Georgië, waar leven kostbaar is
1995-07-14
Ik heb geen volk meegemaakt dat zo kan eten en drinken als de Georgiërs. En ze kunnen het niet alleen, ze doen het ook! Dat blijkt weer eens tijdens de bruiloft in Digomi. Ik verblijf in dit dorp bij vrienden en we zijn uitgenodigd, nee verplicht, om ons te laten zien op de bruiloft van de zoon van de buren. En dat niet voor een uurtje: nee, minstens drieënhalf uur word je geacht aanwezig te zijn. En dat niet eenmaal. nee van ons wordt verwacht dat we op drie (!) achtereenvolgende avonden onze belangstelling tonen.- Jaargang 39
- nummer 14
Bruiloft
Malkhaz Songulashvili, mijn vriend en gastheer, is voorganger van de Baptistengemeente in Tbilisi, 7 kilometer verderop; dat is een grote gemeente van 1200 leden. Hij is daarnaast hoogleraar aan de Universiteit bovendien, doceert aan het Baptistenseminarie en schrijft veel artikelen; ook onderhoudt hij contact met velen in binnen- en buitenland.
Hij heeft 't weergaloos druk en kijkt misprijzend, als zijn ouders, broer, schoonzus en de twee nichtjes die bij hen wonen, hem ertoe pressen om mee te gaan! Hij schikt zich zuchtend in het onvermijdelijke. Hij is Georgiër genoeg om te weten dat dat niet kan. In Digomi is het ondenkbaar dat je weg zou blijven. Dat zou een ongehoorde belediging van de buren zijn!
Een bruiloft van buren kan men duswellicht helaas - niet onbezocht laten.
En dus gaan we naar de tot feestzaal omgebouwde garage, waar een naar schatting tweehonderdkoppige menigte aan lange tafels zit. En die tafels staan, zoals de Engelse uitdrukking zegt, te kreunen onder hun last!
Schotels met brood, kip, rundvlees, varkensvlees, vlees in het algemeen en in het bijzonder, soep, pas gevangen vis uit de rivier, kaviaar (dat naar onze norm heel goedkoop is en waar ik al heel gauw warme gevoelens voorkoester), groenten en drank! Veel drank, heel veel drank! Die drank is, gelukkig, vrij zwak alcoholisch. Naar een kennis me toevertrouwt, drinkt bij een beetje bruiloft een gemiddelde gast die het bruidspaar recht wil doen, toch al gauw vijf liter! Ik ben zo vrij dat veel te vinden en verwacht dat ik van vijf liter zwakalcoholische drank toch al wel enigszins afwijkend gedrag kan gaan vertonen ...
Eindeloos geklonken
Op de bruiloft wordt eindeloos geklonken. Er is naast een vrij actieve ceremoniemeester ook 'n speciale "toastmaster general" die de ganse avond creatief nieuwe redenen moet bedenken om het glas, dat toch zeker al wel weer twee minuten onberoerd is gebleven, te laten heffen. Echt, het gaat de ganse avond door! Er wordt door de aanwezigen eindeloos geklonken en ertussen door, gelukkig, wordt gegeten, gepraat en gedanst. Dat laatste wordt vooral door de mannen gedaan, die vurige dansen laten zien die het midden houden tussen kozakkendansen (denk ik) en de soort dansen die ik me van de Balkan herinner.
't Is echter onvervalst kaukasische muziek, zo mooi en spannend dat ik me tegelijk schaam voor onze klompendans of onze "Driekusman" die ik overigens nog nooit heb geprobeerd.
Alle bezwaren die onze calvinistische voorvaderen tegen het dansen hebben ingebracht lijken hier in rook te vervliegen: geen zwoele muziek of klef geflikflooi aan elkaars lijf; er wordt alleen door mannen gedanst en die blijven allemaal minstens een meter bij elkaar vandaan. Mijn enige angst is dat ik ook zal moeten meedoen en ja hoor, kon ik op de eerste avond dat onheil bij me weg houden, op de tweede avond komt een oude buurman, met een gezicht zo gegroefd als een net gerooid aardappelveld, me uit het gezelschap eters en drinkers plukken. De ellendeling! Weigering is een ernstig affront, dus begin ik met loodzware benen mijn dans, die tot mijn intense chagrijn ook op een door het stel gehuurde videocamera wordt vastgelegd, maar tot mijn opperste verbazing valt mijn gestuntel in heel goede aarde! Dat is een wonder van enige proportie, want ik ben in het geheel geen danser. (Toen de Griekse dichter Homerus in zijn werk melding maakte van "slingerpotige runderen"
had hij er ongetwijfeld ook mensen zoals ik ben mee op het oog.) "You did very weil" is de reactie van een buurman aan tafel. Duidelijker bewijs van totaal gebrek aan oordelingsvermogen, vermoedelijk als gevolg van dronkenschap, kan niet bij benadering geleverd worden. Men kan wellevendheid ook te ver voeren, denk ik dan.
Meer dan kwasi-kaukasische gebaren heb ik er niet uitgevoerd, met hier en daar een slag in de lucht of een wat spasmodisch uitgevallen beenbeweging. Hoe dan ook, daarna kan ik bij de aanwezigen geen kwaad meer doen! Ik hoor er nu helemaal bij.
Laten we drinken op...
Het was al heel goed geweest, toen ik op de eerste avond ook had moeten toasten. Omdat ik de enige buitenlander op het feest ben, en ik me bloemrijk dien te uiten (met een goede vertaler blijft daar veel van intact!) begin ik met te zeggen dat ik het bruidspaar feliciteer namens de niet-georgische wereldbevolking. Om voor alle gemak de Hottentotten, Eskimo's, Vuurlanders en Toraja's erbuiten te houden, die ik naar eigen besef niet echt vertegenwoordig, wens ik hen geluk "namens alle mensen ten Westen van Rusland en ten Oosten van Amerika".
Of die politieke subtiliteit aan hen besteed is, weet ik niet; ze horen het vol waardering aan. Later hoor ik wel van Malkhaz dat het indruk had gemaakt dat ik hun de gelukwens "van Hare Majesteit onze Koningin en van Harer Majesteits regering" had overgebracht. Ze konden uit mijn woorden niet achterhalen of ik die allemaal kende of niet... Voortdurend werd er getoast op bruidegom en bruid (natuurlijk), maar ook op de ouders van de bruidegom (minstens eenmaal), de ouders van de bruid (idem), de oma van de bruid, de oom van de bruidegom, andere familieleden, het volk van Georgië. Allemaal prima. Bij die laatste dronk, op het Georgische volk, moeten we "ad fundum" drinken.
In een teug hoort het glas geleegd te worden geleegd en dat scheelt tegelijk een kwart liter (zoals u weet, zwakalcoholische) wijn, want er werden forse bellen gebruikt! Toen kwamen de overledenen ("dat heeft echt niks met spiritisme te maken", fluisterde Malkhaz, of wellicht brulde hij het boven het vele lawaai uit; "dat is gewoon een oud gebruik, niet religieus").
Ik had daar derhalve geen echte moeite mee; alleen moest, geloof ik, voor het voorgeslacht ook al ad fundum op gedronken worden, dus ik kreeg wel oefening in het legen van glazen met een lange teug. Toen de gevallenen in de Tweede Wereldoorlog.
Digomi telde in die tijd circa 1000 gezinnen en van de mannen keerden er 600 niet van het front terug ... Een gruwelijke tol die wel gemiddeld is voor de Sowjet Unie. In de arbeidersstaat zijn toen immers naar schatting 20 miljoen mensen omgekomen: gesneuveld aan het front, als burger vermoord of gestorven door honger of kou. Dan komen de mensen die gevallen zijn in de burgeroorlog in Abchazië aan de beurt. De ene zegenspreuk tuimelt bovenop de vorige. Op de vrede.
Op mijn aanwezigheid. Op de vrede en vriendschap tussen Georgië en Nederland. (Gelukkig is de kans op onderlinge conflicten inderdaad gering.) Op de nagedachtenis van de Nederlanders en Georgiërs die tijdens de opstand op Texel omgekomen zijn. (Tot mijn grote verbazing heeft iedere Georgiër die ik tegenkom van dat drama gehoord; ik durf er niet voor in te staan dat dat aan onze kant net zo is.) Ik moet - het is dan de tweede avond - weer de toast beantwoorden en spreek op mijn bloemrijkst over de schaarse momenten dat het leven van Georgiërs en Nederlanders elkaar heeft geraakt. Ik spreek over de noodzaak van vrede in de wereld en van vrede in ons eigen hart. En zo gaat 't maar door. Je wordt heel bloemrijk in een sfeer waarin men steeds een fles boven een glas op zijn kop weet te houden! Dan dient zich onverwacht een crisis aan. De erepimpelaar wil een toast uitbrengen op Stalin, zoals
bekend ook een Georgiër en nog steeds het centrum van een aanhoudende heldenverering in zijn geboorteplaats Gori. "Een dronk op Stal in!" Ik ben plotseling ontzet. Malkhaz fluistert me toe: "Het is bijna geen historische figuur voor veel mensen hier, meer 'n legendarisch en mythologisch persoon. Voor Georgië heeft hij namelijk veel gedaan." Dat kan wel zo zijn, maar ook na drie liter (zwak)alcoholische wijn doe ik dat niet. "Ik drink op de gedachtenis van Stalins slachtoffers", verklaar ik halfluid. Dat is ook goed. Dus drink ik op de vele miljoenen die in de kampen en in de gevangenissen van de Slachter het leven gelaten hebben.
Ontmoetingen
Op onze wandeling door Digomi ontmoeten we de heer Gela Michelashvili, midden vijftig, met grijzend krulhaar, en een rijzige gestalte. Hij is bezig om een voorraad asfalt en grint op zijn binnenplaats te deponeren, samen met een kennis. Hij lijkt een heel gewone man, een kettingroker. Hij is echter ook de gouverneur van het belangrijke district Mscheta, waar de oude Georgische hoofdstad zich bevindt. We beginnen een praatje.
Meneer de gouverneur - "hij werkt heel hard en heeft hier een prima reputatie", vertelt Malkhaz laternodigt mij/ons uit om een dag of twee later naar zijn residentie te komen en mee te gaan, als hij in een dorp iets officieels moet doen. De beslissing is gauw genomen. Ik heb elke dag in Tbilisi en Gurdjaani minstens een les, preek of Bijbelstudie gegeven; de betreffende vrijdag is de laatste volle dag van mijn verblijf, want zaterdag vlieg ik terug naar Moskou.
Dus gaan we die dag naar de stad Mscheta, zo'n drie kwartier rijden. Een vriend, Tariel, rijdt ons erheen in een net iets minder oude Lada dan de meeste anderen hebben. Eerst een erg mooie rit langs de rivier de Kura (zo noemen de Russen hem, omdat de Georgische naam door hen te moeilijk wordt gevonden; dat geldt voor nagenoeg alle Georgische namen - een vreselijk moeilijke taal voor buitenstaanders is dat Georgisch toch!). Onderweg zien we een paar prachtige kloosters, op hoge rotsen; op afstand lijken ze redelijk onderhouden.
De gouverneur is klaar voor ons bezoek; hij zit zich die middag een beetje te vervelen, heb ik de indruk.
Als wij komen moet hij wat zaken afhandelen en wat secretarissen en secretaresses instructie geven, maar dan gaat hij met ons mee en laat de Kathedraal zien, uit de 11e eeuw. De fundamenten zijn nog een stuk ouder, want de Kerk van Georgië stamt uit de vroege 4e eeuw. Alleen het buurvolk van de Armeniërs heeft nog oudere papieren. Hun Kerk is van 301, waarmee ze zich als de oudste christelijke natie op aarde beschouwen; de Georgiërs komen een paar jaar later en liggen in de tijd nog net voor op het Romeinse Rijk, dat in 313 bij het Tolerantie-edict van Milaan het christelijk geloof erkende en later als staatsgodsdienst aanvaardde.
Een overweldigende kathedraal
Het is een overweldigend mooie kerk, zo oud als onze romaanse kerken, en uitnemend onderhouden. Veel vorsten en vorstinnen uit de dynastie van de Bagrations liggen hier begraven. Een paar mooie ikonen zijn te bewonderen en op de wanden bevinden zich ernstig verbleekte zeer oude fresco's. De heer Michelashvili weet er bijzonder veel van en neemt ook veel tijd voor ons; we besteden zeker anderhalf uur aan het bekijken van binnenen buitenkant van de kathedraal, die een bouwwerk van wereldklasse is; pas heeft de UNESCO het hele stadje Mscheta op de lijst van cultuurmonumenten geplaatst. Zijn enthousiasme gaat bepaald wel verder dan een ambtelijke interesse! Hij heeft ook archeologische belangstelling, naar zal blijken bij het bezoek aan het plaatselijk museum waarheen hij ons meeneemt. Bij het bespreken van thema's in de kunst weet hij ook alle bijbelse zaken goed te melden. Georgiërs zijn immers christen! Zo leeft dat bij de meesten in dit volk. Als we naar buiten gaan, ontmoeten we Vader Grigor, de abt van een klooster dat nu wordt opgebouwd binnen de muren van het kathedraalscomplex. Hij heeft meteen de vraag voor me: "Als al die buitenlandse religies ons land binnenkomen, zullen ze dan respekt hebben voor deze heilige plaats?" Ik probeer hem te verzekeren dat dat het geval zal zijn, maar de zeer aimabele monnik lijkt niet snel van zijn angstige voorgevoelens af te helpen. Inderdaad, Georgië is bezig een plurale samenleving te worden en dat geeft vragen en spanningen.
Besef van de oorlog
Na onze uitvoerige bezichtiging rijden we door naar een dorpje op een uur rijafstand. De gouverneur heeft zijn chauffeur, die ook een oude Lada rijdt, vrijaf gegeven en rijdt met onze auto mee naar de plechtigheid waar zijn aanwezigheid gevraagd wordt. Een school moet worden herdoopt. Er zijn in dat dorpje vijf mannen gesneuveld in de burgeroorlog tegen 't opstandige Abchazië; voortaan zal de school de naam dragen van een van hen, een jongen van nog maar twintig, die destijds op die lagere school les heeft gevolgd. Onderweg verneem ik hoeveel mensen in de (nog niet geheel voorbije) oorlog zijn omgekomen. Het is een burgeroorlog die bij ons in het Westen grotendeels onopgemerkt is gebleven, maar die diepe wonden heeft geslagen in de Georgische samenleving. Trieste verhalen bij de vleet! (In Tbilisi blijken tienduizenden vluchtelingen te leven, die onder andere het eens trotse Hotel Iveria in het centrum in bezit genomen hebben.
Net als vorig jaar hangt het hele gebouw vol met lakens en andere was. Elke galerij staat vol met inderhaast op de vlucht meegenomen spullen.) Als we bij de school komen, worden we door het schoolhoofd en de burgemeester verwelkomd. Ik kom uit dezelfde auto als meneer de gouverneur en hoor derhalve ook tot de genodigden. De hele gymzaal zit propvol met minstens vierhonderd kinderen, schat ik. Ook zijn er wel ouders bij en ook een heel rijtje veteranen uit de Tweede Wereldoorlog. Sommigen hebben hun oude uniform aangetrokken; allemaal dragen ze een reeks medailles. Ze voelen zich zeer vereerd, als ik een paar foto's van hen maak, die ik hun overigens nog (via allerlei omwegen) sturen moet. De tijd in het betreffende dorp geeft me aanleiding tot gemengd gevoel. In de eerste plaats beseffen de kinderen voor een groot deel nauwelijks de ernst van de situatie, vermoed ik. Het is feest; ze zijn voor een deel speciaal aangekleed, doen gymnastiek of ballet op een vervaarlijk doorbuigende vloer, of ze doen aan declamatie van (naar ik vermoed) nogal patriottische, om niet te zeggen nationalistische, gedichten. De gezwollenheid en pathos bij een of twee kinderen lijkt me abnormaal! Verder versta ik uiteraard niets.
Na afloop van de plechtigheid gaan we naar het dorpskerkhof, dat prachtig langs de snelstromende rivier is aangelegd.
Het is een prachtige dag en het mooi gelegen terrein staat vol bloemen; het zou een idyllische dag kunnen zijn, maar het is het niet. We lopen langs de grafstenen van de gesneuvelden. Nauwelijks hebben we het graf van de twintigjarige bezochtook op dat graf staat in gepolijste steen zijn portret afgebeeld, zoals heel veel op georgische begraafplaatsen het geval is - of zijn moeder en tante komen en beginnen luidkeels te roepen en te wenen. Ze roepen naar de gestorvene dat ze hem zo missen, ze maken misbaar en zijn nog hoorbaar, als wij het terrein al af zijn, op weg naar een verdere ontvangst. Opeens blijkt het Midden-Oosten dichtbij; het is een beklemmend gebeuren dat me door merg en been gaat! De tragedie van een jong afgesneden leven komt opeens heel dichtbij. En daarna is er weer een maaltijd, voor ons genodigden, die duurde van 17.00 tot 22.30 uur.
Opnieuw is er de tijd om te klinken, op vrede en vriendschap, in een tijd van onvrede en (latente) burgeroorlog.
Opnieuw verbaasik me hoeveel men eet; opnieuw vraag ik me af hoeveel er te eten is als de gasten weg zijn ...
Dan liggen de mensen een hele poos krom, vanwege de noodzaak om goed voor de dag te komen. De familie van bruid en bruidegom hebben immers ook tijden gespaard. Er is aan alles gebrek, maar als je echt iets te vieren hebt, dan zal geen mens het merken! Ik heb ook iets van ontzag voor deze mensen, zij het dat 't gemengd is met andere gevoelens.
Men weigert om zich door ellendige omstandigheden te laten terneerslaan. Als ze Joden waren, zouden ze 't glas heffen en zeggen: "Lechajim", "op het Leven!"