Een cruciaal moment? (4)

1995-08-11
  • Jaargang 39
  • nummer 16
Aansluitend bij het vorige artikel wil ik nu nog een paar opmerkingen maken over de vraag of het ‘verhaal’ kan dienen als uiteindelijk kader voor het verstaan van wat de Bijbel als woord van God ons wil zeggen.

Het verhaal in de Bijbel
Het probleem dat ik in het vorige nummer geprobeerd heb duidelijk te maken in verband met de nauwe verbinding tussen levensverhaal en identiteit, heeft dezelfde achtergond als de problematiek van de zingeving die ik in de eerste twee artikelen besprak. In de opvatting van het verhaal wordt te sterk aangesloten bij het uitgangspunt in de menselijke subjectiviteit zoals dat kenmerkend is geworden voor het moderne denken. Toen heb ik er ook op gewezen dat in Ganzevoorts bespreking van de bijbelse verhalen een andere lijn naar voren komt. De vraag of het 'verhaal' kan dienen als uiteindelijk kader voor het verstaan van Gods Woord borduurt daarop voort. In de eerste plaats zou ik me dan weer bij Ganzevoort willen aansluiten.
Voor het verstaan van de Bijbel is het van belang op te merken dat hij vol staat met verhalen, geschiedenissen.
Eigenlijk geldt voor het kennen van de bijbelse leer hetzelfde als voor het kennen van iemand of van onszelf zoals ik dat in het vorige artikel besprak: los van de tijd, van de geschiedenis, van de concrete verhalen, blijft de leer in de lucht hangen, wordt ze niet concreet. Dan is de relatie met ons eigen leven vaak maar moeilijk te leggen. Laat ik een voorbeeld geven.

De brief aan de Romeinen
Enige tijd geleden besefte ik voor het eerst goed wat het betekent dat Paulus zijn brief aan de Romeinen geschreven heeft, toen hij na zijn laatste zendingsreis onderweg was naar Jeruzalem. Hij wist dat hij het daar moelijk zou krijgen. Er waren namelijk spanningen gerezen over de vraag of de manier waarop Paulus te werk ging wel aanvaardbaar was. In zijn verkondiging had Paulus er steeds alle nadruk op gelegd dat om tot de gemeente van ,Christus te behoren de joodse wetten en gebruiken niet overgenomen behoefden te worden.
Daarin ging hij door op het spoor van wat Petrus als eerste had moeten leren, toen hij door Cornelius werd uitgenodigd (Hand. 10), maar het gaf nog steeds spanningen in de gemeente te Jeruzalem. Dat staat waarschijnlijk niet los van het verzet dat deze relativering van de joodse wet haast overal op Paulus' zendingsreizen bij de joden buiten de gemeente had opgeroepen. Paulus was om die reden herhaaldelijk met de dood bedreigd. Nu gaat hij naar Jsruzalem.
En het is duidelijk dat het daar voor hem niet veilig zal zijn. Van verschillende kanten wordt hem dat verteld.
En Paulus twijfelt er niet aan dat de Heilige Geest zelf achter die waarschuwende woorden staat. Toch gaat hij naar Jeruzalem, ook al zou hij daar de dood vinden. Terwille van de eenheid van de gemeente. Zelf wil hij het geld dat hij overal bijeen heeft laten brengen in Jeruzalem overhandigen. Zelf wil hij daar voor de gemeente en de apostelen zijn evangelie verantwoorden.
In deze gespannen situatie heeft Paulus zijn brief aan de Romeinen geschreven. Daarin staat eigenlijk de verantwoording, zoals hij die ook in verband met de gemeente in Jeruzalem voor ogen gehad zal hebben. Hetzelfde evangelie voor joden en heidenen. De brief aan de Romeinen is dus niet een leerstellige uiteenzetting in een ontspannen situatie, maar een bewogen uiteenzetting tegen de achtergrond van concreet dreigende gevaren.
Je zou kunnen zeggen: de verhaalachtergrond kan de brief aan de Romeinen dichterbij brengen. Het leerstellige blijkt verbonden te zijn met een concrete situatie. Toch kan aan ditzelfde voorbeeld de beperking van het verhaal als kader voor verstaan worden duidelijk gemaakt. Ik zou me namelijk goed kunnen voorstellen dat Paulus met wat ik hier over de achtergrond van de brief aan de Romeinen geschreven heb, helemaal niet zo gelukkig zou zijn. Want, hoe belangrijk is die situatie als het gaat om wat hij eigenlijk wil zeggen? De vraag is of het al niet een misverstand oproept om in verband met de brief aan de Romeinen van 'leerstelliq' te spreken. Dat wekt de indruk dat het om informatie gaat. Dingen die we moeten weten, van levensbelang zelfs, maar toch kennis die we kunnen leren en dan ook geloven. Maar gaat het Paulus ten diepste daarom? Gaat het in de eerste acht hoofdstukken van Romeinen om een theorie die pas concreet wordt als we er een verhaal bij kunnen vertellen? Of wanneer we er in de praktijk iets mee doen, zoals de hoofdstukken twaalf en volgende daar voorbeelden van geven? Wie de brief aan de Romeinen zo leest is te vergelijken met een man die zijn vrouw diep gekwetst heeft en die het aangesproken worden op wat hij heeft gedaan, het erkennen van schuld, het vragen en ontvangen van vergeving, alleen maar theorie noemt en het meenemen van een bloemetje voldoende vindt, omdat dat tenminste praktisch is. Zo iemand gaat aan de binnenkant van de relatie voorbij en maakt dat het geven van een bloemetje iedere positieve betekenis verliest.
Het gaat Paulus in de eerste acht, ik moet zeggen: in ieder geval de eerste elf, hoofdstukken van zijn brief aan de Romeinen om de binnenkant van Gods relatie met ons, joden en heidenen.
De breuk in die relatie en hoe God van zijn kant alles heeft gedaan en nog doet om die te herstellen.
Welke reactie dat van ons vraagt. Het gaat opnieuw om de relatie. Wij worden aangesproken. Ons antwoord wordt gevraagd. Dat is het kader waarin de Bijbel als het Woord van God gehoord wil worden.

