Per postduif over het werk van de Geest
2007-05-25
De redactie van Opbouw vroeg ds. Gert van den Brink voor deze pinksterspecial een briefwisseling aan te gaan met één van zijn Houtense kleinkinderen. Het werd Rachel van den Brink, lid van de Nederlands Gereformeerde Kerk van Houten. Ze schrijft: ‘Ik ben de oudste dochter van de oudste zoon (26 jaar al weer). Naast het lenen van opa’s autootje om af en toe naar de minder bereikbare plekken in Nederland te rijden, zie ik mijn opa ook gewoon graag voor een babbeltje. En die twee zijn goed te combineren. Ik werk als tolk gebarentaal bijna overal in Nederland, in zeer uiteenlopende situaties (onderwijs, vergadering, kerkdienst, politie, zwembad, ziekenhuis etc). In de afgelopen jaren heb ik ook iets van de wereld mogen zien: Op de Anastasis (Mercy Ships) in o.a. Sierra Leone heb ik een discipelschaps-training gevolgd. Een jaar of wat later bij Jeugd met een Opdracht in Denver vervolgtrainingen gedaan.’ Ds. Gert van den Brink (84) is emeritus-predikant van de kerk van Rotterdam-Overschie. Hij werkte vanaf 1955 tot 1988 als predikant in Drogeham, Sappemeer/Veendam, Eindhoven, Zwolle en Rotterdam. Ds. van den Brink hield na zijn emeritaat bijbelstudies in het radioprogramma 'de bijbel open' over o.a. het evangelie naar Matteüs en de brief van Jakobus.- Jaargang 51
- nummer 11
Lieve Rachel,
Redacteur Hugo de Bruyne verleende mij indertijd in het Nederlands Dagblad de titel ‘Opa van Houten’. Ik voel me daarmee vereerd, omdat 1) Houten naar mijn besef een belangrijke winst bracht en 2) omdat mijn tien Houtense kleindochters en mijn Houtense kleinzoon voor mij een klasse apart zijn (de Vianezen niet te na gesproken!!).
Wie mij echter goed kent, weet dat ik ook wel eens met gefronste wenkbrauwen zat te staren naar de dingen die de charismatische beweging tevoorschijn toverde. Ik ben tenslotte een man van de ouwe stempel en van al het kostbare dat de oude tijd heeft opgeleverd (de Heilige Geest werkte toen ook!!!). Het is daarom een lumineus idee van de Opbouw-redactie om de ouwe opa van Houten eens te laten corresponderen met één van zijn Houtense kleindochters.
Ik hoop dat geen van mijn andere ‘schatten’ het me kwalijk neemt dat ik jou, Rachel, daarvoor uitkoos. Niet alleen jouw enthousiaste reactie, maar ook je ervaring in Afrika en Amerika (Denver) gaf voor mij de doorslag. Fijn, dat we zo met elkaar kunnen praten.
Het eerste wat ik graag zeggen wil, is dat veel geestesgaven best vaak veel gevaren met zich meebrengen. Toen oma en ik in 1978 onze reis maakten naar Israël, troffen we in onze groep de oude gereformeerde dominee Toorenbeek, die als wij terugkwamen van een excursie, steevast vroeg: ‘Van den Brink, ben je er nu heiliger van geworden?’ Dat begon mij te vervelen, maar later begreep ik dat deze man van binnen uit begrepen had, hoe doodsgevaarlijk het domineesambt kan zijn. Ons soort mensen denkt makkelijk dat het vromer wordt van het zeggen en beleven van vrome dingen. Stom natuurlijk, maar zo zijn mensen. Kijk maar naar de christenen in Korinte. Steve Bickle vertelt in zijn boek Groeien in de profetische bediening, dat de christenen van de Vinyard gemeenten in Kansas City en masse afstormden op de profetenscholen en op de gave van de profetie. Hij zegt dat het in een grote Vinyardgemeente zo maar kan gebeuren dat tijdens de samenkomst minstens vijftig of honderd verschillende mensen komen met een droom of een profetisch woord, zodat de leider van de samenkomst haast dient als luchtverkeersleider om alle profetieën een veilige landing te bezorgen.1 Als ik dat lees, denk ik: ‘Goed dat de Heer mij niet in die verkeerstoren heeft gezet, want dan was het aantal crashes niet te overzien geweest’.
Hoe meer gaven, hoe groter de risico’s. We voelen ons vromer. Maar een mens wordt nooit gered door goede werken, ook niet door de vroomste. Maar alleen door het geloof in God die de goddeloze vrijspreekt, Romeinen 4:5. Dan worden niet de geestesgaven, maar zijn geloof hem tot gerechtigheid gerekend.
Lieve Rachel, ik ga mijn stelling ook omkeren. Er kan (soms) een zegen in liggen, als je niet zoveel geestesgaven ontvangt. Je hebt ze niet allemaal nodig. Ik preekte een keer in Rotterdam Overschie over psalm 74: Is de Here daar dood verdwenen? Zie vers 9: ‘Onze tekenen zien we niet meer en er is niet één profeet meer, en geen van ons weet voor hoe lang’. In dat verband merkte ik toen op, dat ouderwetse mensen spraken over ‘de verlating des Geestes’. Toen stond een lerares, een academica, op en verliet demonstratief de kerk. Ze vond het onverdraaglijk in de tijd van de Geest te moeten horen over verlating des Geestes. Maar de Geest is soeverein en deelt zijn gaven uit naar dat Hij wil (Romeinen 9:18; 1 Korintiërs 12:11). Soms opent Hij zijn hand, dan krijgen we een revival.
Maar als de Geest zijn hand sluit! Ik lees in Hebreeën 10–12 dat de Here telkens weer beloften deed, maar ze daarna niet vervulde. De Here wilde de oudvaders leren leven van zijn beloften alleen, als vreemdelingen, door het geloof, in de woestijn, onderweg naar de stad die fundamenten heeft, als ziende de Onzienlijke. Het geloof is de grondslag voor alles waarop we hopen en het overtuigt ons van de waarheid die we niet zien (Hebreeën 11:1). Zoals de Heer zei tot Thomas: ‘Gelukkig zij die niet zien en toch geloven’ (Johannes 20:29). In Jesaja 50:10 zegt Jesaja van Gods knecht, dat hij ‘door de duisternis gaat en geen licht meer ziet, maar dan vertrouwt op de naam van de Here en zijn vertrouwen stelt op zijn God’. Dat is geloven (Hebreeën 11:11).
Terugziend op mijn actieve periode denk ik dat ik in mijn preken vaker nadruk legde op de waarachtigheid van Gods beloften dan dat ik aandrong op de geestesgaven, al deed ik ook dat laatste. Wat daarachter stak was, denk ik, de ervaring van mijn telkens terugkerende kleingeloof en mijn afschuwelijke oorlogservaring, die ik nooit meer kwijt raak. Ik associeer die met de ellenden van duizenden kinderen van God in tsunamies, aardbevingen, aids, en zo voort. Waarom zou dat hen overkomen, en ons niet? En dan denk ik aan jullie, Rachel, Mirjam, Ruth, Hannah, Caroline, Cynthirella, Sarah, Corlies, Joanne, Gertrude, CeesPeter, Martin, Ellen, Bram, Hilda en aan al jullie vrienden en vriendinnen. Ik hoop dat die ellenden jullie bespaard blijven. Maar ik denk dat je, net als ik, soms tijden zult beleven, waarin al Gods golven en baren over je heengaan. Maar ik heb ervaren dat tijden van een grote armoede ook tijden kunnen worden van grote winst, als je weer leert geloven dat God ons in zijn Woord nooit bedriegt en dat zijn beloften waarachtig zijn. Ook al zien we de vervulling daarvan niet, ja al schijnt de aanvankelijke vervulling weer neergeslagen te worden. Ik moet vaak denken aan wat dr. Woelderink over kwam in 1941. Eerst had hij de moeder van zijn kinderen moeten uitdragen.
Toen verdronken drie van zijn kinderen, toen de schoolbus in de IJssel reed. Denk het je in: Je bidt als huisvader ’s morgens vroeg: ‘Here, zegen het onderwijs voor mijn kinderen vandaag. Bewaar hen onderweg’. En dan worden er drie van hen in kistjes bij je thuisbezorgd en dat in de tijd van de Geest!!!
Woelderink heeft toen gepreekt over zijn lievelingstekst: ‘een iegelijk die in Hem gelooft, zal niet beschaamd worden’, Romeinen 9:33b. In die preek kom ik de volgende wonderbaarlijke passage tegen: ‘Te midden van al mijn droefheid werd mijn hart een oogenblik vroolijk in den Heere en ik zag zulk een heerlijkheid in Hem, zulk een schoonheid in zijn dienst, zulk een zaligheid in het Hem toebehooren, dat ik in dat oogenbik al mijn kinderen had kunnen afstaan, indien Hij ze allen gevraagd had’.2 Als ik dat lees kan ik alleen maar zeggen: God, wat bent u machtig!.
Lieve Rachel, ik ben natuurlijk hartstikke eenzijdig bezig in deze brief. Jij mag dat recht trekken. Dan blijft het toch binnen de familie. Is dat even wat!
Ik houd van je,
Opa
Noten
1. Steve Bickle Groeien in de profetische bediening, Bread of Life Uitgeverij, postbus 114, Vlissingen1998, p.157. Ik meen dat wie wil praten over profetie niet heen kan om het standaardwerk van prof. Wayne Grudem The Gift of prophecy, Kingsway publications.
2. J.G. Woelderink,Verbond en Bevinding, Ton Bolland,Amsterdam, 1974, p.140.
Lieve Opa,
Een voorrecht zo’n briefwisseling. Na een tijdje in Amerikaanse invloedssfeer te hebben verkeerd (Denver), sta ik nu weer op bekende grond. In Denver en omstreken heb ik veel gezien en gehoord dat ik niet zo één, twee, drie in mijn Nederlandse kringen tegenkom. En aangezien ik het ook nog niet allemaal doorgedacht en op een rijtje heb, lijkt zo’n briefwisseling me interessant.
Komptie. Ik begrijp heel goed wat u bedoelt met: we worden gered door het geloof. Dat wordt tot gerechtigheid gerekend. Gelukkig maar. Het zou wat zijn, als we bij de hemelpoort een leitje (of palmtop voor de jeugd) overhandigd zouden krijgen met het aantal door ons gebezigde geestesgaven. Druk op de knop en je krijgt een ROOD of GROEN scherm te zien (wie is de mol?). U mag blijven. Dan zou het misschien akelig stil zijn daarboven.
Maar betekent dat dan dat het onbelangrijk is? Of niet van deze tijd? Zou het niet een kwestie van een stukje Koninkrijk op aarde zijn, een stukje meer van God in een wereld die het hard kan gebruiken? Bij Jeugd met een Opdracht, maar ook binnen de kerk, heb ik verschillende keren mogen zien, hoeveel ‘de geestesgaven’ kunnen betekenen, aan genezing, aan God-heel-dichtbij. Natuurlijk heb ik ook de gevaarlijke kanten gezien (al vraag ik me af of dat niet soms veel meer een cultuurshock is dan ‘fout’). Ik denk dat veel van wat er tegenwoordig onder de jongeren speelt, een verlangen is naar meer van het zien van Gods aanwezigheid en grootheid. En daarin ook het zoeken naar relevantie van ons geloof in de samenleving. In de bijbel lezen we van genezingen, van mensen die hun familie naar Jezus brachten, omdat ze hoop hadden....van: dat zijn niet alleen holle praatjes.
Begeef je je daarmee op gevaarlijk terrein in verband met bijvoorbeeld de ‘gewone’ geneeskunde of de luchtverkeerstoren die het een beetje druk krijgt? Ja, ik denk dan aan het zinnetje: Bid tot God, maar zet je fiets op slot. We mogen best blijven nadenken. Op de Anastasis heb ik dat gezien. De medici aan boord geloven in hun werk, in Gods werk door hen heen. En er wordt altijd gebeden. Voor de operatie, voor hen die niet in aanmerking komen voor een behandeling. En op het moment dat een patiënt tijdens een operatie in de problemen komt, wordt er een bericht rondgestuurd over het schip en legt iedereen – als het maar even kanhet werk stil om te bidden. Dat is God aan het werk. Alleen als de (huis)arts de enige plek van genezing is... bidden we dan met geloof dat God ook ter plekke, ‘op gebed’ kan genezen? Antwoorden we met ‘ja’, waarom bidden we dat dan zo weinig? Kunnen we nu niet meer zeggen: ‘sta op en wandel’ en het gebeurt? Of gebeurde het alleen toen, in een speciale tijd van opwekking, waar we nu hoogstens nog de verhalen over horen? Betekent dat, dat het nu geen optie is? Mogen we daar niet naar verlangen en ons uitstrekken?
Kom ik op andere gaven, dan denk ik aan de keren dat ik profetie in de praktijk heb gezien. Regelmatig met verbluffende correctheid. Maar bijna altijd in kleinere kring. Een situatie zoals u beschrijf van Steve Bickle lijkt me geen pretje. Daar ben ik iets te gestructureerd voor misschien. In kleinere kring wel, met alle ruimte om NIET te profeteren.
Om ‘gewoon te doen’. Ik begrijp dat ze daar in Korinte ook nog wel eens wat aanwijzingen nodig hadden (niet allemaal tegelijk, zo praktisch die bijbel :). Maar zouden we het daarom helemaal moeten laten liggen? Als God iets wil spreken, vaak gerichter dan een algemeen projectiel, dan zou daar toch ruimte voor moeten zijn? Sterker nog, dan kan je daar niet zomaar aan voorbij gaan.
Ik ben blij dat ons geloof en ons vertrouwen niet van zulke dingen afhangt. Ik heb de oorlog niet meegemaakt en kan me er alleen door verhalen iets van voorstellen. En dan nog een mager aftreksel. Ik hoop het nooit mee te maken. Maar hoe essentieel om in zulke omstandigheden te GELOVEN. En stevig te staan ondanks...
Het is aan God om te geven. En om dat niet te doen. Ik denk dat u terecht wijst op het gevaar dat we ons laten leiden door andere dingen dan geloof en vertrouwen.
Tjonge, er is zoveel te zeggen. Misschien heeft u wel vragen aan de ‘jeugd’? Ik eigenlijk wel aan u.
Een beetje in de bijbel aan het snuffelen zijn er een aantal dingen die me opvallen. Ik maak wel een lijstje.
Voor nu: Jezus stuurt de discipelen uit (o.a. Lucas 10) en zegt dan, ik lees het misschien een beetje oneerbiedig, bijna langs zijn neus weg: ‘Hoppa, jongens, nu is het jullie beurt. Ga de wereld in, vertel ze over Mijn Koninkrijk, het is zo dichtbij! En dan genees je daarbij de zieken en drijf je demonen uit, enzovoort. Je weet wel, wat je van mij gezien heb. Gewoon hetzelfde, nee, zelfs meer. Snappie?
Klaar voor de start... AF!’ Opa, hoe leest u zo’n tekst? Wat betekent dat voor ons?
Liefs,
Rachel
Lieve Rachel,
Ja, wat mooi dat wij, ondanks 50 jaar verschil, zo eensgezind over de dingen van het Koninkrijk kunnen praten. Ik was wel een beetje eenzijdig de vorige keer! Natuurlijk heb je gelijk. Ik kan wel zeggen: geestesgaven zijn gevaarlijk. Of ook: je moet leven door geloof alleen. Maar als onze goede God zijn gaven wil geven, als een snoepje voor onderweg, moet je ze maar dankbaar aanpakken en er blij van genieten! Toch!?
Ik denk ook dat je in de roos schiet, als je zegt, dat (jonge) mensen van vandaag verlangen naar ‘een stukje meer van God’, ‘het zien van Gods aanwezigheid en grootheid’. Zo heb je dat ervaren op de Anastasis (wat een fijn verhaal dat jullie op dat schip in het gebed vochten samen met de chirurgen om genezing). Je ervoer ook een profetie aan jouw adres als ‘veel gerichter als een algemeen projectiel’. Ik begrijp dat.
