Pastorale notitie
1995-04-21
Gebed- Jaargang 39
- nummer 8
Ze lag al meer dan een week in het ziekenhuis. Pijn in de borst. Moeilijk kunnen ademhalen. Maar het ergste was wel dat niemand haar kon verstaan en zij verstond ook niemand. Ze was ruim een jaar geleden uit Sri Lanka vertrokken. En nu was ze te oud om nog een taal te leren.
Thuis - bij haar zoon, schoondochter en kleinkinderen - had ze haar eigen vertrouwde plek; haar bed in de huiskamer.
Maar nu lag ze in een vreemd bed, op een zaal met vijf andere vrouwen. Geen woord, dat haar met hen verbond.
Ik heb haar een paar keer opgezocht en met haar 'gepraat' met drie gebaren: De hand omhoog - naar God. De hand naar het hart- geloof in Hem. De handen gevouwen - bidden tot Hem. Eén woord begreep ze, een naam: Jezus Christus.
Deze naam hoorde ze elke dag, toen ze nog in het huis van haar zoon was en uit de bijbel gelezen werd. Hij was in Sri Lanka christen geworden en vanwege grote moeilijkheden met de Tamil Tijgers is hij het land ontvlucht onder de naam Daniël en kwam in Nederland aan.
Daniël, een naam die hem lief geworden is. Zoals de Here God Daniël in Babel door alle gevaren heen geholpen heeft, zo heeft deze Daniël dat ook beleefd.
Na een poos is zijn gezin overgekomen, Met zijn moeder. Allen Hindoes. Maar Daniël heeft gebeden, dat ze Jezus Christus mochten leren kennen.
Zo gebeurde het. Eerst zijn kinderen.
Toen zijn vrouw. En wat hebben ze een prachtig getuigenis gegeven bij hun belijdenis en doop. Wat een blijde gezichten, nog druipend van het water' En oma? Zij leeft in de invloedssfeer van het christelijk gezin. 'Geheiligd in haar zoon' (naar 1 Cor. 7:14). Hij bidt voor haar gezondheid. Hij bidt vooral, dat zijn moeder de Verlosser kent.
Oma is weer thuis. Op haar vertrouwde plekje in de huiskamer, waar ze weer verstaan wordt. De plek, waar ze aan God wordt opgedragen. Elke dag.