'...hoe de oorlog is verdwenen...' (5)
1995-08-25
Vijftig jaar onafhankelijkheid. Indonesië is een halve eeuw oud en dat is herdacht. In de discussies over dit niet bepaald onomstreden gebeuren dreigt echter een ander minstens zo belangrijk feit aan de aandacht te ontsnappen: de capitulatie van de Japanners op 15 augustus 1945. Het volk dat Azië vijf jaren in haar greep hield, terwijl Duitse militairen Europa platwalsten. In het voormalig Nederlands-Indië kwamen talloze Nederlanders om in de strijd of in de kampen.- Jaargang 39
- nummer 17
Zo niet Tom Fijan. Hij overleefde transport na transport van kamp naar kamp. Een oude Japanse deken, een lepel en vork en een wit uitgeslagen bijbeltje is het enige wat hij nog heeft uit deze periode. De rest bestaat uit herinneringen. .
"Ik praat er heel nuchter over hoor", waarschuwt hij al door de telefoon. Alsof daarmee al zijn ervaringen niet het vertellen waard zijn. Eenmaal achter een kop koffie in een stoel blijkt al snel het tegendeel. Tom Fijan, een smal gezicht met op het hoofd een bos jongensachtig krullend wit haar en, hoewel je het deze vlotte verteller niet zou geven, bijna 81 jaar oud.
Als afgestudeerd bouwkundestudent vertrok hij op 22-jarige leeftijd naar de Nederlandse kolonie Indië. In dienst van een Nederlandse Aannemingsmaatschappij (Nedam) belandde hij op de tekenkamer van het kantoor in Batavia (Java). "Ik heb er geen moment spijt van gehad. Ik voelde me er thuis. Ook binnen de gereformeerde kerk in Batavia. Het was toch een soort vaderland. De verhouding met de inheemse bevolking was over het algemeen hartelijk. Je verdiepte je echter niet zo in contacten met de inheemse bevolking. Daar heb ik eigenlijk geen verklaring voor. Het is denk ik net zoiets als hier bij bepaalde stadswijken waar veel Turken of andere allochtonen wonen. Daar bemoei je je ook niet mee, als je werk het niet met zich meebreng. Van enige oorlogsdreiging was nog geen sprake. Het leven ging zijn gangetje.
Hitier, zijn ideeën en daden gingen eigenlijk aan Fijan voorbij vertelt hij. In de briefwisselingen met het thuisfront en zijn latere verloofde ging het toch hoofdzakelijk om andere zaken. De inval van de Duitsers in Nederland was voor hem dan ook niet minder dan een donderklap bij heldere hemel. "Ik wilde terug. Vechten tegen de Duitsers. Ik heb me onmiddellijk aangemeld voor een terugtocht, maar dat lukte niet. Achteraf had het ook weinig zin. Binnen een week was de zaak in Nederland immers bekeken", aldus Fijan.
Executies
Direct daarna begon het ook in de Nederlandse kolonie onrustig te worden. Fijan zat bij de genie en kwam om de twee maanden één maand op om versterkingen aan te brengen: "Er was natuurlijk de angst voor Japan. We zagen wel dat de oorlog steeds dichterbij kwam. Na Vietnam en Malakka stonden de Jappen al snel in Singapore. Toen wisten wij wel dat we er nu wel heel dichtbij zaten". Op Java werd nauwelijks weerstand geboden toen het eenmaal zover was. Het had weinig zin met zo'n zwakke legermacht die het eiland zou moeten beschermen. In februari 1942 nam het Japanse leger het voormalig Nederlands-
Indië in bezit. Fijan graaft in zijn herinneringen: "Weet je, ik heb uit die periode een paar hele scherpe herinneringen. Ik zat bij de genie en was gelegerd in Bandoeng toen de Jappen die stad innamen. Ik weet nog dat ik op mijn krib lag, wakker werd en een Jap door de slaapzaal zag lopen. Dat wilde ik niet zien en ik heb de deken over mijn hoofd getrokken". AI snel werd het echter realiteit voor deze jonge architect. Hij werd krijgsgevangengenomen.
Het kamp waar hij verbleef werd afgesloten en bewaakt. In het begin was er nog enige vrijheid, maar de tang werd steeds verder dichtgeknepen. Fijan: "Je vrijheid werd ingeperkt. Het begon met het inleveren van de wapens en dat je niet langer zomaar het kamp meer kon in- en uitlopen. AI snel werd ook het eten minder, werden er verhoren afgenomen, vonden executies plaats. Om ons niet in contact te brengen met de buitenwereld wisselden we regelmatig van kamp. Te voet of in goederenwagons. Je kon vaak niet al je bezittingen meenemen, dus iedere keer moest je iets achterlaten".
Wrok
Voor de meesten was een boek hun laatste bezit. Fijan: "We hielden elkaar bezig door te vertellen over je beroep.
De meesten hadden een verschillende achtergrond, dus dat was interessant. Verder leenden we de boeken die we nog hadden, van elkaar". Veel tijd voor lezen was er echter niet. De Japanners hielden hun gevangenen bezig door ze te laten graven en spitten. Ook kwam Fijan in kampen waar Koreanen de scepter zwaaiden: "Die waren wreder dan de Jappen".
Eén keer werd ook Fijan slachtoffer van een ranselpartij dat een regelmatig terugkerend verschijnsel was: "Ik weet niet eens waarom. Misschien stond mijn gezicht hem niet aan. Of mijn bril. Ik droeg een donkere bril en misschien irriteerde hem dar. Misschien was er ook wel geen reden voor, want dat maakte voor de bewakers geen verschil.
Toch heeft Fijan nooit wrok gevoeld jegens zijn overheersers: "Ik heb ze zelfs met een zekere belangstelling geobserveerd. Het waren beslist geen verloren jaren. Ik heb veel geleerd in krijgsgevangenschap: Ik heb mensenkennis opgedaan, ik ben teleurgesteld en heb me ook verbaasd over hoe mensen kunnen zijn. Maar deze mensen waren in principe niet anders dan bijvoorbeeld de mensen in het bedrijfsleven.
Als je ziet hoe vijandig concurrentieverhoudingen daar kunnen zijn en hoe mensen elkaar daar het leven soms onmogelijk kunnen maken; het is dezelfde mentaliteit, maar het uit zich anders omdat de situatie anders is. Kampbewakers of niet; het zijn allemaal mensen met dezelfde eigenschappen die zich alleen in verschillende situaties anders uiten".
De gewone man
Dat is wel heel erg nuchter gesteld. Misschien door de tand des tijds? Fijan: "Nee ik heb de situatie toen aanvaard zoals die was. Wat kon ik er immers aan doen? Door aanvaarding verwerk ik het. Opkroppen heeft alleen maar negatieve gevolgen voor je persoonlijk. Bovendien verkramp je als je je gaat verzetten. Zo raak je alleen maar je eigen vrijheid kwijt, omdat je er niet meer boven staat. Zodra je moeite hebt met een situatie, sta je er al niet meer boven en ben je je vrijheid kwijt. Ik heb het aanvaard en het achter me gelaten". "Het is geen dieptepunt geweest in mijn leven, maar een leerpunt. Ik ben opgevoed met respect te hebben voor hooggeplaatsten in de samenleving, ouderen en voor wat anderen zijn en kunnen. In de kampen zag ik echter dat voor die mensen alle remmen wegvielen. Ik heb gezien hoeveel egocentrisme er is onder hooggeplaatsten, tegenover kameraadschap bij de gewone man. Daarin ben ik teleurgesteld. Niet in de mensheid. Mensen zijn essentieel overal gelijk. De verschillen ontstaan door onder andere de cultuur waarin mensen leven. Ik heb aan deze periode ook geen chronisch wantrouwen overgehouden. Maar het is wel zo dat ik bij zakelijke contacten duidelijk maak dat ze mijn vertrouwen niet moeten beschamen, want dan is het afgelopen. Ze krijgen van mij alle vrijheid, maar 0 wee! als ze het beschamen.
Atoombom
Fijan weet niet hoeveel kampen hij in die drie en een half jaar bezocht heeft. Van Bandoeng naar Batavia, van Batavia naar Soerabaja en vandaar weer terug naar Batavia. Daarvandaan op transport naar Singapore, naar Bangpong met met bestemming Birma en de beruchte spoorlijn. Fijan viel echter uit tijdens laatstgenoemd transport. Hij werd ernstig ziek en bleef halverwege achter in een ander kamp. "Ik had bascilaire dysenterie en wenste dood te gaan. Toch heb ik er nooit aan getwijfeld dat ik door die periode van krijgsgevangenschap zou komen.
Mèt Gods hulp". De perfecte administratie deed de bewakers al snel ontdekken dat er iemand miste tijdens het appèl. Pas na enkele maanden vonden ze de vermiste in een kamp waar ook veel Engelsen zaten. Fijan was inmiddels zover hersteld dat hij kon helpen in de verplegende staf. Hij maakte hier veel ellende mee: Doodzieke mensen, amputaties tussen her en der verspreid liggende lichaamsdelen. De bevrijding kwam tijdens een transport over de rivier Mekong. "We vermoedden wel dat er iets gaande was. Toen het bericht ons bereikte dat er een atoombom was gegooid op Japan, werden we teruggebracht naar het kamp. Niemand van ons wist echter wat dat was, een atoombom. We hadden drie en een half jaar in afzondering geleefd. Ook had ik in die periode geen contact gehad met mijn ouders en Joop (zijn vrouw, MB). Pas toen ik op het punt stond terug te keren naar Nederland kreeg ik bericht van hen, waaruit ik begreep dat ze nog leefden.
Ellende
Waar alle krijgsgevangenen voor moeten waken is een negatieve gedachtegang. Fijan heeft daar op zijn eigen manier tegen gevochten: "Ik kan er geen recept voor geven. Het was bij mij zoiets als een kind en zijn vader en moeder. Ik wist dat ik voor Gods ogen leefde. Ik ben me ook al die jaren bewust geweest van een stem die me zei dat ik hier uit zou komen. Ik leefde zowel in de schaduw als in het licht. Zo leven geeft een blij leven. Niet dat je dan van je zorgen af bent, maar je hoeft niet alles zelf op te lossen. Kinderen kloppen immers ook bij hun ouders aan! Ik heb me vooral in die periode erg aangetrokken gevoeld door de psalmen van David. Ze zijn bijna allemaal geschreven in ellende.
Toch eindigen ze allemaal met een lofzang, waarbij hij zichzelf steeds weer betrekt bij de gemeente, Gods volk".
Begin januari 1946 arriveerde Fijan in Waalwijk bij zijn ouderlijk huis. Na de eerste drukte viel hij in een gat: "Ik was heel erg vermoeid en had nergens zin in. Ook kon ik om het minst of geringste in huilen uitbarsten". Na verloop van tijd ging dit over en Fijan kenmerkt deze periode als een tijd van verwerking. Daarna zegt hij geen last meer te hebben gehad van zijn oorlogservaringen in krijgsgevangenschap: "Na jaren droomde ik een keer over een Japanner. De volgende morgen zei ik tegen m'n vrouw: Je raadt nooit waar ik vannacht over gedroomd heb: Over een Jap! En dat was ook de laatste keer."