Verstaat gij wat gij leest?
1995-06-02
Toen de evangelist Filippus deze vraag stelde aan de kamerling uit Ethiopië (Handelingen 8:30), bedoelde hij niet te vernemen, of de kamerling de Hebreeuwse taal wel machtig was.- Jaargang 39
- nummer 11
Waar het hem om ging was, of de kamerling begreep waar de tekst over ging. Dus niet, of hij de taal van de Schrift verstond, maar of hij de zaak begreep, die door de schrijver (de profeet Jesaja) beschreven was. Diezelfde vraag komt ook bij ons vaak op, als wij de Bijbel lezen. Vooropgesteld dat wij een niet al te moeilijke vertaling gebruiken, komen we er meestal na enige studie wel achter wat de Bijbelschrijvers gezegd hebben. Maar de zaak die zij ons daarin hebben willen tonen, blijft ons vaak duister.
Dat komt deels doordat de Bijbel metaforisch (in beelden) spreekt over datgene, wat het menselijk bevattingsvermogen eigenlijk te boven gaat, maar deels ook doordat de Bijbel in een heel andere tijd en cultuur geschreven is dan die waarin wij leven.
'Henneneutisch probleem'
Er is in de hedendaagse theologie een sterke tendens, de moeilijkheid van het begrijpen van Gods Woord zozeer te benadrukken, dat zij tot een fundamenteel probleem wordt. Men spreekt dan van het 'hermeneutisch probleem'.
Daarmee wordt bedoeld dat onze tijd en cultuur zozeer verschillend zijn van die waarin de Bijbel is ontstaan, dat het op zijn minst twijfelachtig is of wij überhaupt nog in staat zijn, de Bijbel te begrijpen. Uiteindelijk leidt dit er bij veel theologen toe, dat de Bijbel ons in wezen niets méér te zeggen zou hebben dan een verzameling historisch en cultureel bepaalde geloofsgetuigenissen. Anderen trachten de Bijbel te 'redden' door te stellen dat zij in onze tijd anders gelezen moet worden. De vraag hoe 'anders' je een tekst kunt lezen zonder dat je in feite iets ànders leest, blijft daarbij echter onbeantwoord.
We moeten niet denken, dat deze tendens aan onze kerken voorbijgaat.
Ook in onze kerken blijkt de gedachte post te vatten, dat velen niet alleen niet meer begrijpen, maar ook niet meer kunnen begrijpen waar de Bijbel het over heeft. Dit blijkt onder andere uit de recente artikelenreeks in dit blad van de hand van ds. J.M. Mudde, getiteld 'De samenleving verandert. En de kerk?' In bewoordingen die aan duidelijkheid niets te wensen overlaten stelt ds. Mudde in de vierde aflevering van deze reeks(1), dat wij in onze tijd en cultuur niet meer kunnen begrijpen, wat de Bijbel bedoelt als zij. bijvoorbeeld, zegt dat de man het 'hoofd' is van zijn vrouw. Niet omdat wij taalkundig voor een probleem zouden staan - met wat moeite kunnen wij nog wel aangeven, wat Paulus in Efeze 5:23 heeft bedoeld -, maar omdat het wezen van de zaak ons zou ontglippen.
Ik citeer: "Er is een kloof ontstaan tussen de wijze waarop de Heilige Schrift over de verhouding tussen man en vrouw spreekt en de wijze waarop wij die in onze samenleving beleven. De Bijbel geeft regels voor de omgang tussen man en vrouw, die wij gewoon niet meer aanvoelen! En nu het punt: degenen die dit niet aanvoelen zijn geen mensen die zonder God of gebod willen leven, maar wedergeboren christenen, zoals dat heet, christenen die werkelijk geknield hebben aan de voet van het kruis, een persoonlijke keus hebben gemaakt, maar desondanks het accent dat de Bijbel legt op het hoofd-zijn van de man en de onderdanigheid van de vrouw niet aanvoelen.
Niet uit onwil, maar uit onvermogen."
Het hoofd-zijn van de man in het huwelijk ligt volgens ds. Mudde zodanig buiten onze belevingswereld, dat wij de Bijbel op dit punt gewoon niet meer kunnen begrijpen, zolang we haar niet op een andere wijze hebben leren lezen. Hetzelfde geldt voor, bijvoorbeeld, de positie van de vrouw in de gemeente. Wij herkennen hierin het 'hermeneutisch probleem' van de hedendaagse theologie. Om aansluiting te vinden met onze belevingswereld, zou er een radicale verandering moeten komen in de wijze waarop wij de Bijbel lezen. Wat moeten wij daarvan denken?
'Gestaltswitches'
Om te beginnen veroorloof ik mij een kleine theoretische uitwijding. Ds. Mudde brengt het hermeneutisch probleem in verband met de zogenaamde 'Copernicaanse wendingen' in de natuurwetenschap, waarvan de acceptatie van het heliocentrische wereldbeeld en het evolutiedenken belangrijke voorbeelden zijn. Dergelijke Copernicaanse wendingen hebben in de natuurwetenschap telkens geleid tot een radicale verandering in de wijze waarop tegen de wereld wordt aangekeken.
In de wetenschapsfilosofie spreekt men in dit verband wel van 'Gestaltswitches'. Dergelijke veranderingen in het wetenschappelijk wereldbeeld worden gekenmerkt door het feit dat dezélfde feiten onder invloed van baanbrekende vernieuwingen in de wetenschap op een andere wijze worden geïnterpreteerd, doordat ze als het ware met andere ogen of vanuit een ander perspectief worden waargenomen.
Nu is het in dit verband van belang om twee dingen te benadrukken. Ten eerste, dat Gestaltswitches in het wetenschappelijk wereldbeeld geen resultaat zijn van een bewuste keuze, maar zich als het ware opdringen. Ten tweede, dat Gestaltswitches niet de dagelijkse beleving van de wereld betreffen, maar het wetenschappelijk wereldbeeld. De wijze waarop wij de wereld ervaren wordt wel door de wetenschap - en daarmee ook door de Copernicaanse wendingen in het wetenschappelijk wereldbeeld - beïnvloed, maar dat gebeurt niet met dezelfde radicaliteit en dwangmatigheid als de Gestaltswitches in de wetenschap.
Zo ervaren we nog steeds dat de zon opkomt en ondergaat, ook al is dat in strijd met het wetenschappelijk wereldbeeld. Evenzo ervaren we een ruimtelijke oriëntatie in termen van 'onder' en 'boven', ook al weten we dat de richting die wij 'onder' noemen, voor de Chinezen 'boven' is.
Op beide punten verschillen de Copernicaanse wendingen in de natuurwetenschap van de veranderingen in de wijze waarop wij de Bijbel lezen. Ten eerste is het anders lezen van de Bijbel het resultaat van een bewuste keuze. Anders zou er immers geen 'hermeneutisch probleem' kunnen zijn? Juist omdat veranderingen in onze belevingswereld er niet automatisch toe leiden dat wij de Bijbel anders gaan lezen, kunnen zij ons van de Bijbel vervreemden. Ten tweede is ons lezen van de Bijbel niet van wetenschappelijke aard. Zo kunnen wij in de gelovige omgang met Gods Woord best leven met tegenstrijdigheden, hetgeen voor de wetenschap niet mogelijk is.
Het is naar mijn mening dan ook beslist onjuist, om de moeilijkheden die wij kunnen hebben met het lezen van de Bijbel - ook al houden zij verband met de vreemdheid van de Bijbelse belevingswereld ten opzichte van de onze - op één lijn te plaatsen met de Copernicaanse wendingen in de natuurwetenschap.
Het 'hermeneutisch probleem' is een wetenschappelijk probleem, dat de gelovige als zodanig niet raakt. Voor de gelovige telt slechts, dat hij God wil kennen en liefhebben. Dat kàn betekenen, dat hij de Bijbel anders moet lezen dan hij gewend was, maar óók dat hij ernaar moet streven zijn belevingswereld in overeenstemming te brengen met hetgeen de Bijbel zegt.
Verwetenschappelijking van het geloof
Daarmee kom ik op mijn eigenlijke bezwaar tegen de visie, die door ds. Mudde is vertolkt. Dat bezwaar is, dat zij op een verwetenschappelijking van het geloof berust. Het is namelijk helemaal niet waar, dat wij niet meer kunnen begrijpen, waar de Bijbel het over heeft. Om de Bijbel te begrijpen moeten we wel moeite doen, maar die moeite wordt altijd beloond. Elke gelo vige, die met een oprecht verlangen naar God de Bijbel leest, weet dat God zich in Zijn Woord laat kennen, dat Hij zich niet achter onbegrijpelijke Schriftwoorden verbergt. Het is slechts de wetenschap, die in het verstaan van de Bijbel een probleem, ziet.
Dat ds. Mudde er naast zit, blijkt met name uit het voorbeeld dat hij geeft.
Het is niet waar, dat wij ons niets meer kunnen voorstellen bij het 'hoofd-zijn' van de man, dat wij dit hoofd-zijn niet meer kunnen beleven. Ik weet uit eigen ervaring, dat een christen wel degelijk in staat is, de essentie van dit 'hoofd-zijn' te begrijpen en te beleven, al zal hij daaraan uiteraard vorm moeten geven op een wijze die past bij de tijd en cultuur waarin hij leeft. Het laatste moet trouwens met elke wet die God ons stelt. Er is in de Bijbel geen gebod, dat niet op een eigen, aan tijd en cultuur aangepaste wijze moet worden ingevuld. Dat betekent echter beslist niet, dat wij Gods normen niet zouden kunnen begrijpen en dat wij de zin ervan niet meer zouden kunnen beleven.
Het niet begrijpen en beleven van Gods normen houdt mijns inziens meer verband met de wereldse neiging om zich af te sluiten voor alles wat niet met het verstand wordt doorzien, dan met een fundamenteel 'hermeneutisch probleem'. Dat probleem is slechts een probleem voor de wetenschap, niet voor de gelovige christen.
Het is de wetenschap, die zich geen raad weet met het feit dat de Bijbel tegelijk volop historischcultureel bepaald, en Gods gezaghebbende Woord voor alle plaatsen en tijden is. Het gaat echter niet aan, dit theoretische probleem aan de gelovige op te dringen. Een dergelijke verwetenschappelijking van het geloof leidt er onvermijdelijk toe, dat het gezag van de Bijbel wordt aangetast en dat de zekerheid van het geloof wordt ondermijnd.
Twee vragen Zelf pleit ik er dan ook voor, de kwestie van de 'hermeneutiek' te verbannen naar het terrein van de wetenschap, en haar daarbuiten consequent te vervangen door twee vragen: (1) Wat openbaart de Bijbel van Gods Wijsheid in de situatie waarin het Schriftwoord geschreven werd; en (2) Wat betekent diezelfde Wijsheid voor onze situatie van hier en nu? Door deze twee vragen consequent te onderscheiden, kunnen we wellicht ontkomen aan de dwaling van het biblicisme, dat alles kritiekloos afkeurt wat in de Bijbel verboden is en, omgekeerd, meent vrij te zijn in alles waarover de Bijbel niets zegt (zie bijvoorbeeld de discussie over de toelating van zusters tot de kerkelijke ambten).
De eerste vraag dwingt ons de Bijbel telkens te betrekken op de historische, sociale en culturele situaties waarin zij tot stand gekomen is. Er is geen enkel gebod of verbod in de Bijbel, dat op dezelfde wijze voor ons geldt. De tweede vraag voorkomt echter, dat wij in de historische, sociale of culturele bepaaldheid van de Bijbel zouden kunnen berusten. Want de bijbel openbaart ons telkens iets van Gods Wijsheid, die ook ons leven bepaalt.
Wij mogen er daarbij zeker van zijn, dat wij kunnen begrijpen wat wij lezen.
Natuurlijk moeten wij daar dan wel enige moeite voor doen. Het voorbeeld van de kamerling toonde al aan, dat Gods Woord ons niet in de schoot geworpen wordt en dat we soms de hulp van mensen als Filippus (medechristenen, voorganger, profeten, evangelisten, etc.) nodig hebben. Vaak is bijbelstudie nodig, waarbij we ons in de Bijbelse beeldspraak moeten trachten in te leven. Van belang is verder, dat we moeten proberen, ons zoveel mogelijk los te maken van de opvattingen van de wereld om ons heen, want alleen zo kunnen wij ons openstellen voor Gods Woord. Maar als wij zó met de Bijbel omgaan, is er geen hermeneutisch probleem. Want dezelfde God, die zich in Zijn Woord heeft geopenbaard, maakt zich kenbaar aan allen die Hem ernstig zoeken.
Noot:
1 Opbouw, 3ge jaargang (1995) nr. 8, pp. 146-147.