Over een overval

1995-05-19
  • Jaargang 39
  • nummer 10
De vorige keer vertelde ik, dat twee joodse gezinnen uit Zaltbommel tijdens de oorlog onderdoken in een hotel.
Bijna twee jaar ging het goed. In juli 1944 echter gebeurde er iets ernstigs.
Op zaterdag 8 juli 1944 kwamen een aantal Duitse militaire wagens de stad ingereden, door de Boschstraat naar de Waterstraat, waar het hotel was gevestigd.
Onderweg sprongen enkele Duitsers al uit de wagens en begonnen in het wilde weg te schieten, waarbij één dode viel te betreuren. Toen de Duitsers het hotel binnenstormden werden een joods meisje, dat er niet echt joods uitzag en onder andere naam in het hotel werkte, en de eig~naar neergeschoten.
Drie vrouwelijke familieleden van de ondergedoken gezinnen, die in de hotelkamers aan het werk waren, werden gearresteerd en later weggevoerd naar Duitsland. Ze zijn nooit meer teruggekomen.
Het is de vraag of de overval bedoeld was als zoekactie naar ondergedoken joden. Toen men echter enkele joden had gesignaleerd werd het hotel helemaal doorzocht, maar de schuilplaats, waar zeven mensen zaten, werd niet gevonden. Uit de aantekeningen van een van hen neem ik het volgende over:
"Op zaterdag 8 juli 1944, rond vier uur, hoorden we plotseling dichtbij schoten en geschreeuw. Eerst schonken we er niet zoveel aandacht aan, maar toen er ook nog aan de gesloten toegangsdeur werd gerammeld, zijn we uit de ramen aan de binnenplaats en aan de tuin gaan kijken. Daar stonden gewapende en gehelmde Duitse soldaten. Toen drong het tot ons door, dat er een overval gaande was. Via een eigengemaakt luikje in de achterwand van een muurkast zijn we in een loze beplankte ruimte gekropen. Die loze ruimte was in het verleden ontstaan, toen de twee naast elkaar gelegen panden werden samengevoegd.
Voor de badkamer was een nieuwe vloer gemaakt, die zo 'n 70 cm boven de oude vloer kwam te liggen.
Overlangs liepen, midden door die loze ruimte, de aan- en afvoerpijpen van de badkamer er boven. We konden er dus alleen dwars in zitten met opgetrokken knieën over de buizen. We hadden gelukkig al vaker geoefend en wisten dat we verdachte zaken, zoals handtassen en andere persoonlijke dingen, moesten meenemen. We waren op dat moment met 7 mensen, omdat tante Jet, tante Katrien en tante Marian (drie familieleden - v.W.) in de hotelkamers waren.
Opgejaagd door de onraad waren we . vrij snel in de schuilplaats. Omdat ik het toegangsluikje zelf in elkaar geknutseld had, kroop ik er als laatste door om het van binnenuit af te sluiten met een werveltje, dat prompt afbrak. Ik ben toen zelf maar tegen het luikje gaan zitten om het op zijn plaats te houden. Na enige tijd verstomde het rumoer. Het werd zelfs doodstil."
Men wist in de ruimte natuurlijk niet precies wat er aan de hand was. Men kon niet anders doen dan stil blijven zitten en afwachten. Het was wel te merken, dat er in het gebouw werd gezocht. Er werden mensen op de trap gehoord en ook liepen er mensen in de kamers vlakbij.
Zaterdagavonds werd het zoeken gestaakt en zondag bleef het onwerkelijk stil. En dus ging men op onderzoek uit. Het verhaal gaat als volgt verder: "Voorzichtig zijn mijn vader en ik poolshoogte gaan nemen. Een grote kist met textielgoederen was opengemaakt en half leeg geplunderd. Kleding en doek lagen hier en daar nog door de kamer en op de trap. We overlegden nog steeds fluisterend. Het leek er op, dat er geen bewaking in en om het hotel meer was. Ik zou op verkenning gaan en heb toen de stilste sluiptocht van mijn leven gemaakt. Heel langzaam, tree voor tree, de altijd krakende trap af. Stukje voor stukje de deur naar de toiletruimte geopend.
Stapje voor stapje, op de tenen voor de lange achtergang. Halverwege bij de deur van de eetzaal geluisterd of er iemand ademde. Verderop weer een deur en daarachter de'garage. De twee grote deuren naar de Tolstraat (de achterkant van het gebouw - v, W.) waren aan de binnenzijde afgegrendeld met een stevige balk, die ik heel langzaam uit de steunen lichtte. Toen kwam nog het spannendste deel van mijn tocht: het openen van het personendeurtje. Eerst op een kiertje, luisteren. Een beetje verder open. Kijken. Niemand te zien.
De straat was uitgestorven."
Je moet het gebouw eigenlijk kennen om het verhaal te kunnen volgen. Het duurde tot maandagavond, dat de ondergedoken joden uit het pand wisten te ontsnappen. Lopend door een deel van de Bommeierwaard kwam men, met behulp van anderen, op veilige adressen terecht. Het waren in onze streek met name gereformeerde mensen, die joodse onderduikers onderdak gaven Een van de joden kwam met zijn vrouw terecht bij een gezin in Zuilichem, waar hij twee teksten, die aan de muur hingen, natekende. Eén tekst luidde: "Waar liefde woont gebiedt de Heer den zegen."
Die liefde heeft hij ervaren, zoals hij later vertelde. Op het andere tekstbord stond de bekende oudtestamentische zegen: "De Heere zegene u en behoede u; De Heere doe zijn aangezicht over u lichten en zij u genadig; De Heere verheffe zijn aangezicht over u en geve u vrede."
De twee gezinnen hebben de oorlog overleefd. Ongeveer 60 joden werden uit Zaltbommel en de Bommeierwaard weggevoerd en vergast.

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief