Mannenbroeders

1995-06-02
  • Jaargang 39
  • nummer 11
In het NRC-Handelsblad stond een interview met ir. B. van der Vlies, fractievoorzitter van de SGP. Nieuwsgierig als ik ben vond ik het interessant om de belevingswereld van deze man te leren kennen. Vooropgesteld natuurlijk dat de verslaggever hem recht gedaan heeft. De toon van het artikel was zodanig dat ik dat wel aanneem. Er werd niets bespottelijk gemaakt, er werd vaak letterlijk geciteerd, kortom, er stond veel van de tale Kanaäns te lezen.
Al lezende bekroop mij een stemming die ik eerst niet kon omschrijven maar later herkende als het 'Chaïm Potokgevoel'.
Potok is een liberaal-joodse schrijver die in veel van zijn boeken de tegenstellingen tussen de orthodoxe en liberale Joden laat zien, zonder één van deze groepen te veroordelen.
In de levensbeschouwing van Van der Vlies herken ik veel en toch blijft hij mij in wezen vreemd.
Ik kan zelfs stellen dat hij mij vreemder is dan veel niet-gelovigen die ik ken.
Hij schetst de samenleving zoals die eruit zal zien wanneer de SGP 60% van de stemmen zou krijgen. Geweldig natuurlijk, zondagsrust, geen porno, geen seksindustrie, strenger optreden tegen wetsovertreding, strengere straffen, de doodstraf zelfs, geen abortus of euthanasie, kortom, de terugkeer naar de 10 geboden. Overigens is hij in deze zaken wel ongenuanceerder dan mij lief is.
Maar vervolgens spiegelt hij ons het leven voor dat hij voor ogen heeft: geen tv, geen theater, geen schouwburgen of bioscopen, geen opera of operette, geen dans of ballet, geen wereldlijke muziek, geen inentingen, geen verzekeringen, geen aktieve vrouwen.
Ik kan niet zeggen dat ik dagelijks met ál deze zaken te maken heb, maar ik vind wel dat ze bij het leven horen en dit ook veraangenamen. Ik zou het erg missen als ze er niet meer waren.
Het leven onder de SGP lijkt mij eerlijk gezegd behoorlijk saai en ook veel zwaarder dan wat van ons als christenen gevraagd wordt.
Van der Vlies zelf vindt dat uiteraard niet maar hij worstelt wel behoorlijk met zichzelf en met God. Hij weet eigenlijk niet of hij 'er' wel is, voelt zich vaak een slecht en zondig mens en vraagt zich af of hij wel 'bevindt' wat hij belijdt. Hem komt in wezen niets dan narigheid toe (dit is ook de titel van het artikel).
En dat is dus voor mij het punt waarop ik qua geloof afhaak.
Paulus laat ook al zien dat de christenen in zijn tijd er heel verschillend over konden denken. M.n. de voedselvoorschriften noemt hij daarbij. Dat doet me sterk denken aan de verschillen van tegenwoordig, al liggen die op een ander vlak. Paulus stelt met nadruk dat men elkaar er niet om mag veroordelen, dat ieder moet leven in overeenstemming met zijn eigen geweten.
Het stoort mij dan ook niet als christenen op grond van hun geloofsovertuiging menen zich aan bepaalde leefregels te moeten houden die ik voor mezelf niet van toepassing vind.
Helaas vindt er wel vaak een veroordeling vanuit de 'tegenpartij' plaats.
Dat proef ik ook bij die opvattingen van de SGP.
Het biedt zo weinig ruimte voor 'andersdenkenden' en daardoor kweekt het ook weinig begrip. Ik zat me steeds af te vragen hoe een ongelovig iemand dit artikel zou lezen. Ik denk eigenlijk dat er een levenshouding in beschreven staat die zo ver van de dagelijkse werkelijkheid af staat dat men niet de moeite zal nemen het echt te begrijpen, laat staan er zich voor open te stellen; integendeel, ik vermoed dat dit artikel veel ergernis zal veroorzaken.
Hij zegt ergens: "De Bijbel frappeert en inspireert. Het is een klomp goud.
Dat goud moet worden omgesmeed tot de pasmunt van het tijdsgewricht waarin wij leven."
Inderdaad, alleen denk ik dat hij de wereld wil omsmeden tot die weer in het tijdsgewricht van de Bijbel past.
Terug naar af, zogezegd. Jezus is voor mij iemand die, met gebruikmaking van wat in zijn dagelijkse werkelijkheid voorhanden was, de mensen een spiegel voorhield en ze zo tot een innerlijke verandering bracht. De SGP is daarentegen voor mij een partij die zichzelf ziet als de spiegel voor de samenleving en iedereen die daarin niet 'de mooiste van het land is', zal in deze samenleving niet kunnen bestaan.
Dat brengt mij terug bij Potok. De orthodoxe Joden hebben de regelgeving tot in het absurde doorgetrokken. Ze overtreffen de Farizeeën uit de tijd van Jezus (ze hebben nl. nog bijna 20 eeuwen meer de tijd gehad om wetten te maken). Potok beschrijft dit vanuit de orthodoxie zelf. Hij begrijpt het, al leeft hij zelf heel anders. Hij beschrijft ook de geweldige innerlijke strijd die het mensen kost om zich hieruit los te maken, de verscheurdheid binnen zichzelf en hun families. Het grijpt mij aan als ik lees hoe regels en voorschriften mensen kapot kunnen maken, zelfs als deze vrijwillig zijn aanvaard.
Buiten die regels is soms niets, geen enkele zekerheid meer. Blijven daarom mensen als Van der Vlies zo worstelen met hun bevindelijkheid, nooit goed genoeg voor God? Ze lijken zo op die orthodoxe Joden. Ze schermen zich af van de boze wereld en van het 'Kijkglas van de duivel' en voelen intussen hoe hun zondige aard dezelfde bi ijft. Is er daarom zoveel strijd, vraag ik mij af.
Intussen blijft het een precair punt hoe je eigenlijk in de wereld moet staan; vaak ben ik daar niet uit. Deze tijd kent zoveel nuances, zoveel mogelijkheden.
Het kwade en het goede zijn steeds meer met elkaar verweven. Wat heb je aan (christel ijk) zaterdagvoetbal als daar net zoveel gevloekt wordt als op zondag, om maar een voorbeeld te geven. Van der Vlies heeft dat alles klaar op een rijtje, want hij is tegen elke georganiseerde sport. Dat scheelt hem in elk geval een hoop tijd en energie.

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief