De geloofwaardigheid van de Bijbel (2)
1995-07-14
Dr. Loonstra schreef een boek over de geloofwaardigheid van de bijbel. Bij maakt zoveel mogelijk ruimte voor serieuze kritiek op onderdelen. maar trekt een grens bij bijbelse voorstellingen die onvervangbaar zijn als je geen afbreuk wilt doen aan de heilsfeiten. Dat leek moeilijk hard te maken.- Jaargang 39
- nummer 14
Maar wat dan? Moeten we dan als christenen de rijen sluiten en pal staan voor de absolute historische betrouwbaarheid van elk detail uit de bijbel? Moeten we naast de onfeilbaarheid van de bijbel ook de foutloosheid ervan gaan leren? Ik vind dat een heilloze weg. Letterlijk heilloos, want het heil van God zit juist in de kern van de bijbel en als we gaan pal-staan aan de rand, dan zijn we veroordeeld om steeds over marginale dingen te strijden.
Het klinkt misschien raar, maar ik ben er diep van overtuigd dat zowel Loonstra als de orthodoxen die hij bestrijdt, bezig zijn met de verkeerde veldslag. Namelijk met de veldslag die van de rand van de bijbel naar het centrum leidt. Die veldslag is begonnen door critici van het geloof en van de bijbel. Gereformeerde verdedigers hebben tijden lang strijd gevoerd in de buitenwijken.
Velen hebben die strijd opgegeven en zijn vrijwel alles kwijt geraakt. Dr. Loonstra nu wil geen partij kiezen, maar wel een safe area inrichten, een veilig gebied waar gezien het belang van de zaak geen strijd gevoerd mag worden. Dat is net zo sympathiek en net zo kansloos als de politiek van de VN in Bosnië.
Vanuit het centrum naar de rand
Maar is er dan een andere strijd?
Jazeker, dat is de geestelijke strijd die God zelf voert. Die juist vanuit het centrum begint en naar de buitenwijken gericht is. In die strijd wil ik graag meegenomen worden. Concreet: als je over de geloofwaardigheid van de bijbel wilt schrijven, dan moet je niet inzetten bij de vraag wie Goliat gedood heeft, maar bij de boodschap over het offer van Jezus Christus, dat voldoende is voor al onze zonden. En dus bij de opstanding van diezelfde Jezus uit de doden. Van daar vandaan kun je dan OOkwel gaan nadenken over teksten die meer naar de rand liggen, maar dat doe je dan veel meer ontspannen. Ik wil bijvoorbeeld best op zakelijke gronden praten over de vraag of Jezus letterlijk over het water heeft gelopen. Maar niet onder de klem dat daarvan afhangt of ik er rationeel uit kom. Als Jezus werkelijk is opgestaan uit de dood, dan was het toch peanuts om over het water te lopen? Ik realiseer me heel goed, dat het probleem daarmee niet opgelost is. Want dan wordt het des te klemmender om de vraag te beantwoorden waarom ik dan wel geloof wat de bijbel me leert over de betekenis van Jezus' dood en opstanding. Dat is niet zo eenvoudig, maar het voordeel is dat we het dan wel hebben over de goede vraag!
Fundamentele keuze
Mijn punt is dus: als je over de geloofwaardigheid van de bijbel praat, dan moet je dat doen vanuit het centrum van die bijbel, vanuit Gods openbaring in Christus. Doe je dat niet, dan voer je een verkeerde strijd, die gedoemd is te mislukken. Het opvallende is nu, dat dr. Loonstra in zijn inleiding deze fundamentele keuze al onder ogen ziet. Hij schrijft, in te willen gaan "op rationele bezwaren tegen de geloofwaardigheid van de bijbel". En dat brengt (zoals hij zelf zegt) voor zijn boek twee kenmerken mee: dat het zich ophoudt aan de grenzen van het schriftgezag en dat het een rationeel karakter draagt. "Dat houdt in dat het niet primair gaat over het hart van de bijbelse boodschap, het evangelie van Gods liefde in Jezus Christus".
Niet dat voor de schrijver deze centrale inhoud van minder belang is, maar hij kiest er zijn methodisch startpunt niet in. Want als je dat wèl doet, dan worden "onze vragen wel gerelativeerd, maar niet beantwoord". Aldus de schrijver.
Met als gevolg, dat zijn boek inderdaad die beide kenmerken heeft: het gaat over zaken aan de rand en het gaat daar op een rationele manier over. Of met andere woorden gezegd: het lijkt erg op praten over het brood, zonder het brood aan te snijden. Je hebt maar zelden het gevoel dat de Schriften erdoor opengaan en er worden wèl een heleboel dingen aan de rand problematisch gemaakt. Over mythen en sagen die je in de bijbel zou vinden, over normen die wij niet meer kunnen aanvaarden en zo meer. Meerdere recensenten hebben daar al de staf over gebroken en gesteld dat Loonstra daar (veel) te ver in gaat.
Ik voelde af en toe ook wel de neiging om wat terug te zeggen, maar ik begin daar niet aan omdat ik denk dat ik dan mèt Loonstra aan die verkeerde strijd deelneem. Voorbeeld: ik geloof er niks van dat de berichten over de dag van Jezus' opstanding zo tegenstrijdig zijn als dr. Loonstra wil doen geloven. Maar als we daarover gaan strijden, dan kan ik hoogstens bereiken dat de slag net iets eerder dan hst Centrum zou eindigen.
In het echt gaat het anders
Je verliest nogal wat, door over de geloofwaardigheid van de bijbel niet vanuit Christus maar vanuit de rand te spreken, schreef ik eerder. Nu wil ik daaraan toevoegen: door het startpunt niet te nemen in de centrale inhoud van het evangelie maar in een rationele bespreking, stap je weg uit de echte werkelijkheid naar een wetenschappelijke abstractie. Want in het echt werkt het niet zo, dat iemand de bijbel als geloofwaardig aanvaardt vanwege een rationele redenering. In het echt wordt een mens alleen overtuigd wanneer hij gegrepen is door de inhoud van het evangelie. Is hij erdoor gegrepen, dan neemt hij veel problemen op de koop toe; raakt de inhoud hem niet, dan zal hij op elke slak zout leggen. Zo gaat het, denk ik, in het echt. "Vóór-wetenschappelijk" noemt men dat soms, maar dat vind ik ongeveer klinken als "pre-historisch" en vandaar dat ik zeg: in het echt draait het bij de geloofwaardigheid van de bijbel om de inhoud, de centrale inhoud.
Rationele benadering
Maar heeft de schrijver dan geen gelijk, dat je de kritische vragen van vandaag niet anders dan op rationele, wetenschappelijke, wijze kunt beantwoorden? Wat ik voorstel, namelijk inzetten bij Christus en zijn volbrachte werk, dat is toch niet wetenschappelijk en kan toch onze vragen wel relativeren, maar niet beantwoorden? Dat laatste is voor Loonstra de reden om voor een wetenschappelijke, rationele benadering te kiezen. Daar zit dus de pretentie (of de hoop) achter, dat je met zo'n wetenschappelijke benadering de vragen wèl kunt beantwoorden.
Het is juist op dit punt, dat ik mijn voornaamste kritiek heb. Op de pretentie, dat een wetenschappelijke benadering de antwoorden kan bieden waar een gewone bijbellezer maar mee blijft zitten. Deze pretentie vind ik gevaarlijk èn onjuist.
Deze twee typeringen hoop ik uiteraard toe te lichten, maar ik moet mezelf even onderbreken om duidelijk te maken dat ik nu niet zozeer meer tegen Loonstra schrijf, maar tegen een veel breder geloof in wetenschap.
Dr. A. van den Beukei schrijft daarover meesterlijk op het terrein van de natuurwetenschappen. Maar van theologie geldt dat net zo duidelijk, dat je uit moet kijken voor de pretenties ervan. Ik heb eerder gezegd dat ik Loonstra niet over één kam wil scheren met Kuitert. Maar in de structuur van schrijven is er veel overeenstemming tussen het boek dat we nu bespreken en "Zeker weten" van Kuitert. In beiden wordt al redenerend veel uit de bijbel, respectievelijk het geloof problematisch gemaakt en telkens als de lezer de grond onder z'n voeten voelt wegzakken, dan vind je verwijzingen naar het slothoofdstuk, waarin de schrijver belooft te openbaren wat er nog aan houvast overblijft. Met de pretentie dat dat dan de door de wetenschap opgeschoonde zekerheid is.
Bovendien onjuist
Gevaarlijk en onjuist noemde ik dat. Gevaarlijk omdat het bij mensen in de kerk de indruk wekt dat je een wetenschappelijk denkraam en taaie taal nodig hebt om tot de geloofwaardigheid van de bijbel te concluderen. Met veel nadruk zeg ik erbij, dat Loonstra tegen dit gevaar juist waarschuwt. Meermalen zegt hij, dat de geloofwaardigheid van de bijbel tevoren gegeven is en niet pas als resultaat van het denkproces ontstaat. Dat is voor mij het sympathieke aan zijn boek. Alleen strijdt het met de hele aanpak die hij volgt, die immers niet vanuit het geloof in het centrum is, maar vanuit de twijfel aan de rand.
Maar de pretentie dat deze rationele aanpak wèl de antwoorden biedt is (ook niet onbelangrijk!) bovendien onjuist. Dat blijkt alleen al uit het slot, waarin al het gezegde uitmondt in de Derde Leesregel van Loonstra: "Voorstellingen die niet vervangen kunnen worden zonder dat aan de betuigde heilswerkelijkheid afbreuk wordt gedaan, mogen niet vervangen worden”. Daarvan kunnen we in alle nuchterheid zeggen dat het niks oplost, omdat de meeste andere auteurs gewoon nog wat verder gaan. Neem Kuitert, die als zekerheid voor wie geen grond meer onder de voeten voelt komt tot "mystieke ervaringen met iets van een persoon-achtige transcendentie". Ook bij hem een rationeel betoog, gevolgd door een op het oog vrij willekeurige slotsom, die echter vanwege het hele boek de geur van wetenschappelijke zekerheid draagt.
Het Griekse denken
Ik vind overigens, dat de gevolgde rationele aanpak niet alleen in het slothoofdstuk faalt, maar ook in de redenering die daar naar toe leidt. Laat me twee belangrijke momenten daaruit noemen. Eerst de studie uit hoofdstuk 5, over het waarheidsbegrip. Dat hoofdstuk betoogt (grof weergegeven), dat wij met ons Griekse denken met het woord 'waarheid' bedoelen dat de feiten precies weergegeven zijn, terwijl in het Hebreeuwse denken met 'waarheid' vaak niet de objectieve waarheid van een stand van zaken wordt bedoeld, maar de subjectieve oprechtheid van de spreker (pag. 152).
Daarom kunnen wij soms vinden dat iets niet waar is wat de bijbel vertelt, terwijl dat in het Hebreeuwse denken heel anders ligt. Wat het Hebreeuwse denken is, wordt dan afgeleid uit de structuur van de Hebreeuwse taal en zo meer. Dat zijn argumenten als: het Hebreeuwse woord dabar betekent woord en daad tegelijk, dus ze dachten heel praktisch, die joodse mensen!
Het is een heel verhaal en het maakt ook indruk - als je niet toevallig weet dat heel deze redenering wetenschappelijk zeer omstreden is. Want je kunt niet uitmaken wat "het Hebreeuwse denken" is, als we het over een periode van vele eeuwen hebben en over een wereld met vele milieus. Stelt u zich voor dat iemand over twintig eeuwen "het Nederlandse denken" analyseert. Bedoelt hij dan Vondel of Lubbers? Denkt hij aan Staphorst of aan de Jordaan? En wat zal hij ervan denken dat wij zoveel zwakke werkwoorden hebben, vergeleken met de Engelsen? Kortom: de geboden duidelijkheid op dit punt is schijn. Dus wat voor basis legt dat nou onder je vertrouwen in de geloofwaardigheid van de bijbel?
Metaforen
En het andere belangrijke moment in het betoog is wat Loonstra schrijft over het gebruik van metaforen. Dit betekent dat we vaak iets zeggen in een soort beeldspraak zonder dat apart zo te noemen. Als ik een van m'n vrienden een kei noem, zal niemand daarbij denken aan een steen die niet te verslepen valt. Ons spreken over God is vaak ook een metafoor: God is mijn herder of mijn vader. Maar het zou een stuk schelen wanneer we bepaalde teksten waarmee we niet uit de voeten kunnen, wat vaker als een metafoor beschouwen. Als een beeldspraak dus. Daar kan best iets in zitten, maar ik vind dat de schrijver met dat begrip zo geweldig aan de haal gaat, dat àlles wat we zeggen en denken metafoor is. En wat heb ik er dan nog aan? Wanneer ik bovendien uit andere boeken weet, dat het spreken over 'metaforen' momenteel zo ongeveer dè term is waarmee de bijbelse leer krachteloos wordt gemaakt, dan zie ik niet veel in dit soort behulpsels om de geloofwaardigheid van de bijbel te versterken.