De geloofwaardigheid van de bijbel

1995-06-30
  • Jaargang 39
  • nummer 13
In het boek “De geloofwaardigheid van de bijbel” snijdt dr. B. Loonstra op een open manier aan wat voor problemen we tegenkomen bij het lezen van de bijbel. De manier waarom deze Chr. Geref. predikant van Hoogeveen dit aanpakt heeft heftige reacties opgeroepen. In dit en de komende twee nummers willen we dit boek aandacht geven.

Heel lang geleden werd aan dr. Willem Ouweneel eens gevraagd hoe het kan, dat God op de eerste dag het licht schiep en pas drie dagen later de zon. Hij wist toen te melden, dat er in de natuurwetenschap méér vormen van licht bekend zijn, zoals het fluorescerend licht en het noorderlicht, "en bovendien staat er in 1 Johannes dat God licht is". Toen ik dat hoorde, stokte er bij mij iets. Ik begreep in een flits, wat een diep onrecht je de Here God (en zijn dienstknecht Johannes!) aandoet, door dat woord uit 1 Johannes op te vatten alsof "God is licht"
gewoon één van de opties voor een donkere ruimte is, naast fluorescerend licht en natrium. Waar je aan kunt zien, dat "alles gewoon letterlijk lezen"
ook niet het eind van alle tegenspraak is. Later heb ik dit trouwens van dezelfde dr. Ouweneel veel beter geleerd, toen hij vertelde: "ik heb leren zien, dat de uitspraak dat heel de bijbel 'historisch betrouwbaar' is, eigenlijk van een enorme hoogmoed getuigt. Dan hebben wij een zelf gemaakte maatlat, en we leggen die langs Gods eigen woord!".

Bepaald meer ophef
Dat zijn een paar van de herinneringen, waarmee ik begon aan de lezing van "De geloofwaardigheid van de bijbel", van de hand van dr. B. Loonstra.
De auteur is christelijk gereformeerd predikant te Hoogeveen. Vijf jaar geleden promoveerde hij op een studie over de Raad des Vredes, maar zijn jongste boek heeft bepaald meer ophef gemaakt. Sommigen spreken al van de chr. geref. Kuitert, want het gaat er in het boek heftiger aan toe dan de degelijke titel en kaft doen vermoeden.
Wat daarvan te denken?
In zijn boek noemt Loonstra allerlei problemen die er zijn met de geloofwaardigheid van de bijbel en hij bespreekt dan hoe we daar tegen aan moeten kijken. Dat doet hij overigens niet op een manier van allerlei problemen zoeken om daar de bijbel dubieus mee te maken. Nee, hij zet juist in met een hoofdstuk over "Geloofwaardigheid als gegeven", waarin hij duidelijk maakt dat de bijbel niet pas geloofwaardig wordt wanneer allerlei studies er de juistheid van hebben aangegeven.
Loonstra wil niet proberen om zijn geloof buiten haakjes te zetten. Wel vraagt die geloofwaardigheid steeds ook om bevestiging, onder meer in confrontatie met ongelovigen en met historisch onderzoek.
Daarna volgt een hoofdstuk, waarin de problemen met de praktische geloofwaardigheid van de bijbel behandeld worden. Trouwe lezers van Opbouw zullen hierin veel bekend materiaal tegenkomen, waaronder de vraag door wie Goliat gedood werd en de verschillende geslachtslijsten van Jezus. Ook de aardlagen en fossielen passeren de revue, alsmede de bedenkingen die wij voelen tegenover het geweld in het Oude Testament en dat wij anders denken over de plaats van de vrouw.
Deze onderwerpen zijn keurig beschreven, maar ik kwam er niet van op het puntje van m'n stoel te zitten.
Dat gebeurde wel bij de twee volgende hoofdstukken, over de manier waarop men door de eeuwen heen gedacht heeft over de aard van het gezag dat de bijbel heeft. Origenes, Calvijn, Voetius, Bavinck, Barth en anderen komen aan het woord en als je even door het taalgebruik heenkijkt, dan vormen deze hoofdstukken een indringende beschrijving van hoe christenen zich met (veel!) vallen en opstaan verantwoord hebben over de manier waarop dat boek van 2 à 3 duizend jaar geleden voor ons nog herkenbaar kan zijn.

Drie leesregels
Twee bezinnende hoofdstukken volgen en als klap op de vuurpijl lezen we drie "leesregels", waarin dr. Loonstra het praktisch resultaat van zijn studie samenvat. De eerste twee geef ik in eigen woorden weer. Je moet bijbelse denkbeelden die bij ons niet meer overkomen niet schrappen, maar zoveel mogelijk vertalen naar onze denk-wereld toe. Ze kunnen zelfs een goede aanvulling zijn op ons beperkte blikveld. Aldus de eerste twee leesregeis.

En dan luidt de derde leesregel: "Voorstellingen die niet vervangen kunnen worden zonder dat aan de betuigde heilswerkelijkheid afbreuk wordt gedaan, mogen niet vervangen worden". Dat betekent concreet, dat je volgens Loonstra de lichamelijke opstanding van Christus niet kunt schrappen, terwijl je bij hemelvaart en Pinksteren in het midden kunt laten of het letterlijk-historisch
beschreven is.

De stormbal hijsen
Tot zover een wel heel korte weergave van Loonstra's boek, waar we nu verder op in willen gaan. Om te beginnen: is hij weer een nieuwe Kuitert? Ik zou zeggen: totaal niet.
Loonstra spreekt en denkt echt vanuit de overtuiging dat ons in de bijbel een woord van Boven tegemoet komt, en dat is een beslissend verschil met de leer van Kuitert. Wel legt Loonstra er veel nadruk op, dat het woord van de oneindige God heel diep is ingegaan in de taal, cultuur en beleving van mensen uit een voorbije tijd.
En dat je dus niet ieder detail van de bijbel meteen als goddelijke openbaring moet beschouwen. Hij spreekt in dit verband dan van de kern die onopgeefbaar is en van de aanwas daaromheen, waar je niet te moeilijk over moet doen.
Kijk, en dan wordt het natuurlijk lastig.
Want wie bepaalt er wat kern is en wat aanwas? Inderdaad, dat is lastig en ook gevaarlijk want als je eenmaal gaat knippen in de marge, dan gaat het al gauw richting kern. Begrijpelijk dat verschillende recensenten vinden dat Loonstra te ver gaat, en dat sommigen zelfs de stormbal hijsen.
Enfin, u merkt dat ik een beetje om de hete brij heendraai, dus nu maar naar wat ik zelf van het boek vind: ik vind het een dappere poging om het geloof van het hart te combineren met de kritiek van het hoofd, maar ik word koud van het resultaat. Ik wil die twee kanten allebei vasthouden. Eerst van die dappere poging: het is eenvoudig een feit dat we in onze tijd de bijbel kritisch lezen. Dat betekent dat we ons afvragen hoe dat allemaal kan en hoe je dingen moet rijmen die je echt niet vatten kunt. Je kunt die vragen wel onderdrukken, maar dan komen ze er op den duur twee keer zo hard uit.
Daarom vind ik het goed en dapper als iemand dat zwijgen doorbreekt en de problemen eerlijk opsomt.
Dat ik koud word van het resultaat, dat vergt meer toelichting. Want ik bedoel er niet mee dat ik omval van de ernst van de problemen die hij opsomt. Mijn probleem is met de manier waarop hij die problemen behandelt. Daarover nu nader.

Verschil in soortelijk gewicht
In feite beseft iedereen, dat er binnen de bijbel verschil is in soortelijk gewicht. Het is minder simpel om er de juiste termen voor te vinden: de kern en de aanwas; het centrum en de rand; de inhoud en de vorm of hoe dan ook. Dat verschil IS er gewoon.
Maar de vraag is: wat dóe je daarmee?
Loonstra, die zich keurig houdt aan de regels van de westerse, analytische wetenschap, zet zijn bespreking in bij de rand en gaat dan stapje voor stapje verder totdat je in het laatste hoofdstuk hoort waar de grenzen liggen.
Of om in zijn beeld van een kern met aanwas te blijven: hij krabt veel aanwas weg om de kern over te houden.
Of zonder beeldspraak gezegd: hij bespreekt allerlei kritiek die er op de bijbel is, op ondergeschikte punten en gaandeweg op steeds belangrijker punten.

En dan probeert hij om de dingen die in onze ogen ongerijmd of onmogelijk of onaanvaardbaar zijn, niet glad te strijken maar ze in zó'n perspectief te zetten, dat je ze als een deel van de aanwas gaat beschouwen. Noem eens iets: Kaïn was bang voor 'de mensen' toen er nog nauwelijks andere mensen waren. Dat lijkt een fout maar (zo betoogt Loonstra) als de bijbelschrijver nu eens iets ànders bedoelde dan historie beschrijven?
Dan kan de kern overeind blijven en betrouwbaar zijn, ook als je het verhaal niet letterlijk neemt.

Onbetrouwbaar?
Nog zo'n voorbeeld: Genesis 1 heeft wel wat weg van de mythen van andere volkeren. Onbetrouwbaar, zouden wij zeggen. Maar als de mensen van toen geen probleem met mythische taal hadden, zou het dan niet kunnen zijn dat de bijbel de mythische beelden ontleent aan de omgeving, maar er inhoudelijk een andere kant mee opqaat? En zo verder, tot we aan de onopgeèfbare kern gekomen zijn, uitgedrukt in de derde leesregel van Loonstra: "Voorstellingen die niet vervangen kunnen worden zonder dat aan de betuigde heilswerkelijkheid afbreuk wordt gedaan, mogen niet vervangen worden".
Dat is mooi natuurlijk, en ik waardeer het ook echt. Maar waar halen we die grens nou ineens vandaan? Loonstra houdt een gloedvol betoog om aan te tonen dat bijvoorbeeld de lichamelijke opstanding niet valt te schrappen en de lichamelijke hemelvaart eventueel wel. Waar dat echt lichamelijk opgestane lichaam van de Heer in dat geval gebleven is, is me trouwens een raadsel.
Maar mijn punt is dit: als je hele betoog één veldslag geweest is van de rand naar het centrum toe, waarbij heel wat heilige huisjes gesneuveld zijn, waarom zou het leger dan ineens halt houden bij het bordje 'Centrum'?
Het mag genoegzaam bekend verondersteld worden, dat de meeste auteurs de veldslag net iets langer voortzetten en, ongehinderd door De Derde Leesregel van Loonstra, ook de opstanding zien als een deel van het cultureel bepaalde gewaad waarin de bijbelse boodschap tot ons komt. En dat je dat dus gerust kunt schrappen zonder de boodschap te verliezen.
Waarmee je uiteraard terecht komt in een lege kerk waarin nog éven gepreekt wordt: "het verhaal blijft toch belangrijk, want de opstanding maakt ons opstandig en de opwekking maakt ons opgewekt", totdat de laatste zo wijs is om het licht uit te doen.
Begrijp me goed: Loonstra wil dit helemaal niet en hij gaat ook zover niet, maar het ontgaat me hoe hij eraan wil ontkomen.

n.a.v. dr. B. Loonstra, De geloofwaardigheid van de bijbel", Boekencentrum Zoetermeer, 1994.228 pag., f 35,-.
vandaan?"

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief