Het einde van de (oude) zending
2010-05-14
Zending in de klassieke betekenis is voorbij of zou dat moeten zijn. Zending is verschoven naar partnerschap of oecumene. Waar Nederlandse kerken vroeger zendelingen uitstuurden naar verre oorden om kerken te planten, worden nu partnerschappen gezocht met kerken in diezelfde verre oorden. Zending is ook verschoven naar hulpverlening. Veel kerken in wat ik gemakshalve maar ‘het Zuiden’ zal noemen hebben behoefte aan diverse vormen van hulpverlening om echt kerk te kunnen zijn.- Jaargang 54
- nummer 10
Ik schrijf dit artikel vooral vanuit het perspectief van de zending van mijn eigen kerk, de Gereformeerde Kerken vrijgemaakt. Typisch van deze zending is dat ze kerkelijk is; kerken zenden mensen uit. Kerken gaan contacten aan met kerken in het buitenland.
1. Van zending naar partnerschap
In 1910 werd in Edinburgh de eerste wereldwijde zendingsconferentie gehouden. Op dat moment woonde nog iets meer dan 80% van de christenen in Westerse landen. Er werd dan ook met vuur gesproken van de noodzaak om zending te bedrijven vanuit ‘christelijke landen’ naar ‘niet-christelijke landen’. Honderd jaar later is het beeld sterk veranderd. Zo’n 40% van de christenen woont in de Westerse landen (de in 1910 bedoelde ‘christelijke landen’). De afname van dit percentage is vooral te danken aan de groei van het christendom in het Zuiden.
De verplaatsing van het zwaartepunt van het christendom naar het Zuiden maakt dat zending niet meer op de oude manier kan. Zendelingen sturen om kerken te planten in een land waar allang kerken zijn, kan zomaar een miskenning van het werk van de heilige Geest ter plaatse zijn. Zeker als dat zonder overleg met die kerken gebeurt. Zulke ‘zending’ vindt jammer genoeg nog steeds plaats en ondermijnt bestaande kerken. Niet zelden trekken leden van bestaande kerken weg uit hun eigen kerken naar zo’n nieuw te planten kerk. Soms ook in de hoop dat deze nieuwe kerk van die rijke westerling ook materieel voordeel biedt.
Dat wil niet zeggen dat we ons niet langer druk hoeven te maken over onbereikte groepen mensen. Er zijn nog grote groepen mensen die het evangelie nog nooit gehoord hebben. Maar hen te bereiken is allereerst de taak van de kerken in de buurt van die groepen. Natuurlijk kan ondersteuning en samenwerking in zending onder deze onbereikte groepen aangeboden worden. Maar nooit met voorbijgaan aan de kerken die er al zijn. Helaas moet ik toegeven dat ook in onze eigen zendingsgeschiedenis niet altijd zo gedacht is. Soms werden kleine gereformeerde kerken geplant naast andere Bijbelgetrouwe kerken. En tot op de dag van vandaag is het moeilijk uit te leggen aan sommige van die door ons geplante kerken waarom ze zouden moeten samenwerken met andere plaatselijke kerken.
De verandering van zending naar partnerschap gaat niet vanzelf. Dat vraagt aan beide kanten van de wereld een mentaliteitsverandering. In contact met kerken in het Zuiden kun je het gevoel krijgen (en niet perse ten onrechte) dat ‘wij’ zoveel meer weten, zoveel meer hebben en zoveel meer kunnen dan ‘zij’. Veel mensen die uitgezonden worden om kerken of christelijke organisaties in het Zuiden te ondersteunen, hebben de ervaring dat ze zich vaak niet alleen nuttig kunnen maken in de specifieke rol waarvoor ze zijn uitgezonden, maar ook als bv. trainer van zondagschoolleiders, sponsor voor kerkbouw en docent computerkunde. Dat maakt soms dat uitgezondenen de mensen ter plaatse het werk uit handen nemen, omdat ‘het dan tenminste gedaan wordt’. Dat maakt ook dat sommige kerken in het Zuiden Nederland te vaak vragen om allerlei fondsen, want daar is toch geld genoeg. Om ondanks de verschillen in mogelijkheden, kennis en rijkdom als volwassen kerken met elkaar samen te werken is niet eenvoudig. Tegelijk zie ik steeds meer kerken waarmee dat wel lukt. Zo helpen wij helpen kerken in Brazilië en India bij de financiering van hun kerkplantingsprogramma’s. Zij bieden ons inspiratie, ideeën en kennis voor kerkplanting en evangelisatie in Nederland.
