Over prediking als profetie

2007-05-25
  • Jaargang 51
  • nummer 11
De chassidische literatuur kent het prachtige verhaal van een rabbijnenleerling die tijdens het onderwijs van zijn leermeester in extase raakte. Hij sprong overeind en timmerde met zijn vuisten op de muur. Toen hem gevraagd werd wat hem zo opwond kon hij dat niet verwoorden. Na enkele vergeefse pogingen hem te kalmeren verzocht men hem weg te gaan. Buiten bleef hij dansen en springen.
Na een tijdje werd hij weer rustig. ‘Waarom was je nou zo opgewonden?’ vroegen ze hem. Toen wees hij in de bijbel op de woordjes: ‘En God zei…’ Het loutere feit dat God niet zwijgt, had hem plotseling overweldigd.

De vreugde van deze rabbijnenleerling herken ik in de charismatische beweging. Ook daar is men enthousiast over het levende spreken van God. We hoeven het vandaag niet te doen met gestolde ervaringen van gelovigen uit vroeger tijd. God spreekt ook tot ons. Wij mogen zijn stem horen. Zo geeft Hij ook nu leiding aan zijn volk en aan individuele gelovigen. Nu leeft deze overtuiging breder in de reformatorische traditie. Ik denk aan de regel uit Gezang 1 van het Liedboek voor de Kerken: ‘God spreekt nog altijd voort’. Maar het mag de verdienste van de charismatische beweging worden genoemd, dat men hier weer nadrukkelijk aandacht voor vraagt.

Versmald
Alleen is mijn indruk dat voor dit levende spreken van God vooral op bepaalde verschijnselen wordt gewezen.
Men kijkt dan voornamelijk naar de gave van de profetie. Waarbij als kenmerkend voor profetie wordt gezien, dat God daardoor rechtstreeks spreekt tot mensen van nu in hun concrete situatie. Onlangs gebeurde dit in Opbouw nog door collega Van ´t Hof. 1 M.i. is hier sprake van een versmalling in het denken over het spreken van God. Bij wijze van inleiding op zijn eerste artikel vraagt hij of God vandaag ook nog wil spreken om ons te leiden, zoals Hij dat deed in de tijd van het Nieuwe Testament. Dan kijkt hij vooral naar de gave van de profetie. Deze gave wordt dan afgezet tegen de prediking. Waarbij Van ’t Hof de prediking dan aanduidt als bijbelonderwijs en bijbeluitleg. Het typerend onderscheid tussen prediking en profetie is dan, dat aan de laatste een openbaring ten grondslag ligt en dat de eerste is gebaseerd op gebed en Schriftstudie. Dat suggereert dat de profetie meer van het spreken van God in zich draagt dan de prediking. Per consequentie lijkt de profetie dan ook te waarderen boven de prediking.

Prediking als Woord van God
Dit denken staat op gespannen voet met een aloud gereformeerd adagium. Uitgangspunt voor het reformatorische denken over de prediking is een befaamde uitspraak van de 16eeeuwse Reformator Bullinger: De prediking van het Woord van God is het Woord van God. Deze uitspraak is niet bedoeld als een definitie van prediking, waarbij menselijke woorden zonder meer worden geïdentificeerd met het goddelijke Woord. Ze fungeert meer als een spanningsvolle belijdenis. 2 Er gaat enerzijds een dringend appèl van uit. De prediker moet geen enkel ander woord willen brengen dan alleen de woorden van God. Wat heeft hij te zeggen als hij alleen met eigen gedachten de gemeente tegemoet treedt?
Anderzijds houdt ze een enorme bemoediging in. De prediker hoeft ook niet naar de gemeente toe komen in eigen kracht. Hij is een gevolmachtigde. Hij mag de mond van God zijn. In het licht van deze belijdenis is het te mager om prediking te omschrijven als bijbelonderwijs en bijbeluitleg. Uiteraard zijn dit ook elementen van de prediking. Maar de prediking is meer dan dat. Ze is de levende verkondiging van het altijd actuele Woord van God.

Verlies van autoriteit
De vraag is of wij dit nog zo ervaren. Dat mag worden gevraagd aan hen die wekelijks onder de prediking zitten.
Maar ook aan allen die geroepen zijn om het Woord te verkondigen. Er heeft zich op dit punt een slijtageslag voltrokken. Het gezag van de bijbel als het Woord van God is sterk aangetast. Ook daar waar het officieel nog beleden wordt als de hoogste autoriteit over ons leven. En in het verlengde daarvan lijdt ook de prediking aan verlies van autoriteit. Zo kan het gebeuren dat de prediking wordt ervaren als maar een woord van mensen. De meest positieve reactie is soms dat mensen zeggen dat ze het interessant vonden en dat ze er nog eens over na zullen denken.
Maar is het niet bedenkelijk dat preken zulke reacties oproepen? Terwijl de prediking toch innig verbonden is met het levende Woord van God? En er wel met diep ontzag geluisterd kan worden naar wat een gemeentelid te vertellen heeft, die zegt een profetie te hebben ontvangen als naar een woord dat rechtstreeks van God komt?

Preken met gezag
Ik denk dat predikers zich dit moeten aantrekken. En dat ze zich af moeten vragen hoe ze weer kunnen gaan preken met gezag. Het is toch een nadrukkelijke opdracht die we ontvingen. Paulus schreef aan zijn medewerker Titus: ‘Gebruik je gezag om dit te verkondigen, moedig aan en wijs terecht. Laat niemand op je neerkijken’ (Titus 2, 15). Maar hoe krijgt de hedendaagse prediking weer gezag? Volgens mij begint dat met de ontdekking van de rabbijnenleerling waarmee ik begon. Dat we als predikers overweldigd worden door het besef dat de God, die we dienen, er hartstochtelijk naar verlangt zich bekend te maken aan de mensen. Dat heeft Hij gedaan in de rijkdom van zijn schepping. Dat heeft Hij gedaan in zijn machtige daden in de geschiedenis. Het rijkst heeft Hij zich uitgesproken in Jezus Christus, die het Woord genoemd wordt. Maar de prediker mag geloven dat God handelt en spreekt in elke nieuwe generatie. Zonder deze basisovertuiging wordt de prediking een verplicht, maar leeg ritueel. Maar waar de prediking doordrenkt is van deze overtuiging en dit ook doorklinkt in de woorden van de prediker mag worden verwacht dat dit de hoorders raakt in hun hart.

Ontvankelijkheid
Hier ligt overigens niet alleen een opdracht voor de predikers, maar ook voor de gemeente. Daarbij moet vooral gedacht worden aan het gebed. Ds. Willem Smouter noemt in zijn boek Herstelwerk terecht het gebed de toegangspoort voor de Geest. Het doet me altijd goed als ik van gemeenteleden hoor, dat ze regelmatig voor me bidden dat ik bij mijn voorbereiding op de prediking door de Geest geleid en verlicht zal worden. En ook het gebed in de eredienst bij de opening van het Woord, voorafgaande aan de Schriftlezing en de verkondiging, mag niet tot een leeg ritueel worden. Een ontvankelijke gemeente 3 zal mogen verwachten veel van God te zullen ontvangen!

Noten
1. Opbouw, 51e Jaargang nr. 03, p. 5, 6
2. Deze uitspraak van Bullinger is ook terecht gekomen in een 16e-eeuws Zwitsers belijdenisgeschrift.
3. Bij de laatste zin moet ik denken aan een recent boek van Philip Troost, Christus ontvangen, waarmee hij het gesprek tussen charismatischen en gereformeerden wil dienen. In dat boek speelt het begrip ontvankelijkheid een centrale rol.

Drs. Johan Schaeffer is kerndocent aan de Nederland Gereformeerde Predikantenopleiding voor homiletiek, kerkgeschiedenis en kerkrecht. Daarnaast is hij predikant van de Nederlands Gereformeerde Kerk van Nunspeet.

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief