De samenleving verandert. En de kerk? (2)
1995-05-19
Het lakonieke - Jaargang 39
- nummer 10
Niet alles is negatief. Ik bedoel hiermee niet te zeggen: De wereld valt mee, maar: God zorgt. We zullen een alertheid moeten gaan ontwikkelen om kansen die vrijkomen op te merken en strategieën moeten gaan uitdenken om die kansen te benutten. Ik denk dat we dan tot de ontdekking komen dat we in een ontzettend boeiende tijd leven. Wat ik mis in de doorsnee maatschappij-analyses van vandaag, die van christelijke zijde worden gemaakt, dat is het lakonieke. Daaronder versta ik een blijmoedige nuchterheid die uitgaat van het besef dat ook deze schrale tijd Gods tijd is en ook dit jaar een jaar onzes Heren. De gesekulariseerdheid van de samenleving is een feit en de tijd Iijkt voorbij dat we daar als christenen verandering in aan kunnen brengen. We moeten dat nuchter vaststellen, zonder de hoop te verliezen.
De sekularisatie een feit - dat betekent dat we veel zijn kwijtgeraakt en nog meer zullen kwijtraken. Maar ik vind de gedachte onaanvaardbaar dat we daar niets voor terug zouden krijgen.
Zou er bijvoorbeeld niet dit tegenover kunnen staan dat wij, nu wij de armslag en de handvaardigheid van voorheen goeddeels hebben verloren, daarvoor in de plaats meer vingervlugheid zullen krijgen? Een toegenomen vermogen om de smalle marges die ons gelaten worden, effektief te benutten? En om er ook nog wat lakonieks en nuchters tegenover te stellen: Wat ons ook aan mogelijkheden ontnomen wordt - nooit zal het ons onmogelijk worden om Gods geboden te gehoorzamen.
AI zou dat lijden met zich meebrengen, echt onmogelijk zal het nooit worden. Ik vind dat lakonieke heel sterk aanwezig bij de Here Jezus zelf, die net als wij in een eindtijd leefde. In een tijd dus, tegen de ondergang van het Joodse bestel aan, dat de ordeningen van die samenleving het begonnen te begeven, de veiligheid van de mensen niet langer gegarandeerd kon worden (denk aan de gelijkenis van de barmhartige Samaritaan!), de polarisatie tussen rijk en arm schrijnende vormen had aangenomen (denk aan de gelijkenis van de rijke man en de arme Lazarus') en het gemenebest barstte van onrechtvaardigheid (denk aan de gelijkenis van de onrechtvaardige rechter!). Om daar nog iets van te noemen. Rijke grootgrondbezitters reisden in Jezus' dagen buitenslands om daar een lekker leventje te leiden, ergens aan de stranden van Zuid-Franse Riviëra, en lieten hun bezit beheren door een rentmeester of ze verdeelden het over hun slaven dat die er handel mee zouden drijven en er winst mee zouden maken.
Van tijd tot tijd kwamen dan zulke van geld bulkende effendis hun levenslange vakantie onderbreken om te kijken wat de stumperds thuis ervan gebakken hadden. Afrekening houden met zijn slaven, heette dat. Een verschrikkelijk beeld rijst daarin voor ons op van maatschappelijke wantoestanden.
Maar Christus gebruikt dàt als beeld van zijn hemelse Vader die ons de schepping en zijn koninkrijk ten gebruike heeft gesteld om te zien wat wij ermee doen zouden. Hoe kan Hij' In plaats van de beuk van zijn kritiek in die korrupte toestanden te zetten gaat Hij er voetstoots vanuit! Zelfs gebruikt Hij ergens het beeld van de schavuit Archaelaüs, één van de zoons van Herodes de Grote, die zijn vader in Judea zou opvolgen en daarvoor naar Rome ging om de koninklijke waardigheid voor zich in ontvangst te nemen.
Maar de Joden zonden hem een gezantschap achterna met de boodschap: Wij willen niet dat deze koning over ons wordt. Je herkent hier de woorden van het evangelie (Lukas 19:11-27). Jezus gebruikt deze voor de Joden zo pijnlijke historische toedracht als voorbeeld bij zijn onderwijs.
Hij vergelijkt zichzelf met deze totaal verwerpelijke figuur en zijn hemelse Vader met de keizer van Rome. Zijn hemelvaart is zijn reis naar de Heer der wereld om voor zich de koninklijke waardigheid in ontvangst te nemen.
Nog eens, hoe kan Hij? Hoe kan Jezus zich van zulk stuitend beeldmateriaal bedienen' Je kunt daar vrij de konklusie uit trekken dat de Heiland alle fiducie in de samenleving van zijn dagen had opgegegeven en elke illusie om haar te verbeteren had laten varen. De samenleving was voor Hem niet langer een gemenebest, een te verdedigen goed. Ze leverde alleen nog het materiaal waarmee voor een ander doel gewerkt kon worden. Het bestaande bestel was voor Hem in zichzelf onrechtvaardig geworden, beheerst als het werd door de onrechtvaardige mammon. Vreemd, Jezus heeft zijn discipelen nergens opgeroepen daarin verandering te brengen. Hij heeft wel gezegd: Maakt u vrienden uit de onrechtvaardige mammon, dat wil zeggen: Gebruik het slechte systeem voor goede zaken. Overwin dat kwade door zelf het goede te doen. De samenleving krijgt van Hem het predikaat 'onrechtvaardig' opgedrukt, maar Hij vindt haar niettemin een geschikt instrument tot het doen van het goede.
Die samenleving wordt bij Hem van doel tot middel voor een ander doel.
Dat wil toch zeggen dat persoonlijke ethiek het enige is dat overblijft? Van 'architektonische kritiek' (Abraham Kuyper) op de samenleving is bij Jezus geen sprake meer. Het gemenebest heeft schipbreuk geleden en ieder moet nu maar een balk uit het drijfhout pakken om daarmee de veilige oever te bereiken. En toch doet dat niets af van wat ik eerder stelde dat God ook in een tijd van neergang en afbraak voor prachtige mogel ijkheden zorgt.
Daarvoor opent Jezus ons de ogen als Hij ons lakoniek aanspoort vrienden te maken uit die onrechtvaardige mammon (Luk. 16:9).
De bergrede
Vanuit deze kijk van de Heiland op de samenleving kunnen we zijn Bergrede ook beter begrijpen. Laten we eens een bekend woord daaruit bij de kop nemen. "Gij hebt gehoord dat er gezegd is: Oog om oog en tand om tand"
(Matt. 5:38). Er is van deze regel veel kwaad gesproken. Wreed en wraakzuchtig, dat vond men ervan. Ten onrechte.
Elke samenleving die zichzelf serieus neemt, gaat op de een of andere manier volgens die regel te werk.
De bekende zin komt bij Mozes vandaan (Ex. 21:24; Lev. 24:20; Deut. 19:21) en die was de bouwer van een welgestruktureerde samenleving.
Maar Jezus staat bij de puinhopen daarvan en Hij ziet in dat deze regel niet langer werkt. En zo geeft Hij de raad: "Maar Ik zeg u, de boze niet te weerstaan, doch wie u een slag geeft op de linkerwang, keer hem ook de andere toe; en wil iemand met u rechten en uw hemd nemen, laat hem ook uw mantel; en zal iemand u voor één mijl pressen, ga er twee met hem.
Geef hem die van u vraagt en wijs hem niet af die van u lenen wil" (Matt. 5:38-42). Onmogelijke woorden die de doodsklok luiden over elk geordend bestel. 'Geef hem die van u vraagt', daar verzet toch elk greintje rechtvaardigheidsgevoel zich tegen? Moeten de dwingelanden niet gestopt worden in plaats van dat ze hun zin krijgen? Onder normale omstandigheden, zeker' Maar als het bestel niet langer geordend is en de omstandig,heden niet langer normaal, en de samenleving aan scherven ligt, dan ga je met nieuwe oren naar zulke woorden luisteren: Wat zei de Meester ook al weer?
En is het niet al lang zo dat mensen, bijvoorbeeld bij een gewapende inbraak, in plaats van hun hoop te bouwen op de politie, zich naar deze adviezen van Jezus gedragen? 'Beter bloö Jan dan doö Jan', - want dat staat hier eigenlijk. Jezus voorziet een tijd dat de persoonlijke ethiek niet langer geschraagd zal zijn door de publieke rechtsbediening en dat het openbare rechtsbestel faalt. Maar, zegt Hij, al kun je je recht niet meer krijgen, dat is nog geen reden om die persoonlijke ethiek te vergeten. Want als we geen toeziende overheid meer hebben, - de hemelse Vader blijft ons in het verborgene zien, om het met een kenmerkende zinsnede uit de Bergrede te zeggen.
Daniël in Babel
Misschien loop ik wat vóór, met deze houding van Jezus als voorbeeld voor onze tijd te gebruiken, maar toch zie ik een tijdgewricht aan-breken waarin wij deze opstelling nodig zullen hebben.
Soms denk ik: Is Jezus vandaag misschien bezig ook in die zin terug te komen? Dat wil dan in dit verband zeggen: Nog weer opnieuw brandend aktueel te worden met zijn onderwijs?
In ieder geval denk ik dat de vóór ons liggende tijd ons zal kunnen helpen verschillende van zijn uitspraken en gedragingen die in de achter ons liggende eeuwen wat onbegrepen bIeven, beter te verstaan. Die naaste toekomst, zal dat een tijd zijn waarin we ons als christenen uit de samenleving zullen moeten terug-trekken, zoals wel eens gevreesd wordt? Ik geloof dat niet. De wereld zal jullie haten, maar de wereld zal jullie ook nodig hebben. Nodig hebben, niet maar omdat jullie hoog opgeleid zult zijn maar vooral omdat jullie goed opgevoed zijn. Steeds meer namelijk krijgen we vandaag met hoog opgeleide mensen te maken die niet langer goed opgevoed zijn. Die weinig plichtsbesef hebben, weinig bekommernis om anderen vertonen, weinig om eerlijkheid en betrouwbaarheid geven en weinig bereidheid bezitten om grote verantwoordelijkheden te dragen, precies die dingen die jullie in je opvoeding hebben meegekregen.
Daarom zeg ik: Opvoeding is nog altijd belangrijker dan opleiding. Waarom?
Omdat voor onze vorming de opvoeding er veel eerder bij is dan de opleiding.
Het zal nu vanwege de kombinatie van goede opvoeding en goede opleiding zijn dat de wereld van morgen jullie nodig zal hebben.
Zoals de wereld van Babel Daniël en zijn vrienden nodig had om gesmeerd te draaien. Het voorbeeld waar ik nu mee kom is zeer leerzaam. Je ziet namelijk dat Daniël en zijn vrienden met zowel de haat van de Babelse samenleving te maken kregen als met dat nodig hebben. Ze klimmen, deze jonge mensen die in Israël opgevoed en in Babel opgeleid zijn, tot zeer hoge posten op. Daniël wordt zelfs de derde in het rijk genoemd (Dan. 5:29).
Tegelijk merk je dat men op hun uitschakeling en zelfs ondergang bedacht is. De door fanatieke domheid gedreven Babelse samenleving ziet er blijkbaar niet tegenop de kippen die gouden eieren leggen te slachten.
Gouden eieren, want inderdaad, de wereldlijke maatschappij had grote baat bij hun inzet. Waaruit bestond die dan? Waren zij uit op maatschappijverbetering?
Hadden zij een 'christelijk' (avant la lettre) politiek program bij de hand waarlangs zij te werk gingen?
We merken daar niets van. Integendeel, zij spanden zich in voor die heidense samenleving om die zo goed mogelijk te laten draaien.
Jeremia had destijds al aan de ballingen van Babel geschreven: "Zoekt de vrede voor de stad waarheen Ik u in ballingschap heb doen wegvoeren, en bidt voor haar tot de HERE, want in haar vrede zal voor u vrede gelegen zijn" (Jer. 29:7). Naar dat advies handelden zij. Zij zochten voor Babel het goede.
Bedoeld advies van de profeet is destijds door Karl Barth uit de kast gehaaid in zijn brief aan een Oostduitse Pfarrer die vroeg hoe nu toch de houding van de christenen moest zijn onder het kommunistische regiem (De brief is ooit door Dr J.J. Buskes vertaald: Brief aan een dominee in de Duitse Democratische Republiek, Callenbach 1959). Een prachtige greep!
Maar het zou kunnen zijn dat wij dat profetische schrijven van Jeremia nu voor onze eigen situatie nodig gaan krijgen. 'Zoekt de vrede voor Babel' - Willem Barnard maakte er een prachtig en ontroerend gezang op, waarin hij op de toekomende tijd die ik nu bedoel, lijkt vooruit te grijpen (Liedboek voor de kerken, gezang 37).