze brief. U bent de eerste die ik het vertel, zelfs Bram, Bart z'n tweelingbroer weet het nog niet. Het is ook zo moeilijk om het uit je mond te krijgen: 'mijn kind gelooft niet meer'. Want dat hebben Bart en Rineke ons een poosje geleden verteld. U weet, het zijn schatten van kinderen voor ons. Ze begrepen ook heel goed dat ze ons erg verdrietig maakten. Maar ze wilden eerlijk zijn en het niet langer voor ons verbergen.
Toen zag ik in de kerkbode dat u daar preken moest, vader. En ik hoopte dat ze er zouden zijn. Bart hoort u zo graag, dat heeft hij vaak genoeg gezegd. Maar ze waren er dus niet. Zelfs niet om u een plezier te doen. En dat viel me zo tegen.
Aan de andere kant begrijp ik dat ook wel. Ze kwamen al een hele tijd niet. En als dan je opa op de preekstoel staat, ben je er opeens weer een keer.
Weet u, dat ik nu ook heel anders naar mensen kijk die hetzelfde met hun kinderen meemaken als wij nu? Zondagmorgen hadden we koffiedrinken na de dienst. Wij zaten bij een echtpaar aan tafel waarvan drie kinderen de kerk de rug hebben toegekeerd. Toen Chiel ouderling was is hij regelmatig bij ze geweest, ze hadden het er heel moeilijk mee. Nu voel ik een soort verbondenheid met ze. Over een poosje, als ik niet zo emotioneel meer ben, zal ik eens naar ze toegaan. Ik weet dat u deze last met ons meedraagt. Ik weet ook dat vader nu onmiddellijk zegt: 'deponeer je last maar bij de Here, kind. Dat doe ik ook, heus. Maar het vliegt me soms aan, dat snapt u wel hè? Dat was woensdagavond namelijk het geval.
Chiel weet dat ik het u schrijf. We hopen dat u gauw een keer komt, we willen graag praten.

Anneke

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief