Wonderen in de zending?

2007-05-25
  • Jaargang 51
  • nummer 11
‘Toch zit er wel wat in, dat tekenen en wonderen echt bij de zending horen’ (97). Dat schrijft Willem Smouter in zijn boek Herstelwerk. Laat het nu het geval zijn dat ik in mijn ruim twintig jaar als zendeling in Zuid-Afrika daar weinig of geen weet van heb. Het is niet voor het eerst dat ik me bezig houd met de vraag naar wonderen in de zending. Maar nog nooit ben ik zo met mijn neus erop gedrukt als door dit knappe boek van Smouter.

Hij zet een overtuigend verhaal neer. In de gaven van de Geest krijgen we een voorschot op de beloofde Toekomst. En daar heb ik, twintig jaar lang, helemaal niets van gemerkt? Waar ik werkte, zijn kerken van de Heer ontstaan. Maar het ging er bepaald niet ‘charismatisch’ aan toe. Een wonder zonder wonderen?

Welke wonderen?
Gelukkig helpt Smouter me op dit punt. Ik hoef bij wonderen niet alleen te denken aan genezing van ziekte of bezetenheid. Al springen ze er duidelijk uit, als het gaat om de krachten die Jezus zijn leerlingen liet gebruiken (78), en die in het spoor van de evangelieprediking meekomen. Maar ze worden niet hoger gewaardeerd dan andere herstelde scheppingsgaven waar de Geest ons al een voorschot op geeft. Wat een goede greep om de wonderen te ontdoen van hun bovennatuurlijke aureooltje! Want nu krijg ik oog voor wat de Geest aan wonderen heeft verricht waar ik al die jaren heb gewerkt. De geplante kerken waren er natuurlijk nooit gekomen zonder allerlei gaven van de Geest.
Laat ik er een paar noemen. Hij heeft me medewerkers geschonken die leiding konden geven aan het werk (Efeziërs 4:11). Er moest onderwezen worden in de Schrift (Romeinen 12:7); dat zou niet gelukt zijn zonder de Geest. Ik kreeg er zelfs een talentje theologie bij (ook een Geestesgave, schreef Ad van der Dussen onlangs). De betrokkenheid op elkaar binnen de kerken in onderling dienstbetoon, is onmiskenbaar een gave van de Geest. Ja, wonderen horen echt bij de zending. Of ik dat ervaren heb!

Die andere wonderen
Een van mijn collega’s kreeg eens een microfoon onder zijn neus gedrukt met de vraag: en vertel eens, dominee, welke wonderen hebt u zo al meegemaakt? De interviewer wilde horen over genezing van ziekte of bezetenheid.
Teleurgesteld keerde hij zich af, toen er niets kwam. Uit Afrika moeten wonderen komen (T.B. Joshua); veel meer valt er van dit continent ook niet te verwachten. Wat moeten we met die andere wonderen, waar ik zelf geen ervaring mee heb opgedaan? Smouter beschrijft de gemeente van Korinte als een dolgedraaide charismatische club (125) met allerlei mistige dwalingen. Hij had het over Afrika kunnen hebben, zo treffend is dat beeld voor christelijk Afrika. In Zuid-
Afrika alleen al zijn er duizenden charismatische kerken, groepen en sekten, aangedreven door ‘health and wealth’ dwalingen. Hun evangelisatie-campagnes draaien rond genezing van ziekte of bezetenheid. De Geest staat centraal – of heeft de geest van de traditionele religie hen in haar greep?
Terecht wijst Smouter erop dat wonderen als scheppingsgaven niet typisch christelijk zijn. Genezing van ziekte of bezetenheid is nog geen bewijs dat de Geest van Jezus, en die gekruisigd, aan het werk is.
In deze context is de eerste gave waar ik naar te streven heb, niet kracht om te genezen. Mijn gerechtigheid moet groter zijn dan die van charismatische profeten en kerkleiders (Matteüs 5:17). Geloof is uit het horen van het Woord en niet uit het zien van wonderen. De Schrift moet worden uitgelegd, haar boodschap verkondigd en toegepast, juist in Afrika! Alles wat de Geest mij hiervoor maar geven kan, heb ik nodig. De kerk in Afrika heeft mensen nodig die betrouwbaar het Woord van God kunnen uitleggen en met profetische kracht verkondigen. De grootste nood in christelijk Afrika is het schreeuwende gebrek aan goed opgeleide voorgangers. Streven naar de gaven moet in context gebeuren, en niet zonder een grondige analyse van wat er in die context nodig is. Smouter laat dat heel mooi zien (130v). Gaven komen van God, maar komen niet uit de lucht vallen. We moeten erom bidden en er ook aan werken. Voordat we bidden, moeten we ons wel afvragen waarvoor we zullen bidden. Wat hebben de kerken het eerste en meeste nodig? Waar kan ik hen het beste mee dienen?

De dienst der genezing
Smouter heeft gelijk. Paulus schrijft niet aan de gemeente van Korinte om die hele charismatische handel maar te lossen (125). Die neiging heb ik natuurlijk wel met al die Korintische toestanden in Afrika. Maar 1 Korintiërs 14:1 staat ook in Afrika in de bijbel: streeft naar de gaven. Betekent dat nu ook dat ik naar alle gaven die de Geest te geven heeft, moet streven? Zoals al gezegd, ik denk dat de situatie waarin de kerk zich bevindt, hierbij het beslissende woord spreekt. Verder moet iemand ook tevreden willen zijn met wat hij al ontvangen heeft aan gaven.
Klanktaal werd de Korintische gemeente dus niet ontraden, ook al ging ze juist op dat punt in de fout. Zo zou ik binnen de NGK-zending in Zuid-Afrika de gave van genezing van ziekte of bezetenheid niet willen wegstrepen.
Ik beweer zelfs dat dat ook nooit gebeurd is. Hans Vonkeman beschrijft in zijn boekje Door Zoeloes geboeid dat hij eens een boze geest in Jezus’ naam heeft bevolen iemand te verlaten.
Wel vind ik dat iemand die naar die gave streeft, ook bereid moet zijn zich deskundig toe te laten rusten voor die bediening tot opbouw van kerk en koninkrijk. Uit de literatuur heb ik altijd begrepen dat juist deze gave om kennis van zaken vraagt op medisch terrein. Stel je toch voor dat je een psychisch zieke behandelt als een demonisch bezetene. Dat gebeurt! Dat is niet maar een pastorale blunder, het is Godgeklaagd! Vandaar dat ik voor blanke zendelingen op dit punt geen gave zie weggelegd in een zwarte Afrika-cultuur. Ze kunnen eenvoudigweg die cultuur niet goed genoeg van binnenuit kennen. Wat demonisch is, wat psychisch of paranormaal in een zwarte Afrika-cultuur, dat vraagt om een intieme kennis van zaken, maar ook om aangeleerde deskundigheid. De gave van boven sluit de kennis van beneden niet uit. Dat laat Smouter terecht zien.
Wanneer zwarte gelovigen zich door de Geest begaafd weten en door God geroepen tot deze dienst, moet hen daarvoor ruimte worden geboden. Ik maak er wel twee kanttekeningen bij. De eerste is dat deze dienst om teamwerk vraagt. Niemand moet dit als een eenmansbediening op zich durven nemen. Het moet in het geheel van de kerkelijke gemeenschap zijn ingekaderd. De andere is dat ik geen heil zie in deze bediening als ingeprogrammeerd onderdeel van de zendingsstrategie. Haast als vanzelf wordt prediking en onderricht dan een aanloop naar het eigenlijke: genezing van ziekte of bezetenheid. Het wordt dan geloof uit het zien van wonderen. Deze gave is daarentegen een instrument waar de Geest gebruik van kan maken, wanneer Hij wil en waar Hij wil. Een instrument dat dan ook voor gebruik gereed moet zijn.

Meer van de Geest
Uit mijn praktijkervaring weet ik dat we nooit genoeg van de Geest kunnen hebben. Ik heb tijden van grote machteloosheid gekend in mijn werk als zendeling, op allerlei niveaus. Ik weet nu dat ik toen te weinig van de Geest heb verwacht. Wat had Smouters boek mij toen goede diensten kunnen bewijzen, al blijven er voldoende gesprekspunten over. Ook binnen de NGK-zending verdient deze studie grote aandacht!

Dr. Bob Wielenga is emeritus-predikant van de Nederlands Gereformeerde kerk van Kampen en werkte van 1979 tot 2002 als zendeling in Zuid-Afrika.

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief