Het lied van de christelijke gemeente
1995-07-28
In dit artikel wil ik ingaan op de moeilijke kwestie wat een lied tot kerklied maakt, zonder hierover het laatste woord te kunnen spreken. Na de discussie in Opbouw over ‘Liedboek 2000’ past het mij niet me daar nu nog in te mengen, maar toch is het niet uitgesloten dat ik, waar de discussie het kerklied raakt, mij niet onbetuigd zal laten.- Jaargang 39
- nummer 15
Liturgie en lied
Van oudsher is eredienst altijd de ontmoeting van God met Zijn volk geweest. In het oude verbond stond de priester, de profeet of de koning tussen God en Zijn volk. Zo sprak de Here door en tot de enkeling tot Zijn volk. In het nieuwe verbond mag de gemeente als profeet, priester en koning spreken tot God door Jezus Christus. In de oudtestamentische eredienst klonk het: "Spreek Heer, Uw knecht hoort!" Dat werd in het Nieuwe Testament: "Spreek Heer, Uw gemeente hoort!", maar evenzeer: "Hoor Heer, Uw gemeente spreekt!" Het horen van Gods Woord, het ontvangen van de tekenen, het bidden en zingen tot God is één geheel geworden. Zo zijn wij als gemeenteleden geen toeschouwer of toehoorder, maar deelnemer aan de liturgie. Wij verwoorden niet alleen wat generaties vóór ons spraken en zongen, maar wij brengen ook de noden van onze tijd in. Wij zoeken en geven antwoorden op wezenlijke vragen van het leven met God juist in deze tijd. Maar dat doen wij in grote verbondenheid met vorige generaties. En zo is het lied in het geheel van de liturgie opgenomen. Het is een gedicht dat door de christelijke gemeente op de lippen wordt genomen. Wij zingen ons daarin uit in vreugde en leed. Wij loven onze God en Schepper en Heer. Wij smeken Hem om uitkomst in moeilijke tijden. Daarom moet het lied een volwaardige plaats hebben binnen het geheel van de liturgie. Zo alleen kan het functioneren.
Het volkslied
De kerk kan niets beginnen met het volkslied, waar de nationale toon teveel gaat overheersen en het volk van God dreigt samen te vallen met de natie. Anders is het met liederen uit de tijd van de Reformatie, waaraan christelijke waarden ten grondslag liggen en waarin geloofs- en vrijheidsstrijd bezongen wordt. Denkt u maar aan het Wilhelmus en aan de Valerius liederen in het Liedboek voor de Kerken. De kerk kan evenmin iets beginnen met het volkslied in de zin van 'levenslied' van de 'gewone mens'. Als we uitsluitend de stem van het volk beluisteren en op geen enkele wijze de stem van God, valt zo'n lied af als kerklied. Het volkslied verschilt van het kunstlied, doordat het geschreven is in eenvoudige, begrijpelijke woorden en beelden. Het wil echter niet zeggen, dat het niet poëtisch van aard kan zijn. Men wil immers de werkelijkheid bezingen, als het ware oproepen. De kerk heeft wél iets met het volkslied als levenslied, zodra het gaat om het héle menselijke leven. Niet zoals wij dat uit onszelf ervaren, maar zoals het verschijnt in het licht van Gods Woord. Wat geloof, hoop, liefde, schuld, nood en eenzaamheid is, wordt in dàt licht gezien, pas goed zichtbaar. Dan herkennen wij onszelf in Gods licht. Het lied in de eredienst zal meestal functioneren als volkslied, omdat het voor iedereen is en ook in de taal van iedereen gezongen wordt.
Het geestelijk lied
Mensen die naar de kerk gaan om hun godsdienstige behoefte te bevredigen en de eredienst zien als een bijeenkomst, waar in eigen noden en behoeften zal worden voorzien, hebben genoeg aan een geestelijk lied.