Relatie als kader
Het is niet voldoende als we geboeid worden door de bijbelse geschiedenissen.
Zelfs niet dat we onszelf daarin herkennen, dat ze ons troost geven, ons helpen in dit leven vol te houden.
Hoe belangrijk deze dingen ook zijn, ze verliezen hun betekenis als we ons niet in de Bijbel door God zelf aangesproken weten en daarop antwoorden, met hart en ziel, misschien aangevochten en onzeker maar toch van binnen uit, en met de buitenkant van ons leven. Het uiteindelijke kader om de Bijbel te verstaan zijn niet de verhalen maar is de relatie van God tot ons. Hij heeft ons tot bestaan geroepen en vraagt ons antwoord. Hij heeft ons geschapen met ons gezicht naar Hem toe.
We kunnen ons gelaat afwenden, ons leven een andere richting geven, maar het blijft een antwoord.
God spreekt tot ons om een relatie te stichten, te herstellen en in stand te houden. Hij vraagt de liefde van ons hart en ons bestaan (het liefdegebod) als antwoord op de liefde die Hij zichtbaar gemaakt heeft in de persoon en de weg van Jezus Christus, zijn geliefde Zoon. Die liefde met de gekwetstheid daarvan heeft een geschiedenis. In het verhaal daarvan wordt ze ook concreet voor ons. Maar het verhaal verliest zijn diepste betekenis als we het appel daarin op onszelf niet zouden horen.
In het vertellen van het bijbelse verhaal hoeven belofte en opdracht niet altijd uitdrukkelijk uitgewerkt te worden, maar ze moeten wel meeklinken wil onze betrokkenheid tot haar recht komen. Het hart van het bijbelse verhaal is de relatie waarin ik wordt aangesproken met belofte en gebod. In het Woord geeft God Zichzelf. In Jezus Christus heeft Hij zelfs het gebod voor ons vervuld. Het gaat erom binnen deze relatie te leven in de concrete situatie van ons bestaan, met het gezicht op God gericht, op zijn belofte en zijn gebod.
Ik hoop dat duidelijk is dat het nu niet meer kan gaan om het verhaal dat ik zelf vertel, dat zijn uitgangspunt vindt in mij als verteller. Het lijkt me riskant, eerder een misverstaan vanuit een verkeerd begrippenkader, wanneer nu gezegd zou worden: jij mag het zo beleven, maar wat er feitelijk gebeurt is dat je je verhaal zo herschrijft dat God er een belangrijke rol in speelt (zo ongeveer Ganzevoort, p. 297 noot 2). Natuurlijk geef ik mijn 'verhaal'. En daarin heeft zeker ook mijn verstaan een belangrijke plaats. Daarom mag het ook door iedereen kritisch beoordeeld worden. Maar het gaat erom of het waar is dat God tot ons spreekt in de Bijbel. Of mijn 'verhaal' daarnaar verwijst, daarvan getuigt. Of misschien God zelf door mijn 'verhaal' tot anderen kan spreken. Dat klinkt misschien erg onbescheiden. Maar is dat niet waartoe we, als zelf geroepen, in de wereld gezonden zijn?

