In Christus geschapen

1995-08-25
  • Jaargang 39
  • nummer 17
1. Perioden van actualiteit De huidige actualiteit van het theologische thema ‘schepping’ dateert ruwweg van de laatste honderd, hooguit tweehonderd jaar. Het is ongeveer vijftien eeuwen lang betrekkelijk rustig geweest op dit punt. Dat was niet zo in de eerste vier, vijf eeuwen van het christendom. Reeds vóór Augustinus is er heel veel gediscussierd over de schepping, zowel tussen christenen onderling als tussen hen en de heidenen. Men zegt wel: meer dan over enig ander theologisch onderwerp.

De heidenen immers hadden ook hun scheppingsgeloof. Van hun (opper)god vertelden zij dat deze alles had geschapen. In Egypte zei men er zelfs bij hoe. Net als in de Bijbel geloofde men daar in de schepping van alle dingen 'door het woord' van hun god. Trouwens er staan in Genesis 1 en 2 maar weinig dingen die niet in iets andere bewoordingen ook voorkomen in andere scheppingsverhalen bij diverse heidense volkeren. Dat gaf voor de eerste generaties christenen en apologeten of theologen echt een probleem. AI eerder bij de grote joodse hellenist Philo van Alexandrië, maar ook bij christen-theologen als Origenes, Chrysostomus, Theophilus van Antiochië e.a. Zoals in de laatste honderd jaar ook weer in onze omgeving via het studievak 'godsdienstgeschiedenis' . Theologische studenten uit eigen kring hebben er in onze tijd ook mee te maken en stellen er hun vragen over.

2. Relatie tussen God en de schepping
Het probleem in de eerste eeuwen van onze jaartelling was vooral de door filosofen opgeworpen vraag of God werkelijk àlles, ook de materie, had geschapen. Centraal werd echter de vraag hoe dan de relatie was tussen God en de creatuur. Allerlei problemen in die tijd bewogen zich toen, net als in onze tijd opnieuw, op de reëel bestaande grensgebieden tussen mythologie, filosofie en theologie. Het geloof in de schepping was als zodanig voor vrijwel niemand een probleem . Zelfs niet voor een groot deel der heidenen. De grote vraag voor de christenen was, hoe dat geloof in het dagelijks leven moest functioneren, en vooral hoe het zich onderscheidde van het heidense scheppingsgeloof. De vraag werd overwogen hoe men zich bij nadere bezinning de relatie tussen God en de schepselen moest indenken.
Met andere woorden: ook een bijbels scheppingsgeloof is nog wel wat meer of wat anders dan een geaccepteerde mededeling.
Wat dat betreft loopt er door de christelijke theologische traditie een platonische lijn. Men zegt wel en niet geheel ten onrechte: de christelijke (theologische) scheppingsleer heeft twee wortels: het Oude Testament en Plato's dialoog Timaeus. Vooral Luther heeft daarmee in sterke mate weten te breken, ofschoon ook weer niet geheel bevredigend, niet radicaal genoeg.
Wel heeft hij de lijn van Bonaventura, een theologische concurrent en leeftijdsgenoot van Thomas van Aquino (beiden stierven in 1274), weer opgenomen door het verband te zien tussen de schepping en Christus.
De m.i. onbevredigende details daarin laat ik nu rusten, om in positief-systematische zin die oude gedachte weer op te nemen, dat de schepping van alle dingen door God niet voldoende theologisch verstaan worden, zonder nadere bezinning op de plaats en functie van Christus in Gods scheppingswerk en in het resultaat daarvan: het schepsel. In de dogmatiek staat dit punt bekend onder de titel 'de kosmologische betekenis van Christus'.