Zo'n lied geeft vaak een individueel antwoord op vragen van de gelovige. Het geestelijk lied is in deze zin niet gericht op de gemeenschap, maar op het individu. Vaak wordt op het gevoel gespeeld. Er zijn veel van zulke liederen, met name in opwekkingsbewegingen. Maar zij staan op gespannen voet met het kerklied, waarin niet het individuele beleven voorop staat, maar de beleving van de Gemeenschap der heiligen in de diepste zin van het woord.
Het kerklied is niet subjectief, maar in diepste wezen een objectieve weergave van de lof Gods, waarin het individu met al zijn vragen en twijfels is opgenomen. Elk kerklied is wèl een geestelijk lied, nl. als voertuig van de Geest. Maar het omgekeerde is niet het geval. Want het kerklied is het lied van de Gemeenschap als het Lichaam van Christus.
Theologisch aspect
De Heilige Schrift is de enige betrouwbare bron voor de lieddichter. Bijbelse noties, trefwoorden, begrippen en beelden beheersen als vanzelf in hoge mate het lied van de gemeente. Daarbij moet het bijbels taalgebruik niet ontaarden in vrome stoplappen en clichés. Het gebruikte woord of beeld, ontleend aan de Schrift, moet functioneel zijn, werkelijk dienstbaar aan dàt wat beleden en gebeden wordt. Daarom moet de dichter zijn Bijbel kennen met het hart en vertrouwd zijn met God in Zijn Zoon Jezus Christus. Het verstaan van de Schrift, de relatie tot God en de medemens, de houding ten opzichte van liturgie en traditie spelen een grote rol in de woorden die de dichter kiest.
Literair aspect
Een kerklied kan op zijn inhoud theologisch beoordeeld worden. Het lied is echter méér dan theologie, dat redenerend en argumenterend is. De tekst van een gemeentelied zal poëzie moeten bevatten, op de Schrift geënte poëzie. Niet iedereen beschikt over een dichterlijke gave. Het gaat om een woordkeus die de woorden niet gewoon doet zijn, maar leven inblaast.
Wat gezegd wordt is van andere toon en allure dan de theologische verhandeling.
Toch behoeven kerkliederen geen echte kunstliederen te zijn, maar wel voluit poëtisch. Met zijn/haar taalcreativiteit stelt de dichter zich ten dienste aan en in de gemeente van Christus. Zijn gedichten zullen ver staan baar moeten zijn, zodat de mensen contact kunnen krijgen met de poëtische taal. Het volk van God bedient zich aldus van een eigen, dichterlijke taal, die geléérd moet worden. De grote woorden die wij boven onszelf uit zingen, dringen diep in ons door, worden vlees en bloed. De christelijke gemeente zal geen genoegen nemen met een type liederen, waarin eindeloos dezelfde woorden worden herhaald of gevarieerd, die eigenlijk nietszeggend zijn. Men mag van de gemeente iets verwachten en daarom mogen we hoge eisen stellen aan het lied, dat van God gegeven is.
Muzikaal aspect
Zingen is een vorm van biddend spreken en daarom is niet alleen de tekst van het allergrootste belang, maar evenzeer de melodie. God troont immers op de lofzangen van Israël. Wij kunnen Hem nooit genoeg eren.
En wij doen dat op verhóógde toon. Daarom moet de kerk eveneens hoge eisen stellen aan de melodie, die niet alleen beter, maar vooral ànders is dan iedere aangenaam klinkende deun. Ze wil immers muziek-voor-God zijn. Vele melodieën in het Liedboek, denk allereerst aan onze schitterende psalmen, maar ook etterlijke klassieke gezangen, bezitten een eigen zeggingskracht. Ze betekenen een muzikale uitdrukking voor ons-zijn-voor-God. Een melodie kan fungeren als drager van de tekst, in een eerbiedige objectieve sfeer. Wij vinden die werkwijze in veel kerkliederen terug, b.v. in gezang 122 "Kom tot ons de wereld wacht". In dezelfde lijn klinken ook gezang 137 "Kom, Schepper Geest", gezang 168 "0 Jezus Christus, licht ze bij" en gezang 183 "0 Hoofd vol bloed en wonden".
De melodie kan echter ook de tekst uitbeelden: in een toonsprong, een bepaald ritme, een herhaling, een toonverheffing in b.v. "al-zo-hoge", en een geleidelijk neerdalende lijn op "van de hoge hemel neer". Beide voorbeelden komen uit gezang 145 "Nu zijt wellekome". Het stijgend hoornsignaal van de nachtwaker weerklinkt in de aanhef van gezang 262 "Op, waakt op, zo roept het luide". De volledig stijgende toonladder tekent de hemelvaart van Christus Jezus tastbaar uit in gezang 228 "Ten hemel opgevaren is ...". Soms kunnen woorden inhoudelijk worden uitgebeeld, zoals in gezang 184 "Met de boom des levens", in de woorden "wegend op zijn rug", "goede vrucht", "doe ons weer herrijzen uit de dood". De componist kan nog een andere bedoeling hebben met een liedtekst, nl. om een gevoelvolle, muzikale zegging van de tekst een passende gestalte te geven, b.v. in gezang 25 "Het volk dat wandelt in het duister".
Zo is in de functie van de melodie ten toegevoegd die de christelijke gemeente gegeven is, om de grote woorden extra kracht te verlenen. Daarom houdt zo'n gemeente zich niet bezig met zgn. vlotte meezingers uit Johannes de Heer, Youth for Christ, Opwekking of E en A-bundel. Zulke liederen hebben geen kerkelijke, maar evangeliserende functie.
De gemeente gewogen ...
Wij moeten heel voorzichtig zijn met het be-(ver- )oordelen van liederen uit het Liedboek voor de kerken, zoals dat gebeurd is in een artikelenserie rondom Liedboek-2000. Want, zoals ik aantoonde, het kerklied vertoont vele aspecten, die wij moeten laten meewegen in onze beoordeling. Ik kan mij heel goed vinden in een uitspraak over het Liedboek in Opbouw van 9 september '94: "Ik prijs mijzelf gelukkig de kerk te mogen dienen middels een inhoudelijk en muzikaal zo rijke bundel als het Liedboek-73 "in onbesneden staat". Maar ik kan mij er totaal niet in vinden dat er ned. geref.
kerken zijn, die naast het Liedboek een eigen bundel gaan samenstellen met kinderliederen en evangelische liederen uit reeds genoemde bundels. Dus voor elk wat wils. Ik denk dan aan wat ik las in Opbouw van 21 okt. 1994 in het artikel "Liedboek-2000?": "Bewust is gekozen voor een losbladige uitgave. Wat nl. op een bepaald moment populair is, kan na een aantal jaren weer uit de gratie zijn en andersom natuurlijk. Af en toe wordt een lied uit de bundel voor of tijdens de dienst gezongen."
Echte kerkliederen zijn nóóit kortademig, nóóit wegwerpartikelen of ééndagsvliegen, want het gaat uiteindelijk toch om de blijvende, eeuwige dingen!
Is er dan geen plaats voor eigentijdse liederen naast het Liedboek? Natuurlijk, mits ze niet all één eigentijds klinken, maar ingebed zijn in de traditie van liturgie en kerklied. Evenzo is er plaats voor het kinderlied, maar alleen als voorbereiding op het Liedboek. Elke kerk zijn eigen bundel met overal-vandaan-geplukte-liederen? Neen! Gemeente, houd vast wat gij hebt aan goede psalmen en gezangen! Zoek samen met deskundigen, in gebondenheid aan de Schrift en in verbondenheid met de kerk van alle eeuwen, naar liederen, die van lévensbelang zijn voor de christelijke gemeente. Want het mag niet zo zijn dat de gemeente inzake haar liedkeus gewogen en te licht zou worden bevonden!