Voor welke kerk, zei U?
1995-05-05
In een kleine plaats zal men bij een bank waarschijnlijk nog wel weten welke kerken je in die plaats aantreft.- Jaargang 39
- nummer 9
Ook de notaris zal, wanneer uw kerk een legaat heeft gekregen, misschien wel eens van die kerk hebben gehoord.
Woont U echter in Amsterdam, Rotterdam of een andere grotere plaats, dan is het bepaald niet uitgesloten, dat de man achter de balie op uw mededeling dat U voor uw kerk komt, reageert met de woorden: Voor welke kerk, zei U? En dat hij Udan vraagt U nader te legitimeren. Niet omdat hij overstroomt van heiIbegerigheid maar omdat hij toch wel wil weten, wat voor kerkelijk vlees hij in de kuip heeft en vooral omdat hij in een bepaald aantal gevallen wettelijk verplicht is U om een nadere legitimatie te vragen. Een verplichting, die zelfs kan gelden ook al kent de man of vrouw Uw kerk(gebouw) van buiten én van binnen. En de vraag is dan: Hoe doe je dat? Hoe bewijs je dat er daar een i.c. Nederlands Gereformeerde kerk bestaat en dat je die rechtens vertegenwoordigt?
De Wet identificatie bij financiële dienstverlening 1993
In een artikel in Opbouw van 20 mei 1994 onder de titel 'Kerkelijkebijdragen' kwam dit probleem al even aan de orde. Daarin vermeldde ik toen o.a.
dat ook kerken als gevolg van een Europese richtlijn, die ten doel heeft het witwassen van zwart geld tegen te gaan, sinds 1994 te maken hebben met een nieuwe wet. Een wet, die banken en andere instellingen soms verplicht om ook aan kerken om bepaalde legitimatiepapieren te vragen. I.c. om een verklaring van een notaris.
Ik schreef toen ook dat van de kant van het Cia, de Interkerkelijke Commissie in Overheidszaken, waar ook onze kerken bij zijn aangesloten, getracht werd om voor de kerken een ontheffing te krijgen. Welnu, die poging leidde niet tot het gewenste resultaat.
Bij brief van 27 januari 1995 heeft de minister van Financiën dat verzoek afgewezen. O.a. omdat hij meende, dat de wet dat niet wel mogelijk maakte en er ook aan andere instanties geen ontheffing was verleend. Het eerste valt te betwijfelen, het tweede is wel juist. Het tweede argument staat trouwens wel wat haaks op het eerste.
Maar dat daargelaten. Wel werd daar nog aan toegevoegd, dat de wet medio 1996 nog eens nader op zijn merites zal worden' bezien. Alle uitvoeringsprobiemen, waaronder het door het cia gedane verzoek zouden dan nog weer eens aan de orde kunnen komen.
In ieder geval kun je als kerk in bepaalde gevallen nu tegen die problemen oplopen en zul je dan voor een bevredigende legitimatie moeten (kunnen) zorgen.
Niet dat het heel regelmatig zal voorkomen.
Als je bij die bank eenmaal een rekening hebt zal het wel meevallen.
Maar als er een nieuwe kerk wordt geïnstitueerd, kerken worden samengevoegd - de Samen-op-Wegkerken zullen er (t.z.t.?) wel diverse malen mee worden geconfronteerdof als je als kerk naar een andere bank wilt overgaan, dan zal zeker om een verklaring van een notaris kunnen en moeten worden gevraagd.
Beperktere ruimte
Nu heeft de wetgever de kerken in het verleden altijd een grote ruimte gegeven.
Soms omdat de overheid toen de kerk als 'bovennatuurlijk lichaam' niet wilde beschouwen als een aan de wereldlijke macht onderworpen geloofsgemeenschap.
Soms op grond van de vrijheid van godsdienst.
Wanneer er dan iets werd voorgeschreven gebeurde dat gewoonlijk met grote terughoudendheid. Vele voorschriften, die bij voorbeeld gelden voor stichtingen en verenigingen zijn niet van toepassing op de kerken. Dat kon daardoor wel eens tot gevolg hebben, dat het moeilijk was om je als kerk te legitimeren.
Statuten, zoals verenigingen en stichtingen die kennen, heeft eenplaatselijke kerk gewoonlijk niet. Natuurlijk is er wel een kerkorde maar wat daarin staat gaat in het algemeen meer over allerlei intern-kerkelijke ambten en over verhoudingen tussen kerken onderling etc.. Of over hun bevoegdheden onderling. Wie mag een classis of regiovergadering bijeenroepen, hoe vaak komt een synode of een landelijke vergadering bijeen, bij wie kun je in beroep gaan enz.. Natuurlijk is er wat onze kerken (en diverse andere) betreft wel een jaarboekje met een aantal gegevens over de plaatselijke kerken. Maar ook daarin vind je veelal weinig zaken, vergelijkbaar met de statuten van een vereniging.
Geleidelijk aan komt in die terughoudende opstelling van de wetgever nu enige verandering. Alle streven naar minder regels ten spijt. Niet alleen als gevolg van het door de Nederlandse wetgever vastgestelde recht maar ook onder invloed van het Europese en internationale recht. Ook de rechter lijkt zich vaker met intern-kerkelijke zaken te bemoeien. Bij voorbeeld omdat iemand een kerkelijke uitspraak niet aanvaardt en zich dan tot de burgerlijke rechter wendt. Zo kun je lezen over predikanten, die geschorst of afgezet zijn en dan een beroep doen op de rechter. Of over een gemeentelid, dat rectificatie vraagt van hetgeen door de predikant op de kansel over hem gezegd is of van een bisschop, die geweigerd heeft een vrouw tot een bepaalde kerkelijke opleiding toe te laten.
De rechter zal in die gevallen wel met de nodige voorzichtigheid en afstandelijkheid te werk gaan maar soms toch wel tot de conclusie moeten komen dat hetgeen door een kerkeraad, een bisschop, een classis of regio of een synode is besloten met het geldend nationaal of internationaal recht in strijd is.
Naar een wijziging van de kerkorde in de toekomst?
Het lijkt daarom zeer wel mogelijk dat een en ander in de toekomst zal leiden, wel zal moeten leiden tot wijziging van de diverse kerkordes. Sommige kerken hebben op dat punt al enkele wijzigingen aangebracht. Niet dat je die dan wel zonder meer zou moeten overnemen. Voorzichtigheid is ook in dat opzicht zeker nog de moeder van de kerkelijke porceleinkast.
Ik noem twee voorbeelden.
1. De eerste juist i.v.m. de boven genoemde identificatiepl icht. Zo schreef prof. mr. T. van der Ploeg, werkzaam bij de juridische faculteit van de VU, in 1993 in een aan een collega aangeboden afscheidsbundel een artikel onder de titel 'Kan een kerk ook een vereniging of stichting zijn?'. Nadat hij heeft geschreven over de grote moeilijkheid om uit te maken wat juridisch bezien een kerk precies mag heten, bepleit hij toch een regeling, waarbij de rechtspersoonlijkheid van een kerk wordt verbonden "aan een formeel uitwendig teken, zoals een notariële acte of een inschrijving in een register. Voor de betrokken kerken zelf en voor evt. derden, die daar belang bij zouden kunnen hebben. Het is een mogelijkheid.
Wellicht zijn er ook veel creatievere oplossingen.
2. Het tweede voorbeeld wordt aangereikt door diverse kerkelijke procedures, die blijkens uitspraken van de rechterlijke macht toch niet door de beugel konden. Zo vindt men in het binnen vrijgemaakte kring verschijnend blad De Reformatie van 30 april 1994 een uitvoerig themanummer over het appélrecht. Met o.a. een aantal duidelijke criteria voor wat wel een goede rechtsgang zou mogen heten en voor oplossingen, die dan wel zouden stroken met o.a. art. 6 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden. Het nummer bevat een serie artikelen van de hand van eèn werkgroep van het 'Gereformeerd Wetenschappelijk Genootschap'. Van een werkgroep waar o.a. de mrs. OI-denhuis, Pel en Slump deel van uitmaakten.
De beide laatstgenoemden nemen beurtelings als waarnemer van hun kerken aan de vergaderingen van het CIO deel.
Voorgaande artikelen bevatten voorbeelden, die o.a. ook zouden kunnen bewerkstelligen, dat de burgerlijke rechter (nog) minder aanleiding ziet om in kerkelijke procedures in te grijpen.
Een praktische oplossing
Maar afgezien van eventuele oplossingen op de iets langere termijn zal het toch nodig zijn om, wanneer de Wet identificatie bij financiële dienstverlening 1993 een kerk problemen bezorgt, een oplossing te vinden voor de kortere termijn. Uiteraard is het mogelijk dat een notaris de benodigde verklaring opstelt. Je kunt daarvoor natuurlijk naar een vrij willekeurige notaris toestappen. Die zal dan niet alleen over de benodigde kennis van deze wetgeving moeten beschikken maar ook een redelijk inzicht moeten hebben in de aard van het desbetreffend kerkrecht en de structuur van de desbetreffende kerkelijke organisatie. Als hij daar niet over beschikt, zal het aantal uren, dat hij moet besteden aan bestudering van deze materie (en zijn rekening?) uiteraard veel groter zijn dan nodig. Hetgeen duidelijk maakt, dat het goed lijkt een en ander voor de kerken bij één notaris te concentreren.
Wat onze Nederlands Gereformeerde kerken betreft heeft kunt U dan het beste contact op te nemen met de secretaris van de Commissie voor contact met de Hoge Overheid van onze kerken. Die kan U dan niet alleen de weg wijzen naar een zeer efficiënte oplossing maar U wellicht ook vele onnodige zorgen en onkosten besparen.