Szolt -I-

1995-05-19
  • Jaargang 39
  • nummer 10
't Was zo'n aardige Hongaarse jongen.
Negentien jaar oud.
Vriend van onze jeugdgroep.
Beste vriend van onze zoon.

Wat kon hij jaloers zijn op de hechte familieband, die hij in Nederland aantrof.

"Heerlijk, om zo samen te leven. Samen de maaltijd te gebruiken. Samen te praten."

Misschien idealiseerde hij het allemaal wel.
Maar dat ideaal koesterde hij.
Want dàt kende hij niet.

Hij haatte de drankzucht van zijn vader.
Die maakte meer kapot dan hem lief was.
Het gezin ging naar de knoppen.
Een broer raakte verslaafd aan het gokken.
Een zusje van dertien werd overspannen.
En de moeder maar werken en huilen.

En hij?
Ging studeren in de vroegere DDR.
De enige manier om het land - en het gezin - te ontvluchten.
Hij haalde z'n hart op aan de contacten met Nederland.
De Ichthusgroep van Zwolle.
De jeugdgroep van Ede.
Met de laatste ging hij mee naar Roemenië.
Genoot van de vriendschappen.
Beleefde de gemeenschap.
Dit was net wat z'n hart verlangde.
Hij had dorst naar het levende water van het Woord.

Ging daar helemaal in op.
Z'n zachte, omfloerste stem voegde zich bij de andere, onder begeleiding van de gitaren.
Z'n lach klaterde omhoog bij het kampvuur aan het Balatonmeer.
Z'n blijdschap groeide.
Een hartelijk gelovende jongen.

Dan is het vijf jaar later.
Szólt kan z'n weg niet vinden.
Bij Philips deugt de sfeer niet.
En bij Ford is z'n baan te laag, gezien zijn opleiding.

Hij hangt geregeld aan de telefoon.
Er klinkt onzekerheid in z'n stem.
Wat is z'n toekomst? De sociale kant op misschien?
En wat moet hij aan met de rotsituatie thuis?
Hen laten gaar koken in hun eigen sop?
"O God, wat moet ik doen"

Zijn vrienden zijn zo ver weg.
Had hij maar een meisje dat z'n leven met hem wilde delen. Maar wie wil een jongen uit zo 'n nest...

"Hoor Heere, hoe ik roep!"

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief