Theologische scheppingsleer (1)
1995-08-11
Alleen al deze titel, en dan ook nog een cijfer dat aanduidt dat er wie weet hoeveel vervolgartikelen bij zullen komen, is vermoedelijk voor een flink deel der lezers voldoende om er niet aan te beginnen. In een bepaald opzicht hebben die lezers gelijk, omdat de gereformeerde dogmatiek het er naar gemaakt heeft. Daarom in deze inleiding eerst een soort excuus namens onze ‘calvinistische traditie’.- Jaargang 39
- nummer 16
Dat excuus gaat nog niet eens over de inhoud van het aangekondigde hoofdstuk uit de dogmatiek in de genoemde traditie. Dat zou ook nog kunnen, maar dat behoort bij de inhoud van de vier artikelen die ik gepland heb over dit onderwerp. Vooraf echter iets waarmee veel dominees en beroepstheologen het niet eens zullen zijn. Het gaat over de vraag wat voor zin het heeft om de lezers van Opbouw een reeks van artikelen voor te schotelen over een theologisch-dogmatisch onderwerp, dat helemaal niet 'praktisch' is, althans niet in de gebruikelijke zin des woords. Temeer niet, omdat ik zelfs niet van plan ben onder de genoemde titel over het milieu te schrijven. Op de laatste vergadering van de medewerkers van Opbouw is weer gebleken, dat globaal gezien alle lezers en alle medewerkers willen dat de inhoud van ons blad vooral praktisch gericht moet zijn. Dat vind ik ook, maar ik heb wel een aanvulling op dit gegeven.
2. Theorievorming is ook een stukje (niet neutrale) levenspraktijk
Er is nl. in de volle levenspraktijk ook een gebied, waarop betrekkelijk weinig lezers werkzaam zijn. Dat is het gebied van de theorievorming, met andere woorden: het gebied van de wetenschap, en daaronder hoort ook de wetenschappelijke theologie. Dat is een sector in het leven waarop lang niet alle gelovigen zich bewegen of hoeven te bewegen. Hetzelfde kan gezegd worden van de beeldende kunst, of van de literaire kunst. Hetzelfde kan ook gezegd worden van de kinderopvoeding, want sommige lezers zijn daar nog niet aan toe en velen zijn die tijd voorbij. Men kan ook denken aan de buitenlandse politiek.
Hetzelfde geldt voor de liefhebbers van meditaties en stichtelijke lectuur met populaire bijbelverklaringen. Ook zijn er velen die niet en velen die wel geïnteresseerd zijn in de joodse godsdienst of in het Jodendom in het algemeen.
En zo kunnen we nog even doorgaan. Een blad als Opbouw probeert al die genoemde en nog ongenoemde belangstellingssferen iets te bieden, maar niemand kan overal belangstelling voor hebben. En vooral niemand behoort belangstelling te hebben voor al die genoemde rubrieken. Ook al gaat het ons blad vooral erom, op al die gebieden een stukje christelijke levensvisie te geven en zodoende behulpzaam te zijn bij de concrete geloofsbeleving op een of meer kleine stukjes van onze veelzijdige levenspraktijk. Zo zijn er ook gelovigen en lezers van Opbouw die zich afvragen of de Schrift ons iets inhoudelijks te zeggen heeft over dat aparte stukje levenspraktijk (vooral van academici) dat we noemen de wetenschappelijke theorievorming. Daarin nu ligt in onze traditie een stuk schuld, waarbij mijn excuus zal aanknopen.
3. Theologie is geen betere kwaliteit geloof
De theologische traditie van de calvinisten, (en ook van andere christelijke stromingen), heeft maar al te vaak de suggestie gewekt, dat wie een kerkelijk meelevend gelovig christen wil zijn, wel degelijk belangstelling behoort te hebben voor de theologische dogmatiek, zij het in gepopulariseerde vorm.
Dat behoorde tot de geestelijke sfeer waarin vroegere generaties, ook ik, zijn opgevoed. Daarop was voor de oorlog een deel van het jeugdwerk gericht. De rest (van de cultuur) was een randverschijnsel, waar ieder naar keuze wat 'aan kon doen'.
Van deze voorbije traditie is veel goeds te zeggen, maar ook wel wat kwaads, en dat laatste wil ik nu doen.
De suggestie die van heel deze vroegere kerkelijke sfeer uitging, was dat iedere gelovige, en zeker iemand die wat meer gestudeerd had, zich eigenlijk voor theologie behoorde te interesseren. Men leerde in deze traditie dan ook niet consequent te onderscheiden tussen geloof en theologie. Zodoende werd onbedoeld en vaak ook nog onbewust, de theologie ervaren als een hogere of betere soort van geloof. Wie daar niet in geïnteresseerd was, voelde zich al spoedig niet te behoren tot de 'inner circle' van de kerk of van de jeugdvereniging. Genoeg hierover, ofschoon er nog heel veel over te schrijven zou zijn.
4. Conclusie uit het bovenstaande
Niemand, zelfs geen dominee of ouderling, hoeft zich in geweten verplicht te voelen theologische literatuur te lezen, ook niet de nu volgende gepopulariseerde artikelen over het genoemde dogmatische onderwerp.
Een klein deel der lezers heeft vermoedelijk wel belangstelling voor dogmatische theologie (of voor een ander vak uit de theologie, exegese bijvoorbeeld, of kerkrecht, of kerkgeschiedenis) en heeft voor deze hobby wat tijd en energie over. De aard van die stof brengt echter mee, dat er dan vaak een paar vervolgartikelen voor nodig zijn. In dit geval zelfs vier in totaal, en dan ben ik nog niet eens toe aan de bekende strijdvragen over de schepping-in-zes-dagen, en aan het evolutievraagstuk.
5.Scheppingsleer.ls dat actueel en nog nodig?
Als onderwerp voor vier artikelen koos ik dus de dogmatische (minder dubbelzinnig gezegd: de dogmatologische' scheppingsleer. Dus niet de exegetische kwestie van een schepping in zes dagen van elk 24 uur of van een al dan niet creationistische evolutietheorie, of iets dergelijks. Zelfs zoek ik niet het praktische en de actualiteit door te schrijven over de schepping in verband met ons milieu. Dat is wel de trend in de hedendaagse theologische vakliteratuur over de schepping.
In onze milieuproblematiek ligt globaal gesproken voor de hedendaagse theologie nog de enige relevantie, de enige 'praktische' betekenis van ons scheppingsgeloof. Op zichzelf is er natuurlijk niets tegen die probleemstelling, maar zij staat tegenwoordig wel in het kader van het moralisme dat in het algemeen een fors deel van de hedendaagse theologie kenmerkt.
Wellicht vraagt een lezer zich dan af: wat zou over dit dogmatische onderwerp dan nog te schrijven zijn voor iemand binnen een orthodox-gereformeerde geloofsgemeenschap? We weten het immers al lang en de schepping is onder ons ook (nog!) niet eens actueel. We weten het al lang, dat is inderdaad waar, maar eerlijk gezegd hoop ik dat ons oude en onbetwijfeld christelijk geloof aangaande de schepping, mede door een nieuwere theologische bezinning, verdiept kan worden. M.L is een nieuwe discussie gewenst, al was het alleen maar omdat ook de theologische waarheid als zodanig ons ter harte kan gaan, nog afgezien van haar nut voor geloof en kerk. Op de basis van ons gemeenschappelijk scheppingsgeloof, zoals dat ook in onze belijdenis verwoord is, zou ik enkele dogmatologische gedachten ter overweging en discussie willen voorleggen.
Mede omdat ik als ethicus dit leerstuk van groot belang acht voor de theologische ethiek.
6. De belijdenis der schepping in de Reformatie
In de eerste plaats is het opmerkenswaard dat onze belijdenisgeschriften over de schepping heel weinig zeggen.
In de tijd der grote Reformatie, toen deze geschriften ontstonden, was over de belijdenis der schepping nauwelijks verschil van geloof met Rome. Ook niet met de meeste afwijkende sekten, waartegen de protestantse confessies zich in die tijd moesten verzetten. Het ging toen veel meer over de leer van het heil en van de kerk en de sacramenten. Soms, in verband met de kloostertraditie of de dopersen, was het scheppingsgeloof actueel in verband met de onderwaardering van de schepping als (slechts) tijdelijke of uiterlijke werkelijkheid. Over de schepping als geloofsinhoud was dus vrijwel geen verschil van mening. Haast iedereen in Europa geloofde toen dat God de enige en almachtige Schepper van hemel en aarde was. Ieder geloofde zonder meer de eerste twee hoofdstukken van de Bijbel waarin ons dat geopenbaard is. Dat is gelukkig ook nog steeds zo in de orthodox-gereformeerde gezindte in Nederland (en elders). Waarom dus nog aandacht geschonken aan het hoofdstuk uit de dogmatiek waarin de bijbelse scheppingsleer nader besproken wordt in een theologische scheppingstheorie?
Omdat hier m.i. een zekere vernieuwing van de gereformeerde dogmatiek gewenst is, zoals uit de komende artikelen moge blijken.
7.De Catechismus over de schepping
Zelfs onze Catechismus, die in zondag 9 bij de verklaring van het eerste artikel der Apostolische Geloofsbelijdenis over de schepping zou moeten spreken, en met vraag 26 inderdaad deze verwachting wekt, besteedt daaraan slechts één regeltje op een ondergeschikte plaats, nl. in de bijzin: "die hemel en aarde, met al wat er in is, uit niet geschapen heeft". Dan volgt nog een halve bijzin over het onderwerp van de volgende zondag: "die ook door zijn eeuwige raad en voorzienigheid ze (die schepselen) nog onderhoudt en regeert". De hoofdzin is echter dat de Schepper de Vader van onze Here Jezus Christus is, die "om zijn Zoons Christus wil mijn God en mijn Vader is". Over de schepping zelf wordt niets naders gezegd. Het lijkt haast wel hedendaagse theologie, die voor een groot deel over de schepping alleen nog wil spreken in soteriologisch (dat wil zeggen: de heilsleer betreffend) verband, uit vrees voor 'scholastieke metafysica'. Ook de milieuproblematiek wordt nogal eenzijdig in dat soteriologische schema gelokaliseerd. Schiet de Catechismus hier dan tekort? Dat zou ik niet willen zeggen. Haar doelstelling was beperkt en wat wij in onze tijd moeten noemen een theologische scheppingstheorie lag zeker niet in de bedoeling. Wel was rn.i. een wat bredere geloofsbelijdenis aangaande de schepping mogelijk en wenselijk geweest, nl. in het licht van het Nieuwe Testament.
Zoals gezegd: in de reformatietijd was er vrijwel geen gelóófsverschil over de schepping. De reformatoren zijn, voor zover mij bekend, niet diep en kritisch ingegaan op de typisch scholastieke scheppingstheologie van Thomas Aquinas'. Daarom kan men het rn,l. de Catechismus niet kwalijk nemen, dat ze in het geloofsartikel over de schepping deze niet nader verklaart, doch even, en zo kort mogelijk, slechts noemt. Meer aandacht wordt in zondag 10 besteed aan Gods voorzienig bestel binnen de schepping, en dat is ook heel begrijpelijk. Daar hebben we als gelovigen het soms moeilijk mee in ons leven. De Catechismus is wel een 'onderwijzing', maar dan toch voornamelijk voor en midden in de geloofspraktijk van het leven, inclusief vertroosting in allerlei verdriet. Is dat met onze Nederlandse Geloofsbelijdenis ook zo?
8. Nederlandse Geloofsbelijdenis
Artikel 12 van onze geloofsbelijdenis heeft in het 'Gereformeerd Kerkboek' (vrijgem.) als niet officieel opschrift: 'De schepping van de wereld; de engelen'. Ook hier valt de kortheid op betreffende het onderwerp schepping. Zeker in verhouding tot andere onderwerpen. Over de drieëenheid Gods waarover vrijwel niets ter verklaring of verduidelijking gezegd kan worden, hebben we de twee forse artikelen 8 en 9. Over de schepping gaat art. 12, met in mijn uitgave 22 regels, waarvan er amper 6 werkelijk iets zeggen over de schepping. De rest gaat al over Gods voorzienigheid waaraan eveneens het hele volgende artikel 13 is besteed. Verder gaat het grootste deel van artikel 12 over engelen, duivels en ketters.
Wellicht kan ook hier de ontstaanstijd de verklaring geven. Belijdenisgeschriften zijn immers als zodanig altijd
zeèr tijdgebonden. Zowel wat betreft hun formulieren alsook wat betreft hetgeen wel of niet aan de orde komt. Zoals gezegd: in de reformatietijd was het scheppingsgeloof, althans als geloof, geen twistpunt. De subtiele theologische geschilpunten tussen theologen waren bij de roomse en protestantse gelovigen blijkbaar onbekend en/of onbemind. Anders was er vermoedelijk wel iets over gezegd in de confessies, want geen van beide stromingen in die tijd rekenden in de praktijk veel met het verschil tussen geloof en theologie. Behalve het feit van de schepping, zoals de Schrift ons dat openbaart, wordt er na de eerste zin in artikel 12, vervolgens over de schepping gezegd: "Ook heeft God aan elk schepsel zijn wezen en gedaante gegeven en zijn eigen taak om de Schepper te dienen". Men zou dat kunnen lezen als een accentuering van en levensbeschouwelijk commemtaar op het herhaalde gezegde in Genesis 1 dat God alles 'naar zijn aard' heeft geschapen. Ook kan men voorzienigheidin de woorden 'zijn Schepper te dienen' een toepassing van het Nieuw Testamentische woord, dat alle dingen ook 'tot God' geschapen zijn. Dat is een mooi voorbeeld van voortgang in Gods openbaring en van verdieping van het geloof, omdat in het Nieuwe Testament méér over de schepping gezegd wordt dan in Genesis 1 en 2. Het doel van de schepping Gods, de bestemming van de schepselen, wordt hier kort aangegeven: God dienen. Maar er is nog wat meer dat belangrijk is.
9. Geloofsverdieping in het Nieuwe Testament
Het is duidelijk dat de apostel Paulus, die verschillende keren over de schepping spreekt, in zijn brieven gedachten heeft meegenomen die hij ook al in het Oude Testament tegengekomen is, voornamelijk bij Job en in de Psalmen, alsook bij Jesaja. Dat laat ik nu verder rusten. Ik attendeer slechts op het bekende verschijnsel dat er in Gods openbaring in de Schrift een voortgang zit, van minder naar meer naar dieper. Dat betekent een verrijking van ons geloofsleven, en daar door mogelijk ook van het gehele christelijk leven. Het weten dat God alles geschapen heeft, is als geloofsweten binnen het geheel van een bijbelse geloofskennis heel wat meer en ook heel wat dieper dan een simpel en apart weetje dat aarde en van alles wat daarin is, is dat eenmaal alles is geschapen door God en daarmee uit. Wat is dat voor kennis? Wat doe je daarmee? De duivel weet hetzelfde ook en houdt er waarschijnlijk terdege rekening mee. En hoe vaak is het aanhoren en 'gewoon accepteren' van de waarheid dat God alles heeft geschapen niet gebleken een puur verstandelijk weetje te zijn, een zgn. 'uitsprakengeloof' , dat nog weinig of niets van doen heeft met het bijbels en hartelijk geloof in de geest van zondag 9. Is het scheppingsgeloof voor ons nog iets meer dan een label, een fabrieksmerkje dat voor ons besef nu eenmaal aan alle (natuur)dingen hangt, maar dat verder geen functie heeft? lets waar we verder weinig of niets mee kunnen?
De catechismus legt terecht onmiddellijk verband tussen Gods Schepper-zijn en zijn Vader-zijn van Jezus en van ons. Begrijpelijk dat vervolgens bijna haastig wordt overgegaan naar de toepassing van dit geloofsweten, en wel met behulp van de leer der voorzienigheid. Trouwens, in de meeste dogmatische handboeken worden de theorieën inzake de schepping en die over Gods voorzienigheid direct met elkaar verbonden. Zelfs zo sterk, dat ze soms in één hoofdstuk of in één boekdeel worden behandeld, en wel onder de titel: de voortdurende schepping ('creatio continua'). Van Genderen wijst dat af, en rn.i. terecht. Berkouwer ook. De idee van de voortgaande schepping begint echter naar mijn indruk helaas weer opnieuw door te dringen in orthodox-theologische kringen, en wel onder de druk van het historiserende modern-filosofische denkklimaat. De zgn. onteeuwiging waartegen ook Ds. de Jong enige tijd geleden in Opbouw schreef, is daarvan slechts één bedenkelijk symptoom. Het is een trend geworden om in te gaan tegen wat men noemt 'de ontologische of metafysische speculatie in de scholastieke theologie'. Daartegenover wordt dan meestal het zgn. 'hebreeuwse denken’ geplaatst dat niet zozeer op 'het wezen' der dingen gericht is, als wel op de geschiedenis ervan.
10. De lofzang der gemeente
Hierboven suggereerde ik dat wij in de praktijk niet veel kunnen beginnen met ons weten dat God alle dingen geschapen heeft. Daarop moet in elk geval één belangrijke uitzondering worden gemaakt. Dit geloofsweten dat God de Schepper is van hemel en aarde en van alles wat daarin is, is door God dan toch maar de eeuwen door bij heel Gods volk aanleiding geweest voor het loven en prijzen van God, omdat Hij de 'grote Schepper aller dingen' is. Hoe vaak zingen we in de kerk niet met opgewektheid de treffende lofpsalmen? En hoeveel vakantiegangers (vooral van christelijke reisverenigingen) zijn er niet die, als ze in de hoge Alpen komen en overweldigd zijn door de aanblik der majestueuze bergen en liefelijke dalen, de lofzang in hun binnenste voelen opkomen? "Onze bergwandelingen zijn haast erediensten", las ik nog onlangs in een christelijk dagblad.
Dat hoeft helemaal niet een puur romantisch sentiment te zijn.
11. Ook vragen in de gemeente
Het wordt echter wel wat selectief en eenzijdig als we alleen in vervoering komen door 'de heerlijkheid' van de schepping. Als we maar liever niet denken aan de panter die zijn scherpe klauwen in een hert slaat en het opvreet zonder enig mededogen in de pijnlijke doodstrijd van zijn prooi, of aan een roofvogel die een levende duif kapot hakt. Of heeft God soms geen roofvogels en verscheurende dieren geschapen die er, uiterlijk en inwendig, helemaal op gemaakt zijn om andere beesten levend te verscheuren en op te eten? En hoe denken we over bepaalde vrouwelijke insecten die de gewoonte hebben tijdens de paring al te beginnen hun 'mannetje' op te eten? En horen fabrieken, computers, atoombommen, fototoestellen, vliegtuigen enz. niet ook bij die 'alle dingen' die God door en in Christus geschapen heeft? In de laatste decennia echter zijn velen ernstig verontrust over onze 'biosfeer', over ons 'natuurlijk' leefmilieu, inclusief de grondstoffen die de aarde nog heeft voor de mensheid. Ik schreef al: recente dogmatieken over de scheppingsleer" gaan breed in op deze problematiek. In verband met die discussies laait ook de strijd over de theologische theorieën inzake de inspiratie van de Bijbel en de methode van haar exegese (de 'hermeneutiek') weer op. Mijnerzijds zal ik daar in dit reeksje niet veel van zeggen, maar liever in drie volgende artikelen een betrekkelijk nieuw probleem aan de orde stellen, nl. de vraag naar de betekenis van het woord der Schrift in Kol. 1:16 en 17 dat 'alle dingen IN Christus geschapen zijn' en 'in Hem bestaan'.
Noten
1. Over dit verschil schreef ik in Opbouw 36,4 (14.2.92) onder de titel 'Confessie en theologie'.
2. Dat is wel gedaan door Dooyeweerd, o.a. in 'Vemieuwing en Bezinning', p.114.
3. Zoo.a. Chr. Link, SchöpjUng, twee delen. Band 2 heeft als ondertitel: Schöpfungstheologie angesichts der Herausforderungen des 20. Jahrhunäerts, 1991 (267 pag.).