2. Van zending naar hulpverlening
Partnerschap tussen kerken wereldwijd betekent allereerst een erkenning van het werk van de heilige Geest in beide kerken. Het is de erkenning samen deel uit te maken van de ene kerk van Christus. Die erkenning kan vervolgens ook leiden tot verzoeken om hulpverlening van de ene kerk aan de andere. Dat is de vorm die veel ‘zendingswerk’ inmiddels gekregen heeft.
Deze hulpverlening neemt allerlei vormen aan; bijvoorbeeld gemeenteopbouw, leiderschapstraining, theologisch onderwijs, hulp bij evangelisatieprojecten of materiële ondersteuning.
Essentieel is om in het oog te houden, van wie (en niet alleen voor wie) dit project eigenlijk is. Dat heeft alles te maken met de hierboven beschreven verschuiving van zending naar partnerschap. Partnerschap impliceert een gelijkwaardigheid, die niet opgeheven mag worden door de ongelijkheid die er tegelijkertijd wel is. In de hulpverlening van de ene kerk aan de andere mag de ontvangende partij niets worden opgedrongen. De ontvangende partij moet zich ‘eigenaar’ weten van het hulpverleningsproces dat tenslotte haar eigen ontwikkeling op het oog heeft.
Dat vraagt soms van kerken uit Nederland dat ze op hun handen moeten zitten. Niet te snel tot actie overgaan, maar de partnerkerk helpen haar wensen te formuleren. Het vraagt ook dat bij het ingaan op een hulpverzoek er gereageerd wordt vanuit respect voor die kerken en hun culturele en politieke situatie. Wie daaraan voorbijgaat komt bijna zeker met oplossingen die geen echte oplossingen zijn. Je zou ook kunnen zeggen: de kerken die last hebben van een bepaald probleem, zijn zelf ook vaak het beste in staat dit – al dan niet met hulp – op te lossen. Zij kennen de hele situatie tenslotte veel beter dan de buitenstaanders. Voor alle duidelijkheid: dit hoeft niet te leiden tot een situatie van ‘u vraagt, wij draaien’. Ook al heeft de kerk in het Zuiden de eerste verantwoordelijkheid voor haar problemen en de mogelijke oplossingen, de kerk in Nederland heeft haar eigen verantwoordelijkheid. Zij moet weten dat hulp soms meer kwaad dan goed doet. Zij mag voorwaarden stellen aan het ontvangen van hulp. Juist ook met het oog op de eigen verantwoordelijkheid van de kerk in het Zuiden.
Om in de vorm van partnerschap aan hulpverlening te doen is niet eenvoudig. Ook omdat sommige partners (nog) zwakke organisatiestructuren hebben. En juist dan dreigen corruptie en machtsmisbruik de kop op te steken. Het daarom van groot belang lastige zaken en risico’s in de samenwerking zo goed en zo zuiver mogelijk te benoemen. Dat wil dus zeggen: niet beschuldigend of verwijtend, maar als leden van het ene lichaam van Christus. Het betekent ook, dat het belangrijk is je samen in te zetten voor een betere organisatiestructuur van de partnerkerk, zodat zij beter haar verantwoordelijkheden kan nemen.
Conclusie
Afsluitend wil ik onderstrepen dat de oude ‘zending’ voorbij is. De beweging van het evangelie is niet meer exclusief van Noord naar Zuid. Als wij ons vanuit Nederland inspannen om het evangelie te verkondigen buiten onze landsgrenzen, dan moeten we dat alleen nog doen in samenwerking met kerken die daar al zijn. Als we kerken opbouwen en versterken dan alleen maar als we de verantwoordelijkheid laten waar die is: in de eerste plaats bij die kerken zelf en niet bij ons. Dat is soms moeilijk en lastig. Maar het is ook bemoedigend. Christus’ kerk is echt een wereldwijde kerk.
Bram Beute is hoofd van de afdeling Advisering en Training bij De Verre Naasten
| Voor wie verder wil lezen In oktober 2008 organiseerde De Verre Naasten een Internationale Workshop met gereformeerde kerkleiders uit Afrika, India, Indonesië, de Oekraïne en Nederland. Het thema was de kerk. Deze workshop leidde tot The Polarlight Declaration: verkenning van het wezen van de kerk van de 21e eeuw. In dit boekje krijgt de wereldwijde omgang en zorg van kerken met en voor elkaar veel aandacht, met name in hoofdstuk IV. Dit boekje is te downloaden via www.deverrenaasten.nl of te bestellen via info@dvnweb.nl of 038-4270410. |