God lijkt soms zo ver weg. Hoe kan Hij dit of dat laten gebeuren? Houdt Hij echt van mij? Wat een feest als God dan overduidelijk laat merken: ‘Hier ben Ik, vlak bij jou’. Fijn dat je niet in de war raakt als deskundigen vertellen dat wonder-genezingen ook bij ongelovigen voorkomen. En dat ook heidenen spreken in tongen. Ik ken niet-christenen die clairvoyant zijn. Maar als we onze God voor die wonderen danken, betekent dat, dat we onze zekerheid ergens anders vandaan hebben. Die kan alleen het Woord ons gegeven hebben.
Het Woord beschikt blijkbaar over wonderbaarlijke kracht. Ik heb het Goede Nieuws ervaren als elektriserend. Ik ben bekeerd door de preken van mijn dominee. Die waren ‘gerichter dan een algemeen projectiel’. Ze raakten me midden in mijn hart. Mijn vraag aan jou en andere jonge mensen is: ‘Ervaren jullie de zondagse preken als luk-raak of als gerichte projectielen?’
Maar we hadden het over de ‘gaven’. Ik zei: Je hebt ze niet allemaal nodig. Ik zou best graag eens in extase raken en de talen van de engelen spreken. Maar deze zondaar voelt zich al zo rijk met de rechtvaardiging van de goddeloze (Romeinen 3), dat hij er niet naar zal streven. Ik noemde de gaven een ‘snoepje voor onderweg’. Je vindt dat misschien minimalistisch. Ik zie er drie dingen in: a) ze zijn lekker, b) helpen om de lange tijd door te komen en c) vormen een voorproefje van de heerlijkheden die ons aan het eind van de tocht wachten.
Je vraagt hoe ik dat fantastische hoofdstuk Lucas 10 lees: ‘Drijf demonen uit en genees de zieken. En roep dat het Koninkrijk vlak bij is’. In elk geval durf ik die woorden niet domweg en letterlijk over te planten. Ik ben vierkant tegen de zogenaamde streeptheologie. Maar ik zie toch (hoera voor de nuance!) de tijd van Lucas 10 en Handelingen 2 als een heel bijzondere! Ik moet bij die hoofdstukken altijd denken aan het moment waarop ik in een vliegtuig stap. Ik denk dan elke keer: ‘Als we eerst maar op 11.000 meter zitten’!
Er moet een onvoorstelbare kracht op een 747 losgelaten worden om hem naar de 11 kilometer te tillen. Ik geloof dat de start van de kerk nog eindeloos meer energie heeft gevraagd: een enorme stoot aan Heilige Geest. Ook later kreeg de kerk nog wel eens zo’n duw in de rug. Maar ik lees nergens meer van een geluid als van een geweldige wind en niet over tongen als van vuur en een spreken in alle talen van de wereld. Ik probeer dus de bijbel historisch te lezen. Zo vind ik het veelzeggend, dat de eerste brieven van Paulus op het punt van de gaven zoveel verschillen van de latere. Er zit een 15 jaar tussen. In die periode heeft zich blijkbaar een verschuiving voltrokken van het buitengewone naar het gewone. In het begin tongentaal, wondergenezingen (zelfs door de schaduw van de apostelen).
Later meer gewone gaven als dienen, naaien (tunica’s door Dorcas), liefhebben, diaconia.
Mijn vraag aan jou: laten jullie je door de ‘kleine snoepjes’ van liefdewerk net zo troosten als door een profetie of een wonderbare genezing? Ik vind het heerlijk dat mijn kinderen en kleinkinderen wat hun beroepskeus betreft zo dikwijls gekozen hebben voor de onderwijs- en zorgsector. Jullie kunnen kleine, maar heerlijke snoepjes uitdelen die de mensen hard nodig hebben. Want laten we nuchter zijn: het leven is keihard. Ik heb veel kinderen en jonge mensen moeten begraven, soms geveld door vreselijke ziekten, soms door ongelukken.
Waarom greep God niet in? Paulus kon erover meepraten. Hij genas veel zieken, maar Trofimus heeft hij ziek in Milete moeten achterlaten, 2 Timoteüs 4:20. Ik moet vaak denken aan wat professor Veenhof vertelde van de leidster van de engelse communisten. Ze ging als jong meisje naar de zondagschool. De juf vertelde van de zieke zoon van de hoveling in Kapernaüm. Jezus genas die jongen van een afstand van pakweg 25 kilometer. Het meisje vroeg aan de juf: ‘Wil Jezus mijn broertje ook beter maken? Hij is erg ziek!’. De juf beloofde het gretig: ‘Ook je broertje wordt beter’!!! Maar het broertje ging dood.
Toen zei het meisje: ‘Jezus liegt’. En ze werd communiste. De juf had – aldus professor Veenhof - moeten zeggen: ‘Of de Heer jouw broertje wil genezen weten we niet. We zullen voor hem bidden. Maar Jezus heeft laten zien dat Hij het kan. Nu weten we hoe we Hem mogen verwachten’. Het mooie van dit antwoord is de verwachting van de grote dag. Die staat voorop in het Nieuwe Testament. En elk wonder vandaag is een belofte-snoepje: Een voorproefje van de superheerlijke dingen die we gaan beleven als Hij komt. We blijven zoals de apostel Petrus zegt: vreemdelingen en bijwoners.We trekken door een ‘woestijn van hoop en pijn, vol vrees en onheil en ziekten waar een mens van breekt’. Maar ‘God legt zijn schild op zijn getrouwen, die leven van geloof alleen. Hij zal een nieuwe hemel bouwen van liefde om hun tranen heen’ (J. Duin, Evangelische Liedbundel, 17).
Rachel, veel Goeds onderweg!!!
Veel liefs,
Opa.
Lieve Opa,
Vanmorgen reed ik in een geleend autootje naar mijn werk. Een oud geleend bakkie (niet de uwe hoor).
Volgens de eigenaar echt niet zo oud. Maar dat zou niet pleiten voor de kwaliteit van het rammelkastje. Het lawaai met 120 bijvoorbeeld, redelijk hard. Een rammeltje linksachter erbij. Een piepje hier, een trilplaatje daar. En dan een cd op, die dus ook hard moet. Alleen al om over het vierstemmig functioneren van het koekblik te komen. Maar ook omdat het zo lekker klinkt en rijdt met harde muziek aan. Wel christelijke muziek, want het is zondag :) Dan ook nog eens zo hard, dat ik kan meeblèren zonder me te storen aan mijn eigen muzikale tekortkomingen en missers. Als een privé-kerkdienst van jewelste.
Zeker te vergelijken met de massale kerkdienst, waarin ik vervolgens mijn vertaalwerk deed. Want het is zondag.
De dienst was er eentje waar geen druppie gereformeerde traditie in te bekennen was. Muziek zoals uit de autoradio, halleluja’s en amens vanuit alle hoeken van de zaal. Een visie op dopen die het waarschijnlijk nergens in onze kringen zou halen. Maar de preek... die was gereformeerd lang. En vurig. Spetterde van het podium. Of dat het is waar de jeugd voor kwam? Nee, waarschijnlijk niet. Misschien komen ze voor de muziek, voor de vrienden.
Zouden ze er iets van opsteken? Ik hoop het. Komen ze voor alles erom heen en zijn het onverwacht die woorden, die Woorden die naar binnen knallen. Want men kan veel zeggen over de bijbel, maar als het Gods Woord is, van Degene die onze harten en verstand gefabriceerd heeft, dan is het krachtig. Ja, zo ervaar ik het ook. En met mij veel jongeren. Velen ook niet. Bent u trouwens daarom dominee geworden?
Terug naar de gaven. Een hemels voorproefje. Inderdaad ook een prima methode bij evangelisatie en discipelschap, als ik de groei van de eerste gemeente zo’n beetje bestudeer (over flitsend gesproken...). En nu wil ik niet in Gods schoenen staan, maar naar mijn bescheiden mening zouden we een duwtje in de rug best kunnen gebruiken.
Vandaag heb ik nog terug hollende cijfers van het aantal christenen in Europa gelezen. Onze buren weten waarschijnlijk minder van de Boodschap dan een kind in één kindernevendienst oppikt. Op zoek naar vorm, manieren, genezing, echtheid krijgen die gaven ook meer aandacht.
Als ‘snoepjes voor onderweg’? Kids achterin, onderweg naar Frankrijk. ’s Nachts in één keer door, want overdag op zwarte zaterdag in de file met vier koters in de auto en 40 graden buiten de auto… brrr. Maar we weten: voorin, waar we niet zelf bij kunnen, ligt die tas. We hebben angstvallig in de gaten gehouden wat er nog in zit. Af en toe krijgen we iets toegestopt, en zo niet… zeuren. Heel veel zeuren. Heel erg veel zeuren. Liefst allemaal tegelijk. Als we nog lang geen tankstation in de buurt hebben. Snoepjes voor onderweg. Zou het iets zijn waar we op wachten, of streven we ernaar? Als een weduwe bij een (in dit geval WEL) Rechtvaardige Rechter? Zou God teleurgesteld zijn (daar heb ik mijn ouders nooit op betrapt, de vergelijking is gecrasht) als we dat niet doen, niet streven? Er werk van maken?
Van beide ‘soorten’. Want u hebt gelijk, dat u de ‘gewone gaven’ noemt. Niet ‘gewoon’. Ik merk dat het juist die dingen zijn waar men naar snakt. Als basis. Als karakter van het Lichaam van Christus. Als kader voor de andere gaven?
Deze week was ik aan het werk. Errug veel zin in koffie. Of ik al direct naar huis moest, vroeg iemand. Nee hoor, doe mij die cafeïne maar… en je verhaal. Hij vroeg me of je als christen nou echt altijd Gods aanwezigheid en bescherming voelt. Want dat had hij niet en dat vond hij nogal verontrustend. Ha, ik moest even aan deze brieven denken. ‘Nee, dat is niet de realiteit. Als het leven **** is, (onvertaalbaar vanuit gebarentaal zullen we maar zeggen), dan is het gewoon geen feest. En ook als het wel prima is, dan zit er ook geen voelbare hand op je schouder - waar je ook naartoe gaat. Geen nood. Dat maakt nog niet dat God niet bestaat en niet met je mee leeft. Of dat je het fout doet.’ Hij was zichtbaar opgelucht. Het was me zomaar in mijn schoot geworpen. Mocht ik de wel voelbare hand zijn. Dankbaar. Alleen als God bijvoorbeeld op dat moment op een andere manier een direct woord tot hem had willen richten. Had ik geluisterd? Had ik herkend? Geen idee. Ik doe het zeker niet af als minder (waar), wanneer ik zo Gods hand, oor, hart mag zijn. Maar ik vraag het me af en vraag het God.
Gaven, wat voor dan ook, om de (aanstaande) kerk(genoten) te bouwen? Niet te zuinig mee zijn! Al begrijp ik er soms de helft niet van. Maar dat is dan ook een bere-valkuil van me. Sta ik te staren naar begrip, kennis, bang voor teleurstelling, boeken door te spitten terwijl ik de wereld zou missen. Balans, balans! Een beetje clairvoyantie kan ik soms wel gebruiken (Ik bedoel hier eigenlijk gewoon ´helderheid.´ Ik moest het woord opzoeken in het woordenboek: helderziende).
Wil ik zo aan het eind, als laatste woordje – en blijven die niet het beste hangen, statisch gezien? Ik voel me vereerd :) - stellen dat we maar boffen, eschatologisch gezien. Komen we in de hemel de vergrote trap van het orgel uit de Sint Jan tegen! Met een black gospel koor ernaast en iemand uit het Midden-Oosten, die me hier op aarde toch altijd deed denken aan een slangenbezweerder. Gelukkig zijn de gaven niet aan één denominatie gegeven. Dan zouden we de mix missen, die opscherpt en balans geeft. Ik geniet van uw wijze woorden, theologische prikkels...
ze zijn me dierbaar.
Liefs, Rachel