3.De schepping in Christus
Om een eerste indruk te geven van wat ik daarna bij gedeelten meer theologisch nader wil uitwerken en toelichten, citeer ik hier eerst het openingswoord dat ik in november 1992 op een kerkeraadsvergadering uitsprak, na de schriftlezing uit Col. 1:15-20 en Ef. 1:3-16. "De gelezen schriftgedeelten gaan over de centrale positie van Christus in de hele schepping. De centrale positie van Christus niet alleen in het hei Is- en verlossingswerk, maar ook (en dus allereerst) bij het ontstaan van de totale geschapen werkelijkheid. Die totaliteit wordt hier aangeduid met de woorden 'alle dingen', alles dus.
Vers 16: 'alle dingen zijn in Hem geschapen.' Waarschijnlijk heeft de kerk met deze woorden nooit goed raad geweten, en ook de theologische exegese niet. Wat kan dat in vredesnaam betekenen?
vroeg menigeen zich af. Resultaat is geweest dat men meestal maar deed alsof er stond: dóór Christus, alle dingen zijn 'dóór Hem' geschapen. Nu staat dat er ook wel, aan het eind van vs. 16, zoals er ook nog bij staat dat alle dingen 'tot Hem' geschapen zijn. Maar dat geeft ons nog geen recht om dat IN Christus geschapen zijn dan maar verder te negeren, zoals in de meeste theologische literatuur gebruikelijk is. Of, zoals ook wel gebeurt, om zich er gemakkelijk van af te maken door te zeggen dat 'in' hier de betekenis heeft van 'door'.
Gevolg van deze praktijk is, dat in het geloofsleven van de gemeente deze gedachte nog vrijwel onbekend is.
Zeker, wij weten van de goddelijke almacht van Christus, van Zijn bestuur over alle dingen, maar wat beseffen wij nog van diepe betekenis van wat na vers 16 ook in vers 17 staat: 'alle dingen hebben hun bestaan IN Hem'.
Toch is dit een gedachte, die vaker, zij het soms met andere woorden, in de Bijbel voorkomt. Het klinkt ons echter wat vreemd in de oren dat wij IN Christus geschapen zouden zijn. In Hem verlost zijn van de zonde en van het oordeel, is voor ons een zeer vertrouwde en centrale geloofsbelijdenis.
Maar dat 'alle dingen' in Hem geschapen zijn en vervolgens ook in Hem bestaan klinkt ons haast wat pantheïstisch of wat mystiek in de oren. En inderdaad, Paulus aarzelt niet zelfs met instemming een woord aan te halen van een pantheïstische dichter (Aratus), die over zijn heidense god gezegd heeft: 'Want wij zijn ook van zijn geslacht'. Paulus stemde daar niet alleen mee in, maar hij zei daarbij nog: In Hem leven wij, bewegen wij ons en zijn wij (Hand. 17:28). In onze tekst en in meer dergelijke woorden zegt Paulus nu dat dit niet alleen geldt voor ons, en voor de gemeente, maar voor alle mensen en zelfs voor alle dingen, kortom voor de hele schepping.
Wat betreft de concrete toepassing moet ik mij beperken tot slechts één gedachte, nl. deze dat het koninkrijk van Christus en van God niet samenvalt met de kerk of met het christelijk leven, maar veel breder is. De hele wereld bestaat in Hem, wordt door Hem gedragen en is aan Hem onderworpen. In Hem leven wij en bestaan wij, tesamen met alle dingen in de gehele werkelijkheid. Wij bestaan 'in Christus', die in vs 15 genoemd wordt 'de eerstgeborene van de ganse schepping'. Hij draagt, a.h.w. als een wortel', 'alle dingen, zegt Hebr. 1:3. Nu wij door de zonde ons losgemaakt hebben van Hem, m.a.w. nu wij ont-worteld zijn, mogen wij, zegt 11Petrus 1:4 door Gods genadegaven weer opnieuw, net als bij de schepping in de beginne, 'deel hebben aan de goddelijke natuur'. Door de H. Geest mogen we weer ingeplant worden in dit eerste schepsel, in deze eerste mens, in deze 'eerstgeborene van alle creatuur', in deze wereld'wortel' van 'vóór de grondlegging der wereld'. Zo mogen we weer één lichaam zijn met Christus, in Wie de eeuwige God en de geschapen mens tot één zijn verenigd."
In het volgende wil ik proberen dat nader uit te leggen.

4. 'Kosmologie' als term
Aan het eind van punt 2 noemde ik al de traditionele benaming voor het probleem dat ons thans bezig houdt: de 'kosmologische betekenis' van Christus. In onze tijd van New Age en van allerlei re-mythologiserende tendenzen in de theologie (Bultmann heeft al lang weer grotendeels afgedaan) schijnen woorden als kosmos en kosmisch in beslag genomen te worden door allerlei mystieke, holistische en esoterische stromingen. Daarom is het wellicht dienstig om bij dit woord uit de theologie een korte defensieve toelichting te geven. Want 'kosmos' is van oorsprong een Grieks woord, dat in de christelijke theologie en filosofie terecht is opgenomen. Het kon immers uitstekend dienst doen om de hele schepping aan te duiden, zoals in de Bijbel vaak gedaan wordt met de uitdrukking 'hemel en aarde', of zoals wij wel spreken over de 'gehele werkelijkheid’. Bovendien heeft het woord kosmos de bijbetekenis, dat Gods scheppingswerk een geordend geheel is.
Heel wat anders dan de chaos en de chaosmachten waarover veel heidense mythologie sprak, en veel hedendaagse theologie opnieuw, ten dele in het voetspoor van de nieuwste hypothesen van de astrofysica".
Ook iets anders dan waarover de Griekse filosofie sprak, wanneer ze het had over het zijnde (to on), waarvan de term 'ontologie' (zijnsleer) is afgeleid. In dat woord klinkt namelijk mee de idee van een zelfstandig, in zichzelf rustend bestaan, ook wel 'substantie', subsistentie of 'wezen' (ousia) genoemd. Een idee die fundamenteel in strijd is met een christelijke werkelijkheidsopvatting, die tegenover God de Schepper geen 'zelfstandigheden' kan erkennen. Vergelijk bijv. Hebr. 1:3 waar van de Zoon gezegd wordt dat Hij 'alle dingen draagt door het woord van zijn kracht'.
Daarom heeft Dooyeweerd zijn wijsgerig stelsel opzettelijk niet een nieuwe 'ontologie' of zijnsleer genoemd, maar bewust 'kosmologie' , wat in het Nederlands kan vertaald worden als 'wijsgerige werkelijkheidsleer'. Deze is dan volgens hem gefundeerd in een niet-wetenschappelijke, geloofsmatige 'Ievens- en wereldbeschouwing' waarin God en zijn wet niet uit een zogenaamde 'werkelijkheid op zichzelf' zijn weggetheoretiseerd.
Wanneer de theologie van ouds het probleem kent van 'de kosmologische (bedoeld is meestal 'kosmische') betekenis van Christus, dan is het duidelijk dat het antwoord op de vraag naar die betekenis, spreekt over Christus en over de kosmos. Wie spreekt over Christus toont in zijn spreken minstens ook een bepaalde geloofs- of ongeloofsvisie op Christus. En wie spreekt over de kosmos, hanteert eveneens in dat spreken onvermijdelijk een mede geloofsmatige visie op de kosmische werkelijkheid. Bijvoorbeeld: bijbels, materialistisch, substantialistisch, spiritualistisch, hetzij theoretisch met schema's en al, hetzij meer praktisch 'wereldbeschouwelijk'. Theologisch beschouwd vergen dus zowel de christologie als de kosmologie onze aandacht. Eerst afzonderlijk, dan in verband met elkaar.

5. Christologie
We stellen voorop dat de Bijbel nergens spreekt over de theorie van 'de twee naturen'. Dat is een theologische uitdrukking die, zoals bekend, kerkelijkconfessioneel geijkt is (Chalcedon 451), en in het christelijk spraakgebruik volledig is ingeburgerd. We belijden daarmee ons geloof dat Christus echt mens was en tegelijk de Zoon van God. Allerlei dwalingen in de eerste eeuwen hebben de kerk genoodzaakt daartegen stelling te nemen, ten dele met overname van de termen die de dwaalleraars zelf gebruiken. Dat kunnen we nu laten rusten.
Waar het nu om gaat is dat wij niet, zoals vaak gedaan is, in onze geloofsoverleggingen Christus theoretisch opsplitsen. Christus zou volgens bepaalde hanteringen van de theorie der twee naturen, bijv. in zijn dagelijks leven (inclusief honger en dorst, droefheid, verwondering en vermoeidheid) maar vooral in zijn lijden en sterven getoond hebben dat Hij inderdaad een mens was. 'God kan niet lijden' is een bekend gezegde.3 Zijn wonderen echter zou hij gedaan hebben vanuit zijn goddelijke natuur. Een mens kan als regel geen wonderen doen. Als de Schrift dus spreekt over Christus, dan moet de ene keer de menselijke natuur bedoeld zijn, de andere keer de goddelijke natuur en soms de beide naturen tegelijk.
Als de Schrift zegt dat alle dingen 'door Christus' geschapen zijn, dan zou dat door Christus-als-Zoon van God (samen met de Vader en de Geest) gedaan zijn, en niet door Christus-als-mens. God schiep dan wel door Christus naar diens eeuwige goddelijke natuur, als nog-niet-vleesgeworden Woord, als 'praeëxistente Logos', (Logos-asarkos), maar niet door Christus als 'ook mens'.

6.Een kritische opmerking
Deze theologische interpretatie nu lijkt mij niet juist. Als de Schrift spreekt over Christus, dan is bedoeld de concrete mens Jezus die daar rondliep in Kanaän, bijvoorbeeld in Jeruzalem, en die tegelijk Gods eeuwige Zoon was.
God en mens, inderdaad, en zoals de kerk in Chalcedon uitdrukkelijk beleden heeft: ongedeeld en ongescheiden.
Het ondoorgrondelijk één zijn van God en mens, in die éne Persoon. Het spreken over Christus 'alleen naar zijn goddelijke', of 'alleen naar zijn menselijke 'natuur', is abstract theoretisch. Weliswaar niet zinloos, niet ongeoorloofd, maar ook niet concreet en praktisch. De Bijbel zelf spreekt niet over aparte 'naturen' van Christus en spreekt ook niet apart over de ene 'natuur' of over de andere 'natuur'. Terecht heeft de kerk dan ook (zij het achteraf bezien in een gebrekkige formulering) beleden dat die twee zgn.
'naturen' in elk geval ongescheiden zijn. Jezus zelf heeft eens de farizeeën vastgepraat met de vraag hoe dat nu kan dat David de Messias zijn zoon noemt, maar ook zijn Heer (aan de rechterhand van God in de hemel). Ze konden en durfden niets meer te zeggen. Maar Jezus zelf gaf ook geen antwoord op de vraag hoe dat nu kon.
Ook niet met behulp van een tweenaturentheorie! (Matth. 22:41-46).

7.Is de probleemstelling wel juist?
Dit stelt ons traditionele denken echter voor een groot probleem: hoe kunnen alle dingen 'door Christus' geschapen zijn, als de naam Christus staat voor Hem die ook mens was? Heeft Christus dan ook als mens alle dingen geschapen? Moeten we hier dan toch niet splitsen? (Ondanks onze belijdenis van het ondeelbaar en ongescheiden zijn van 'de twee naturen'?) Er staat dan wel dat God alle dingen door Christus schiep, maar staat de naam Christus hier dan eigenlijk niet voor 'de Logos', voor het Woord, en daarmee is dan toch alleen bedoeld de 'tweede Persoon', God-de-Zoon, vóór de vleeswording (de 'Logos asarkos').
Want hoe kan Christus, als hij ook een geschapen menselijke natuur heeft, er dan vóór de (overige) schepping zijn?
Hoewel. .., Hij wordt ook door Paulus in Col. 1:15 ook de 'eerstgeborene van de ganse schepping' genoemd, éérste schepsel dus. In dezelfde lijn ligt de vraag: hoe kan Christus 'Zoon van David' en 'Zoon des mensen' genoemd worden, en tegelijk Schepper en 'wortel' van David, van alle mensen en van alle dingen? Hoe kan deze concrete persoon Jezus Christus, die geboren werd uit de maagd Maria, met grote nadruk zeggen: Voorwaar, voorwaar, eer Abraham was, ben ik? (Joh. 8:58).
Moet het antwoord op deze vraag, dat opnieuw door Jezus zelf niet gegeven werd, dogmatisch luiden: ja, alleen vanwege de goddelijke natuur? Naar ik meen is een ander, meer bijbels verstaan mogelijk en noodzakelijk.
Later zou de schrijver van Hebreeën, geïnspireerd door de Heilige Geest, zijn verrassende greep doen door te wijzen op 'de orde van Melchizedek'. Wel met de toevoeging dat dit geen lichte kost ('melk) is (Hebr. 5:10-11). Ik kom er op terug.
We behoeven ons er niet over te verbazen, dat de zgn. christologische strijd enkele honderden jaren geduurd heeft in de vroege christelijke kerk, en sindsdien nog weer heel vaak is opgelaaid. Ook in onze eeuwen zelfs binnen min of meer geestverwante theologie. Men leze er de rijk gedocumenteerde twee boeken van Berkouwers 'Dogmatische Studiën' over de christologie maar op na. Naar ik hoop aan te tonen spreekt de werkelijkheidsbeschouwing hier een belangrijk woord mee in de theologische verschuivingen die de christologie telkens opnieuw doormaakt. Daarom zullen we de volgende keer wat opmerkingen daarover maken in verband met de reformatorische kosmologie.

Noten:
1 Vgl. Rom 11:18 '..niet gij draagt de wortel, maar de wortel u'.
2 Overigens is het jammer dat in de natuurwetenschappen het woord kosmologie alleen nog gebruikt wordt voor een deel der astrofysica:
3 Zowel theopaschieten als patripassianen zin in de vroege kerk, evenals in onze eeuw, door de meer traditionele orthodoxe theologie afgewezen. M.i. niet geheel ten onrechte, maar wel met boter op het hoofd.

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief