Psalm 23 en de Geest

2010-05-14
  • Jaargang 54
  • nummer 10
Psalm 23, de Heer is mijn herder. Jezus herkende zichzelf in deze psalm, al lag die herkenning anders dan bij ons. Waar wij ons herkennen in het schaap, identificeert Hij zich met de herder. ‘Ik ben de goede herder’, zei Hij. Zo vult dit lied zich met zijn aanwezigheid, met als gevolg dat ik deze psalm ook niet goed kan zingen, zonder aan de goede Herder te denken. Maar juist door deze associatie met de Zoon van de Vader dacht ik: zou je deze 23e psalm ook kunnen lezen met het oog op de Geest? Een beetje associatief misschien…

Het beeld van de herder en zijn kudde leek me direct al een prachtig plaatje bij de leiding en sturing die van heilige Geest uitgaat. Zoals een herder zijn kudde leidt naar plekken waar te eten en te drinken is - groene wei, vredig water, nieuwe kracht. Zo brengt de Geest je bij de eerstelingen van Gods grote toekomst. Nieuwe kracht en een gaaf leven! De heilige Geest met de trekken van een herder. Zoals in Psalm 143: ‘Laat uw goede geest mij leiden over geëffende grond.’ Dat zit toch heel dicht aan tegen de openingsregels van Psalm 23.

Leiding
Ik zie het terug in de pastorale hoofdstukken van de brieven van Paulus, vol met aanwijzingen voor het alledaagse. Opvallend daarbij is steeds weer de openheid die Paulus vraagt voor goddelijke leiding in grote en kleine keuzes. Neem bijvoorbeeld Galaten 5, waar de apostel schrijft: ‘Wanneer de Geest ons leven leidt, laten we dan ook de richting volgen die de Geest ons wijst.’ De Geest als herder. Dat brengt je bij de vreugde, de vrede en geduld en nog veel meer van het gave leven (Galaten 5:22).

In de schaduw
Dan verdonkert het beeld van de psalm. Het bestaan wordt zorgelijk en daar is soms maar weinig voor nodig.
‘Al ga ik door een dal van de schaduw van de dood’.
Wat opvalt is dat het in de donkerte van de psalm alleen maar persoonlijker wordt. Het was al persoonlijk met die belijdenis: ‘De Heer is mijn herder’. Maar hier wordt het van belijden bidden, waarbij God direct wordt aangesproken: ‘U bent bij me.’ Van de derde naar de tweede persoon.

Nabij
Ik dacht bij deze dreigende passage in de psalm aan een kant van het werk van de Geest die vaak onderbelicht blijft. Dat is dat de Geest je midden in de dreiging en de nood nabij kan komen ter ondersteuning. Niet dat de omstandigheden daar zo anders van worden, maar wel kreunt en zucht de Geest ter plekke mee vanwege onze nood (en die van de wereld om ons heen) en neemt als het moet de gebeden van ons over (Romeinen 8:26).

Dat is een opmerkelijke kant aan het werk van de Geest, omdat je als mens in een eerste reflex bij ziekte en narigheid denkt aan uitredding en genezing. Maar hier is alleen maar een diep dal. Overleven, zouden wij zeggen, maar God geeft de mogelijkheid om te overleven in de kracht van de Geest. Zoals je hoort in dat gebedszinnetje uit de mond van een bedreigd mens: ‘U bent bij me’. Een zinnetje dat zich ook niet laat opsluiten in de zeventig of tachtig jaar van een mensenleven.
Onverwacht deze kant van het werk van de Geest. Niet kracht, die zichtbaar wordt in de glorie van de uitredding, maar een volhardend zuchten en kreunen van de Geest midden in de misère. Kracht in zwakheid! Paulus heeft die kant van het werk van de Geest trouwens ook aan de lijve ervaren (2 Korintiërs 6:4-7).

Niet gauw genoeg
Dan schuiven de beelden in de psalm. De Heer verliest de trekken van een herder en wordt gastheer. En een gastheer is een heer, die dient. Wat me opvalt in deze passage is (opnieuw) de overvloed. ‘U zalft mijn hoofd met olie, mijn beker vloeit over.’ Overvloed, die ik associeer met het werk van Gods Geest. ’Zelfs over slaven en slavinnnen zal ik in die tijd mijn Geest uitgieten’, profeteerde Joël al. Overvloed!
En zo is het ook in het Nieuwe Testament! Met Pinksteren al en ook daarna. Als het gaat over gaven van de Geest in veelvoud - dienstbetoon, onderricht, spreken in tongen, gastvrijheid, gave van genezing. Maar ook als Paulus het heeft over de vrucht van de Geest - liefde, blijdschap, vrede, geduld en zoveel meer. Het is maar een greep, want het is de Geest niet gauw genoeg.

Kind aan huis
In de allerlaatste regels van Psalm 23 raken de beelden wat op de achtergrond en kom je echt helemaal thuis.
Dat laatste sluit wel prachtig aan op die eerdere beelden - van herder en schaap en heer en gast. Thuiskomen bij God. Zoals een pelgrim na een lange tocht. Of nog intiemer, zoals een kind thuiskomt bij zijn vader.

Ik dacht nog eens aan Romeinen 8, waar je leest dat we als zonen en dochters door God geadopteerd zijn. En laat het nu juist de Geest zijn die daarin zo’n sleutelrol heeft. Want de Geest leert geadopteerde kinderen om ‘Vader’ te zeggen tegen God. De Geest werkt dus aan ons thuisgevoel. Zoals het hier in Psalm 23 staat: Ik zal in het huis van de Heer verkeren tot in lengte van dagen.

Wij en ik
Als ik de psalm nog eens overlees valt het me op dat het eigenlijk allemaal ‘ik’ en ‘mij’ is wat de klok slaat, maar dat je al schrijvend over dit lied moeiteloos overgaat in ‘wij’ en ‘ons’. De beelden van de psalm nodigen ook uit om er een meervoud van te maken. Bij een herder denk je als vanzelf aan een kudde en bij een gastheer aan een heel gezelschap. Wat voegt dat ook veel toe!
Ik herken die trek van ‘ik’ en ‘wij’ in het geschenk van de Geest. De Geest, die werd gegeven aan de gemeente – biddend bijeen. Waarbij de vuurtongen zich vervolgens zetten op ieder van hen. Zoals Paulus jaren later schrijft dat de Geest geeft aan ieder gelijk Hij wil. Als een soort persoonsgebonden budget. En dat weer ‘ten bate van allen’ (1 Korintiërs).

En zo twinkelt Psalm 23 van de Geest, als een lied van leiding, nabijheid, overvloed en thuiskomen bij God.
De Pinksterboodschap voor mij en voor ons allen.

Meditatie bij Psalm 23.

Drs. Freddy Gerkema is predikant van de Nederlands Gereformeerde kerk van Amersfoort-Noord en lid van de redactie van Opbouw.

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief