De samenleving verandert. En de kerk? (3 - slot)
1995-06-02
Het gebed- Jaargang 39
- nummer 11
Nu staat er in de vertaling van het NBG die wij gebruiken, bij het aangehaalde vers uit Jeremia's brief: "In haar vrede zal uw vrede gelegen zijn".
Dat is niet juist weergegeven en dat gaat ook een belofte te ver.
Het volk van God kent een vrede die alle verstand te boven gaat. Dat is de vrede des harten omdat het goed zit tussen God en ons.
De wereld kan ons die vrede op geen enkele manier geven, zoals de Here Jezus zelf heeft gezegd (Joh. 14:27).
Daarom moet letterlijk vertaald worden wat daar bij de profeet staat: "Want in haar vrede zal voor u (enige) vrede gelegen zijn". Let wel, niet geheel uw vrede, maar enige vrede voor u. Als je zegt: In haar vrede zal uw vrede gelegen zijn en dus de vrede der wereld en de vrede van de gemeente elkaar volledig laat dekken, dan vereenzelvig je Gods volk en de samenleving en dan doe je alsof de wereld in de kerk zit.
Veel christelijke ontwerpen van de samenleving maken die fout. Allerlei evangelische idealen worden tot politieke programmapunten gemaakt. Men vergeet dan dat daarvoor nodig is dat het volk voor die christelijke idealen gevoelig en ontvankelijk is. Het is nu juist de sekularisatie dat dat niet meer het geval is.
Die sekularisatie moet serieus genomen worden. Je mag door evangelisatie proberen daarin verandering te brengen, maar christenen in de poltiek moet ophouden dat te doen. De poltiek is voor die verandering van mentaliteit niet het goede instrument. Immers, wie politiek zegt, zegt macht en juist die hebben wij niet meer.
Daniël en zijn vrienden zagen dat in.
Zij liepen dan ook niet met het wetboek van Mozes in de hand de Babelse samenleving voortdurend de maat te nemen en een onvoldoende te geven (hoezeer ze hun rechtvaardige ziel gekweld zullen hebben bij het zien van het verschil tussen Babel en Bijbel!), nee, ze zochten voor de samenleving waar ze deel van uitmaakten, het goede, zo goed en zo kwaad als dat ging. Alleen, op één punt onderscheidden zij zich zeer duidelijk van hun medelanders in Babel: Zij baden, voor zichzelf en voor de vrede van dat Babelse gemenebest, tot God en ze staken dat niet onder stoelen of banken.
Daniël deed dat voor het open venster van zijn huis (Dan. 6:11). Daar stak een belijdenis in; Daniël zei daarmee dat God voor de mens en voor de instandhouding van zijn leefwereld niet gemist kan worden en dat dus het gebed voor de overheden een must is.
Zijn Babelse kollega's hadden daar een andere belijdenis tegenover gesteld: "Ieder die in een periode van dertig dagen een verzoek richt tot enige god of mens behalve tot u, 0 koning, zal in de leeuwenkuil worden gegooid".
Ze zeiden dat niet omdat ze voor koning Darius zo'n groot respekt hadden - veeleer komt die in het verhaal naar voren als een koning Onbenul, speelbal als hij is van zijn hofkliek -, nee, ze wilden daarmee tegenover Daniël aangeven (en daar heb je de belijdenis die aan deze maatregel ten grondslag lag): Ons systeem is zichzelf genoeg, daarover hoeft helemaal niet Gods gunst of zegen te worden afgesmeekt.
Precies dus wat de gesekulariseerde wereld van vandaag ook zegt.
Sekularisatie?, zeg je, in het Babel van die tijd? Goed, antwoord ik, er zijn zeker goden vereerd geweest daar in Babel, maar dat was een private zaak of (beter) het maakte deel uit van het systeem. Maar in je religie op gezette tijden boven dat systeem uitklimmen en daar afstand van nemen en het dus relativeren (wat je juist in het bidden doet), - nee, dat kon niet en daaruit bleek de gesekulariseerdheid van de Babelse samenleving.
De bijbel boort dus in Daniël 6 door de religieuze rim-ram van Babel heen om de ware gesekulariseerdheid van die samenleving bloot te leggen. (Mogelijk wordt om dezelfde reden ook de torenbouw van Babel in Genesis 11 beschreven als een sekuliere, niet-kultisch-religieuze aangelegenheid, terwijl wij uit buitenbijbelse bron weten dat het in zo'n toren om een voluit religieus-kultisch objekt ging.) Daniël ging dus op dit punt een eigen weg, dwars tegen de sekularisatie van Babel in. En daarin hield hij voet bij stuk, dat was zijn onopgeefbare 'christelijke' politiek waarvoor hij zelfs de leeuwenkuil durfde riskeren.
De onopgeefbare en ook politieke betekenis van het gebed blijkt hier.
Ook het boek Openbaring heeft het daarover als het ons in een visioen over het einde vertelt dat de voorhof, dat wil zeggen: de publieke betekenis van de kerk voor de samenleving, verdwijnt, maar dat de tempel zelf als huis des gebeds gespaard blijft (Openb. 11:1en 2).
Veranderingen en de onveranderlijke God
Ik realiseer me dat ik over het onderwerp zelf van 'verandering' (het hoofdwoord in de themazin) nog weinig gezegd heb.
Laat ik daar tot slot nog een paar opmerkingen over maken. DE SAMENLEVING VERANDERT.EN DE KERK? Dat is het thema van ons kongres. Je proeft daar een beetje een verwijt aan de kerk in, nietwaar?
Die suggestie is wel bewust door de organisatie van ons kongres opgeroepen.
Niet om haar goed te keuren of bij te vallen, maar om aansluiting te zoeken bij wat jullie denken. Wat jullie denken is dit: De kerk blijft natuurlijk weer eens achter bij de veranderingen die de samenleving doormaakt. We hadden dat al gedacht en het blijkt gewoon waar te zijn. Die starre kerk ook! Ik wil met die gedachtengang in gesprek gaan.
Verandering, moeten wij beseffen, is vandaag de dag een deugd geworden.
Iemand die nooit verandert is een saaie sukkel.
Toch belijden wij van God zijn onveranderlijkheid.
Zoals het gezang zegt: 'Alles wisselt op zijn wenken, maar Hij zelf verandert niet'.
Ik weet wel dat in onze tijd en ook op onze kansels nadrukkelijke aandacht wordt gevraagd voor het berouw van God, dat Hij van een bepaald plan kan afzien en op andere gedachten gebracht kan worden. Dat er dus ook-bij Hem verandering is. Ik wil daar niets vanaf doen.
Toch moeten we oppassen daar geen verkeerde konklusies aan te verbinden.
De grote beweeglijkheid van de Here God in zijn verbondsverkeer met ons zit toch ingekaderd in zijn onveranderlijkheid, in het feit dat er bij Hem geen verandering of zweem van ommekeer is, zoals het Nieuwe Testament op zijn sterkst zegt (Jakobus 1:17).
Juist in het hoofdstuk, waarin van Gods berouw sprake is ("Het berouwt Mij dat Ik Saul tot koning heb aangesteld") vernemen wij het woord van Samuël: "Ook liegt de Onveranderlijke Israëls niet en Hij kent geen berouw; want Hij is geen mens dat Hij berouw zou hebben" (I Sam. 15:11en 29). We moeten ons goed realiseren dat er vandaag christenen zijn die belang hebben bij een veranderlijke God omdat ze zelf zweren bij hun eigen verandering op allerlei gebied.
God moet mee door hun bocht. Vandaar mijn eerste stelling waarin ik prikkelend zeg dat inzoverre de kerk spreekt en handelt uit naam van de onveranderlijke God, er geen sprake van kan zijn dat zij verandert. En al zeker niet om reden dat de wereld verandert.
En het is alleen in dat voorop gezette kader dat ik wil spreken over de variabelen in de konstanten (zoals ik in de tweede stelling formuleer). Die er natuurlijk wel zijn. In de bijbel staan de Tien Geboden op stenen tafels gegraveerd, terwijl Mozes voor de uitwerkingen daarvan in Deuteronmium de opdracht krijgt ze te schrijven op stenen die met natte kalk bestreken zijn (Dtr. 27:2/3).
Dat laatste wijst op een geringere duurzaamheid van die verordeningen; ze zijn niet helemaal seizoen bestendig, ze zijn afregenbaar.
Er is met name sprake van variatie en verandering waar het gaat om de omstandigheden waaronder de bedoelingen van God moeten worden verwezenlijkt (Zie boven het voorbeeld van het woord van Mozes: Oog om oog en tand om tand).
Zo denk ik bijvoorbeeld dat de strenge voorschriften van de bijbel inzake homofiel gedrag beter passen in een tijd waarin aan de individualiteit en de individuele rechten van de mens minder aandacht geschonken werd en waarin de sexualiteit meer dan nu met de voortplanting samenhing. Dat betekent niet dat nu op dat gebied maar alles mag waar men zin in heeft, maar wel dat we voorzichtig moeten zijn met het in stelling brengen van dit bijbelse geschut. Iets dergelijks valt te zeggen bij wat Paulus verordent ten aanzien van de positie van de vrouw in de gemeente. Maar dat zijn dan toch wel zaken die de essentie van de bijbelse boodschap niet raken. Die blijft voor alle tijden dezelfde. Namelijk dat God in Christus de onuitputtelijke bron van alle goeds is.
Dat de Schrift verschil maakt tussen konstanten en variabelen, dat kun je ook hieraan zien dat de bijbel het vermogen heeft om zich op hoofdzaken terug te trekken en te koncentreren.
Met name blijkt dat in tijden die vol veranderingen zijn. Dan wordt er een boek geschreven als dat van de Prediker, waarin door veel zekerheden van een voorbije tijd heengeprikt wordt, en het wordt nog in de Schrift opgenomen ook. Zo heb ik ook vandaag wel de neiging om veel dingen waarover verschil van mening bestaat, wat in het midden te laten en de Schrift in die koncentratie op de hoofdzaak te volgen.
En het verschil met de wereld dan op die hoofdzaak toe te spitsen. Te vaak immers hebben we het in de laatste vijftig jaar gehad dat we bijbelse geboden (dachten wij!) in stelling brachten, die we later weer in moesten slikken: fietsen op zondag, de pil, de televisie en nog zo wat meer.
Daar werd de wereldgelijkvormigheid in gezocht. De kerk is er met haar vele vergissingen op dit punt niet geloofwaardiger op geworden. Gods naam werd gemakkelijk ijdel gebruikt. Dat behoort ons voorzichtig te maken. En vooral het oordelen over wat in onze ogen in de wereld niet goed is, moet afnemen.
Natuurlijk weet ook ik dat nietoordelen op morele onverschilligheid kan terug gaan. Daarvoor pleit ik niet.
Ik heb nu evenwel dat oordelen op het oog dat uit een zo langzamerhand onterecht wij-gevoel voortkomt: het zich verantwoordelijk weten voor de gedragingen van de mensen binnen de samenleving.
Dat zal moeten plaats maken voor een zij-gevoel. Dat wil zeggen dat we weer terug zijn bij de situatie die Paulus voor ogen had toen hij aan de Korintiërs schreef: "Staat het soms aan mij, hen te oordelen die buiten zijn? Oordeelt ook gij niet alleen hen die in uw kring zijn? Hen die buiten zijn, zal God oordelen" (I Kor. 5:12/3).
De tijd van het gekerstende Europa ligt achter ons; de tijd dat zij die buiten waren, binnenkwamen. Dat rechtvaardigde het wij-gevoel in onze kultuur; wij waren als samenleving kerk en wij beoordeelden de samenleving naar de normen van de kerk.
aar daar gaat nu de bodem aan ontbreken.
Nationaal is er dat wij-gevoel nog wel een beetje, maar geestelijk raakt het op. Dat vraagt om noodzakelijke bijstellingen.
Het solidariteitsgevoel moet blijven, maar het identifikatievermogen is voor een christen in onze maatschappij steeds verder te zoeken. Vreemdelingschap, zo kun je dat ook noemen.
Waarbij opnieuw een bepaalde vorm van idividualisme boven de horizon komt.
Nog eens, misschien ben ik te vroeg met mijn analyses.
Ik ben daarin even kwetsbaar als ieder ander die de bijbel leest en vanuit een gevoel van herkenning toepassingen van het gelezene op zijn eigen tijd onderneemt. Het is in deze kwetsbaarheid dat ik me in het spervuur van jullie vragen begeef.