Terloops
1995-04-21
- Jaargang 39
- nummer 8
P.C. van Wijk, Zaltbommel
Ervaringen "an een jood
Tijdens de Tweede Wereldoorlog zaten twee joodse gezinnen uit Zaltbommel met enkele familieleden geruime tijd ondergedoken in een hotel te Zaltbommel.
Eén gezir.1woonde tegenover het hotel en, als alles rustig was, ging men wel eens naar een kamer, waar men in de straat kon kijken. De bewoner van de overkant kon zo goed nagaan, wie wat uit zijn huis sleepte. En na de bevrijding zocht hij de dieven op met het vriendelijk verzoek om voor een bepaalde tijd de goederen weer terug te bezorgen.
De onderduikers hebben niet tot de bevrijding in mei 1945 in het hotel doorgebracht. Als gevolg van een Duitse overval in het gebouw, die echter niets met de joodse gezinnen te maken had, moest men uit het gebouw vluchten en men kwam toen op verschillende adressen terecht. De twee gezinnen overleefden de oorlog; enkele familieleden werden gevonden en weggevoerd.
Een van' de overlevenden maakte een aantal jaren geleden voor zijn dochter allerlei aantekeningen over zijn ervaringen voor, tijdens en na de oorlog. In een plaatselijke krant schreef ik hierover enkele artikelen. Zijn aantekeningen over antisemitisme neem ik hier over:
"Als klein jongetje stond ik eens 's morgens naar de nieuwe dag te kijken. De straat was nog stil en leeg.
Aan de overkant kwam een ventje langs gewandeld; hij begroette me: "Rot jood! " Ik vertelde dat aan mijn moeder. Ze leerde me: "Daar moet je maar aan wennen."
De winkelbel ging. Een zigeunerin was binnengekomen om te bedelen. Mijn moeder ging er niet op in. De zigeunerin schold: "Jij! jodin!". Het deed niet alleen pijn mijn moeder te horen krenken; ik vond het ook een vreemde opmerking van iemand, die toch zelf geminacht werd.
Er verscheen een vreemd uitziende man in Zaltbommel. Hij droeg een lange zwarte jas en had een hoge zwarte pet op. Zijn gezicht was bedekt door een wild gekrulde baard en boven zijn ogen, die nauwelijks zichtbaar waren, woekerden zware wenkbrauwen.
Hij was op doortocht en kwam bij joodse families sjnorren (om hulp vragen - v.W.). Zo iemand werd een Polk genoemd, een Poolse Jiä. gevlucht voor de pogroms in zijn vaderland.
Bij ons thuis kreeg hij zwijgend een kleinigheid toegestopt. Hij mompelde iets onverstaanbaar Jiddisch en verdween weer. Even een stilte achterlatend.
Polen was ver weg ... "
Toen in mei 1940 de Duitsers ons land binnenvielen, beseften de joden heel goed, dat het gevaar dichtbij kwam.
We lezen verder:
..Ik werd op vrijdag 10 mei 1940 wakker gemaakt door mijn moeder. Ze was zenuwachtig verschrikt. Het was nog geen vijf uur. "Hoor je die vliegtuigen dan niet?"
Er·klonk een vreemd golvend gegrom. Soms knetterde het ineens onheilspellend, dan weer was er een hoog gegier als van een doldraaiende motor.
Zou er één naar beneden komen? "Dat zijn Duitse vliegtuigen ", zei mijn moeder angstig. "Duitsland valt ons aan!"
Langzaam begon ik te beseffen wat er gaande was. "Nu is het afgelopen met ons joden", voorspelde mijn moeder mismoedig. Ik wist niet wat ik moest zeggen. Ik begreep de ernst van de situatie, maar ik was jong en zag er ook een spannend avontuur in: oorlog.
Op een Sjabbesmiddag wandelden we met een stel joodse jongeren door de opgebroken Boschstraat. Er was een grote kuil in het wegdek gegraven en voor de voetgangers was daar een stevige plank over gelegd. Ongeveer tegelijk met ons kwam er aan de andere kant een NSB-er bij de plank. Hij joeg ons terug met de woorden: "Jullie joden hebben lang genoeg voorrang .
gehad, nou zijn wij aan de beurt!"
Vooral omdat we de man goed kenden, waren we met stomheid geslagen."
Over zijn ervaringen na de oorlog schrijft mijn vriend het volgende:
"Uit mijn diensttijd in Indië thuisgekomen bleek er weinig terecht te zijn gekomen van de idealen, die we tijdens de Duitse bezetting hadden gekoesterd.
Nederland kampte met herstelproblemen en er was gebrek aan van alles voor bijna iedereen. Zonder de karige distributie- en speciale vergunningen (daar de Bommeierwaard grotendeels maanden was geëvacueerd geweest, werden er extra bonnen toegewezen - v. W.) waren heel veel noodzakelijke levensbehoeften praktisch niet verkrijgbaar, tenzij op de 'zwarte markt'.
In dat kille en zorgelijke klimaat moesten de teruggekomen en opgedoken joden hun specifieke moeilijkheden en verdriet de baas worden. Het kwam erop neer, dat men er niet met enig gevoel over kon praten.
Binnen de eigen kring kwam men niet veel verder dan uitdrukkingen als: "Die en die is niet teruggekomen."' - Daarmee was het ergste gezegd. Bij niet-joden was er vrijwel geen begrip of medegevoel. Erger nog: joden kregen nog steeds te maken met een voortwoekerend antisemitisme. Alsof het de gewoonste zaak van de wereld was. Als jood wist je, dat je door bekenden en andere relaties onverhoeds kon worden beledigd en vernederd."
Mijn vriend heeft nogal kritiek op christenen. Als hij het daar over heeft, voegt hij er altijd aan toe, dat dat niet voor mij geldt. Dat is aardig van hem.
Het lijkt me goed er eens over na te denken. En dat doe ik van tijd tot tijd.
In het vervolg wil ik iets meer van zijn ervaringen doorgeven.