Persschouw
1995-05-05
Handen tekort- Jaargang 39
- nummer 9
Ergens vijf hoog lag ze, in een oud Amsterdams ziekenhuis. Een openhartige bejaarde.
"Dit is nu al mijn achtste week.
Het duurt wel lang, eerlijk gezegd.
Weet u, ik ga zo naar huis verlangen.
Ik heb het hier goed, hoor, daar gaat het niet om. De zusters en broeders zijn allemaal even lief voor me. Nou ja, je hebt er wel eens één tussen die dan zeker net z'n dag niet heeft, maar vooruit, een kniesoor die daar op let.
Maar toch, je gaat zo naar je spulletjes verlangen, ziet u, naar je eigen, heel gewone, huiselijke dingetjes.
Ik had allang naar huis gemogen, als ik die complicaties niet gekregen had.
Elke keer weer koorts. Nu'ja, dan weet je het wel: dan laten ze je niet gaan.
Trouwens: het zou ook niet kunnen, dat begrijp je dan zelf ook wel.
Maar toch, het gaat aan je knagen, zal ik maar zeggen. Je krijgt een beetje heimwee op den duur. En als de kinderen dan komen, dan moet ik me soms goed houden, dan zou ik zo wel een traantje kunnen laten. Niet altijd hoor, maar zo af en toe moet je er toch wel eens tegen vechten ...
Het meest van alles mis ik eigenlijk m'n man. Dat is nou vorige week vijf jaar geleden, dat hij gestorven is. Het is allemaal heel plotseling gegaan. We hebben nauwelijks afscheid kunnen nemen. En dat is moeilijk, hoor. Echt, heel moeilijk. Vooral in het begin, dan mis je elkaar zo. Later wen je er wel een beetje aan, maar toch ook weer niet en soms vliegt het je aan alsof het allemaal gisteren gebeurd is. Dan voel je echt dat je alleen bent. Niet dat de kinderen niet goed voor me zijn, hoor, daar zul je me niet over horen, maar je man is toch anders, begrijpt u wel?
Wat ik dan doe, in zulke momenten?
Dan ga ik tellen. M'n zegeningen teilen.
Ja, nou zult u wel lachen en vragen of ik niet goed wijs ben, maar echt, als ik zo'n bui heb dan weet ik precies hoe dat gaat: als ik er niet tegen vecht, dan zak ik langzaam maar zeker steeds verder in de put en in de prut en als ik dan niet uitkijk moet de gemeentereinigingsdienst me met een takelwagen d'r uit komen hijsen ...
Nee, in zo'n geval moet je vechten, vechten tegen jezelf. Nou ja, je kunt natuurlijk wel eens een keer een potje grienen, daar ben ik helemaal niet vies van en het lucht nog op ook, maar dan moet je daar ook een keer mee ophouden, want anders kun je binnen de kortste keren een zwembad beginnen.
Nee, ik ga dan altijd m'n zegeningen tellen. Precies zoals dat versje zegt: Tel uw zegeningen, tel ze één voor één, tel ze alle en vergeet er geen.
Hoe ik dat dan doe?
Nou, heel geWoon. Dan vouw ik mijn handen en dan kijk ik uit het raam naar de hemel. Het kan me niet schelen of het bewolkt is of helder, of het licht is of donker, ik zeg gewoon: "Dank je wel, lieve God, voor alles wat ik gekregen heb aan mooie dingen! Voor m'n man, die 34 jaar bij me was, en voor m'n kinderen, die me elke week komen opzoeken nu ik in het ziekenhuis lig, en voor al die lieve zusters en broeders hier, en voor de dokters die me behandelen en voor die mevrouw van de bibliotheek, die elke keer vriendelijk komt vragen of ik nog iets lenen wil en voor ... nou ja, dan ga ik zo de hele rij langs, begrijpt u wel. En dan heb ik me toch een tijd nodig, je houdt het niet voor mogelijk, zoveel zegeningen kan een mens dan tellen? Soms zegt m'n buurvrouw hier op zaal: "Wat lig je toch te piekeren en naar de hemel te staren? Je geeft de moed toch niet op?" En dan zeg ik: "Ben je mal, mens, ik haal juist een beetje moed uit de hemel vandaan. Ik ben bezig m'n zegeningen te tellen, maar nou jij je d'r tegenaan bemoeit raak ik de tel helemaal kwijt...!"
Nou en dan moeten we natuurlijk allebei verschrikkelijk lachen en dan teilen we soms ook wel eens samen ... Ik zeg wel eens: ik kom eigenlijk handen tekort - om ze te vouwen ...!"
AI lezend in het interessante evangelisatieblad: de 'ELISABETHBODE', werden wij getroffen door bovenstaand artikel. Dit spontane en ongekunstelde getuigenis spreekt aan! Het kan ons helpen in moeilijke levenssituaties op royale manier uiting te geven aan onze christelijke dankbaarheid!