Verhaal en pastoraat
Nu is het stellig niet zo dat deze relatie tussen God en ons in het boek van Ganzevoort niet zou voorkomen. Zij is ook bij hem in de bijbelse verhalen voortdurend voorondersteld en wordt ook uitdrukkelijk genoemd (vergelijk bijvoorbeeld 241v, 338w). Toch lijkt het mij toe dat de wijze waarop hij het levensverhaal typeert als een prestatie van de mens zelf, ook hier op zijn minst tot misverstanden zou kunnen leiden. Daarom heb ik hierboven op zijn voetnoot op p. 297 gereageerd.
Maar ik denk dat wanneer de relatie van God met ons tot uitgangspunt wordt genomen ook in verband met het pastoraat de accenten anders komen te liggen.
Bij Ganzevoort wordt het pastoraat opgevat vanuit de betekenis van het levensverhaal. Daarom ligt alle nadruk op 'het interpreteren van de situatie met het doel te komen tot een nieuw verstaan van het leven' (355). Dat nieuwe verstaan wordt bepaald door de relatie tot de bijbelse verhalen: het eigen levensverhaal moet'worden bezien in het licht van de bijbelse verhalen van wording, breuk, herstel en toekomst, in het perspectief van de genade en de hoop zoals de Bijbel daarvan spreekt (344v). Ongetwijfeld speelt hier de problematiek van zingeving mee zoals ik die eerder besproken heb. Dat blijkt heel duidelijk als Ganzevoort het heeft over het crisispastoraat. Immers, 'de kern van de crisis bestaat uit het niet kunnen zingeven binnen het geldende levensverhaal' (357). Daarom moet de pastor helpen 'zoeken naar zingevingen die de ontmoeting tussen zijn gesprekspartner, de levensgebeurtenissen en God interpreteren en leiden tot een herschreven levensverhaal waarin de feiten van het leven kunnen worden ingepast' (360). Over de problemen van dat 'inpassen' heb ik in het eerste artikel geschreven. Nu wil ik de vraag stellen of een crisis zoals Ganzevoort die bedoelt, wel zo nauw verbonden is met zingevingsvragen.
Waarom gaat het bij een crisis? Er is een bepaalde gebeurtenis, of een reeks gebeurtenissen, die als zo bedreigend wordt ervaren dat zich een psychische evenwichtsverstoring voordoet. Dat kan zijn na een ongeluk, door het verlies van een kind of een echtgenoot, door werkloosheid, enzovoort. Niet bij iedereen leidt een dergelijke gebeurtenis tot een crisis. Een crisis ontstaat pas als iemand de ontstane situatie niet goed meer aankan. Dan moet er een beroep op hulp gedaan kunnen worden en als deze niet direct aanwezig of voldoende is, ontstaat er een crisis. Is de kern van zo'n crisis nu inderdaad dat aan de gebeurtenis geen zinvolle plaats in het levensverhaal kan worden gegeven, zodat het kernprobleem op het gebied van de zingeving ligt? In de eerste plaats zou ik willen opmerken dat zingevingsvragen, concreet allerlei geloofsvragen, kunnen voorkomen los van welke crisisgebeurtenis ook. Deze kunnen wel een aanleiding zijn, maar noodzakelijk is dat niet. Verder kan een geloofscrisis wel een aanleiding of misschien zelfs wel de oorzaak zijn van een psychische evenwichtsverstoring, maar ook dat behoeft niet het geval te zijn. Omgekeerd is duidelijk dat een crisiservaring niet noodzakelijk uitdrukkelijk met geloofsvragen gepaard gaat (221 ). Het is voor mij daarom de vraag of het wel zinvol is in verband met een crisis zo de nadruk te leggen op de 'breuk in het levensverhaal'. Gaat het bij een crisis er niet eerder om dat iemand een bepaalde situatie (psychisch) niet aankan? Dat kan met een bepaald verstaan van die situatie te maken hebben, maar dat is niet noodzakelijk.
Dat blijkt wel uit het feit dat ook door gewenning een crisissituatie kan worden overwonnen (179). Bij de bespreking van de literatuur over het omgaan met een crisis ('coping') komt ook slechts bij drie van de zeven en dertig definities die Ganzevoort citeert, het element van interpretatie van de situatie voor (188). Het is duidelijk dat in Ganzevoorts eigen definitie van 'coping' de formulering van het doel als het geven 'van een als zinvol beleefde interpretatie van de situatie en het eigen leven' meer ontleend is aan zijn eigen opvatting van een crisis dan gebaseerd op de besproken literatuur.

In een crisis gaat het erom dat iemand een bepaalde situatie niet aankan en daardoor psychische problemen krijgt.
De taak van de pastor lijkt mij daarbij te zijn hulp te verlenen vanuit de geloofsrelatie. Dat geldt trouwens niet alleen voor een crisissituatie maar in het algemeen. De spits van alle pastoraat is gericht op het leven in de relatie met God, zoals we daartoe geroepen worden door het evangelie waarin Jezus Christus de centrale plaats inneemt. Tot het pastoraat behoort daarom bemoediging, waarschuwing, ondersteuning en het voorgaan in de zin van het geven van het voorbeeld.
Ook voor het pastoraat geldt daarom mijns inziens dat het primair verstaan moet worden vanuit de relatie waarin wij van Godswege geplaatst zijn. Daarbij is het van wezenlijk belang echt naar de betrokkene en diens verhaal te luisteren. Alleen op die manier kan de dubbelfunctie van de pastor tot zijn recht komen: naast de betrokkene .te staan èn vanuit de positie van gezondene woorden als van God te spreken (1 Petrus 4:11). Maar het beslissende doel is niet dat iemand zijn levensverhaal herschrijft maar aan zijn leven vorm geeft in de relatie met God vanuit de belofte en het gebod zoals die van Godswege in het evangelie van Christus tot ons gesproken worden.

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief