Zsolt (2)
1995-06-02
"O volk, uw God laat u niet vallen."- Jaargang 39
- nummer 11
Zo zongen we het zondagmiddag in de kerk met Psalm 62.
Maar hebt U dat tóen wèl gedaan, Here God? Een kind van U laten vallen, op die late zaterdagavond, ergens in Hongarije?
Toen het naar de tweede verdieping van het universiteitsgebouw liep?
Z'n arm in de mitella.
Z'n arm was gebroken.
Was z'n leven ook niet gebroken?
Beneden in de zaal van het gebouw zong het jongerenkoor uit Ede, Shirchadash.
'The new horizon'.
Szàlt heeft dat concert nog tot de pauze meegemaakt.
Toen heeft hij met z'n mitella de horizon dicht naar zich toegehaald...
De jonge mensen van het koor hebben zondagavond gezongen.
Eerst met een brok in de keel.
Daarna heeft God hen boven henzelf uitgetild en hen bemoedigd met hun eigen lied.
En wij, in de gemeente?
Ouderen en jongeren, die Zsott zo goed gekend hebben?
We waren van de kaart, overmand door verdriet, overstelpt met vragen.
"Waarom hebt U hem laten vallen, Here God?"
Mijn zoon en ik hebben de begrafenis bijgewoond, namens de gemeente.
'Jezus weende'.
Dat was de tekst waarmee de Hongaarse dominee ons troostte.
Jezus, die meezucht met schepselen die in nood zijn. Jezus, die neergedaald is tot in de diepste modder, tot in de voorste loopgraven.
"Ik ben verzekerd, dat niets ons kan scheiden van de liefde Gods in Christus.
De dood niet, het leven niet, de dingen van vandaag niet, de dingen van morgen niet. Hoe hoog we zijn gestegen of in welke diepte wij ons ook bevinden... Niets kan ons scheiden van Gods liefde."
Deze woorden gaf onze zoon ons mee, toen de kluiten aarde op de kist van Zsott vielen en een zee van bloemen zijn graf bedekte.
God, hebt U Zsàlt dan toen niet laten vallen?
Hebt U Iemand anders dieper dan hem laten neerzinken?
Waren er dan toch eeuwige armen onder hem?