Hoe houden we de kerk bij de jeugd? (1)
1995-08-25
Het onderwerp van dit artikel raakt ons als ouders, als ouderlingen, als mensen die betrokken zijn bij het opgroeien van jonge mensen in deze wereld en in de kerk. Het aspect dat centraal stond in de andere bijdrage aan de conferentie (Hoe houden we de jeugd bij de kerk?) is daarbij het eerste dat in ons opkomt. In die bijdrage werd benadrukt dat het gaat om de kern van de zaak, en daarmee feitelijk om een andere vraag: hoe houden we de jeugd bij Christus? In deze bijdrage aan de gedachtewisseling zal het u niet gemakkelijk gemaakt worden.- Jaargang 39
- nummer 17
In de eerste plaats ligt de vraag van vanmiddag moeilijker: hoe houden we de kerk bij de jeugd? Dat suggereert op zijn minst dat het niet alleen gaat om een bepaalde methode van met de jeugd omgaan, maar dat de kerk zelf ook misschien wel moet veranderen. In de tweede plaats zal het bemoeilijkt worden omdat een soortgelijke verandering wordt doorgevoerd in de centrale vraagstelling. De fundamentele vraag is niet hoe we de kerk bij de jeugd houden, maar: hoe houden we de kerk bij Christus? Dat heeft er alles mee te maken. Het gaat niet om een bepaalde vormgeving of taal alleen, die we moeten zien te vinden om ook in 1994 de jongelui bij de Here God te kunnen betrekken; we staan voor de uitdaging om de fundamenten van ons geloof en de fundamenten van de kerk grondig te overdenken. Dat gaat veel verder dan de concrete vraag maar heeft er wel rechtstreeks mee te maken.
De kerk staat voor een onmogelijke opgave. Dat is niet alleen vandaag het geval, het geldt voor de kerk van alle tijden en van alle plaatsen. Die opgave is onmogelijk omdat ze tegenstrijdig is. Het gaat om het volgende. Enerzijds heeft de kerk de opdracht het evangelie in haar zuiver vorm te behouden, anderzijds heeft ze de opdracht het evangelie in haar eigen taal en cultuur vorm te geven omdat zonder dat het evangelie niet functioneert, misschien wel niet bestaat. Het gaat om de goddelijke waarheid in de openbaring, maar wanneer je die los maakt van concrete vormen, situaties en tijden, dan wordt het een abstracte gedachte die vervliegt en niets meer te maken heeft met het evangelie. Aan de andere kant, wanneer je dat evangelie wel vorm geeft in de concrete werkelijkheid, handen en voeten, dan is het binnen de kortste keren een heel ander evangelie geworden.
Dit dramatische proces is door de Franse wijsgeer Jacques Ellul genoemd de perversie van de openbaring.
Het christendom kent volgens hem een geschiedenis waarin steeds weer en op alle fronten de openbaring geweld is aangedaan. En dat niet alleen in bepaalde opzichten, door bepaalde mensen of stromingen of in bepaalde situaties, maar feitelijk overal, door iedereen en in alle opzichten. Dat is een aanklacht die niet plezierig overkomt, en om die reden door velen verworpen wordt. Het lijkt mij toe dat er heel wat in zit, en dat het voor het onderwerp van dit artikel vruchtbaar is om die vraag te doordenken. Daarbij worden gedachten van Ellul gebruikt, maar de vormgeving, verwoording en toepassing komen voor mijn rekening. In dit artikel wordt ingegaan op een drietal punten van de aanklacht: de kerkelijke leer, de kerkelijke moraal en de kerkelijke structuur. Daarna komt de mogelijkheid van een vernieuwd en gezuiverd christendom aan de orde, en tenslotte wordt de lijn teruggebogen naar de concrete vraag.
De kerkelijke leer
De openbaring van God is een geheimenis. Zo lees je dat in de Bijbel zelf al. God openbaart zich, toont zichzelf aan ons, maar die onthulling geschiedt op een verhulde wijze. Niemand heeft ooit God gezien, behalve de Zoon. Dat is ook precies de reden dat we geen beeld van God mogen maken. Hij openbaart zich, maar tegelijkertijd onttrekt Hij zich aan onze waarneming. Hij komt ons nabij, is in ons midden, en tegelijkertijd hebben we daar geen greep op. Het blijft een geheimenis waar we aan raken, naar tasten, en dat we aarzelend trachten onder woorden te brengen. Niet - in de woorden van Augustinus - om werkelijk iets te zeggen, maar om niet geheel te zwijgen.
We mogen God kennen, maar hoe meer we van Hem weten, des te meer beseffen we ook dat we Hem nooit werkelijk zullen kennen, zullen doorgronden.
Dat stelt ons echter voor grote problemen. Immers, niet alleen ons eigen denken, maar ook de vragen vanuit de wereld om ons heen, en ook de vragen van jongeren in onze eigen kerken brengen ons ertoe verder te gaan dan alleen dit geheimenis. Als we denken aan de geschiedenis van de christelijke theologie, aan leerstukken als de drie-een-heid, de uitverkiezing, het verbond, de voorzienigheid en het lijden, de ware kerk (en wat al niet meer), dan zien we telkens weer een beweging vanuit het geheimenis naar concrete eenduidige antwoorden op de vragen. Niet dat iemand van ons op al die vragen de volledige en uiteindelijke antwoorden kent, maar we blijven er naar streven er in elk geval een redelijke beantwoording van te vinden.
Redelijk, in de zin van voldoende en in de zin van verstandelijk. Deze beweging is noodzakelijk en onmogelijk tegelijk. Noodzakelijk, omdat het leven met alleen een geheimenis teveel vragen openlaat, en de vragen waar het om gaat zijn vragen die het diepst van ons bestaan en van ons behoud raken. Tegelijk is het een onmogelijke beweging. De openbaring zelf is - en naar mijn overtuiging doelbewustniet redelijk, niet systematisch gestructureerd, en niet vrij van tegenstrijdigheden.
Het blijft ook voor ons een dwaasheid. De HERE heeft er voor gekozen zich niet te openbaren in twaalf dogma's en tien geboden, maar in een bundel van verhalen waarin we deelgenoot worden van een wereldschokkende heilsgeschiedenis. Iedere systematische verwoording van het wezen en werken van de Here God om antwoord te geven op onze wezenlijke vragen is daarmee een kunstgreep, een ontworteling van de openbaring en binnen de kortste keren een ontkrachting en zelfs verkrachting van de openbaring zelf. De leerstukken van de drie-een-heid, de uitverkiezing, het verbond, de voorzienigheid en het lijden, en de ware kerk leveren niet alleen meer vragen op dan ze beantwoorden, ze zijn ook in zichzelf en per definitie van een volstrekt andere orde dan de openbaring zelf.
In een logische redenering gaat het er om dat je op een systematische, bijna wiskundige manier de vragen doordenkt, en zo bij een antwoord terechtkomt. Eén van de uitgangspunten bij zo'n logische redenering is dat er geen tegenstrijdigheden in mogen zitten; de vorm waarin de openbaring ons gegeven is laat per definitie ruimte voor tegenstrijdige elementen. Het probleem van de kerkelijke leer of de christelijke dogmatiek is nu dat dit een zo systematisch stelsel is, dat de bijbelse tegenstrijdigheden daarin moeten worden opgeruimd. Zo komen we wellicht tot een duidelijk gereformeerd, christelijk, of zelfs bijbels denksysteem, maar dat is iets anders, iets heel anders dan het levende Woord van God.
Het probleem is dus dat we enerzijds er niet aan ontkomen om de openbaring te systematiseren, terwijl anderzijds de systematisering in zichzelf op gespannen voet staat met de openbaring. Anders gezegd: we hebben de leer nodig, maar de leer is niet hetzelfde als het Woord van God. Wanneer we het hebben over de verhouding van kerk en jongeren zullen we hier rekening mee moeten houden. We zullen het als kerk moeten aandurven om de leer onder kritiek te stellen, om niet meteen de oude antwoorden te herkauwen, maar de nieuwe vragen serieus te nemen. De kerk bij de jeugd houden betekent dat we de zekerheden van een duidelijk dogmatisch systeem tussen haakjes durven te zetten.
Daarmee is niet bedoeld dat de oude zekerheden zomaar overboord moeten worden gegooid. Het gaat er om dat we terugkeren naar 'de openbaring zelf. Alleen wanneer de kerk - ook in de leer - terug gaat naar Christus zal ze de jeugd bij Christus kunnen brengen of houden.
De kerkelijke moraal
De openbaring van God is niet alleen het geheimenis dat op gespannen voet staat met onze leerstellige systemen, het is ook de bevrijdingsboodschap die op gespannen voet staat met onze moraal. Feitelijk speelt zich hier precies hetzelfde proces af als bij de leer. In de openbaring is het heel duidelijk dat God telkens weer bezig is de menselijke moraal af te breken en mensen terug te brengen in de zuivere en directe omgang met Hem zelf. Dat zien we het duidelijkst natuurlijk bij de Here Jezus die hoeren, tollenaars, Farizeeërs en vrouwen, romeinen en kinderen in genade tegemoet treedt.
Zo ver gaat zijn genade dat de christelijke geschiedenis gekenmerkt wordt door pogingen om het radicale genade-woord van de Here Jezus Christus te ontkrachten.
Duidelijk zien we dat bij de reacties op de Bergrede. Wat heeft de kerk daar een problemen mee gehad. Grofweg kan dan gezegd worden dat de ene helft de woorden van de Heiland afdoet als onuitvoerbaar, als een vroom ideaal dat in de lucht blijft hangen als een vliegtuig zonder landingsbaan, wachtend op het moment dat de brandstof op is en het toestel neerstort.
De andere helft verwerkt de woorden in een overal geldige ethiek, die van mensen krampachtige tobbers maakt omdat ze weer niet geslaagd zijn in het examen van het geloof.
Heel concreet zien we het ook bij de kerkdiensten. Terwijl de voorgangers hun best doen om de genade van God te bedienen, horen tal van gemeenteleden vooral de aanklacht van de zonde in hun leven of de eis om het nu eindelijk eens beter te gaan doen. Dat ligt niet alleen aan de verwrongen geest van de luisteraar. Het is een erfenis van eeuwen, waarin de bevrijdende woorden van Gods liefdesverbond gelezen werden als tien geboden, waarin de gelovige geleerd werd zichzelf in denken en voelen te wantrouwen en te buigen. Dat buigen zou nog niet zo erg zijn als mensen geleerd werd te buigen voor het Woord van God en dat in het eigen leven concreet gestalte te geven op een wijze die past bij hun eigen leven. In plaats daarvan leren mensen te buigen voor de moraal van de kerkelijke gemeenschap, die met massieve woorden onontkoombaar en als met goddelijk gezag wordt gepresenteerd. Juist op het punt van de moraal horen we keer op keer de verzuchting dat jongeren zozeer in de wereld leven dat ze een onchristelijk bestaan gaan leiden. Dat gebeurt ook inderdaad, maar misschien wel niet zo vaak als wij denken. Wanneer ze een bepaalde kerkelijke moraal afwijzen hoeft dat geen breuk te zijn met de openbaring van Gods genade. Het probleem zou kunnen zijn dat we hen als kerk geen mogelijkheid hebben geboden om eigen keuzes te maken op grond van dat genadewoord.
Ook hier geldt dus dat de moraal in conflict is met de openbaring. In de Schrift zien we telkens weer de menselijke moraal afgebroken worden. Tegelijk kan een christelijk leven en ook een christelijke gemeenschap niet zonder moraal. We hebben het nodig om het evangelie van de genade gestalte te geven in het dagelijks bestaan, en dat omvat alle terreinen van het leven. Het is nodig om helderheid te krijgen en te geven over wat de HERE van ons vraagt en hoe we dat zullen moeten doen. Die helderheid is in waarlijk christelijke zin echter alleen mogelijk wanneer Gods Woord en de openbaring van zijn genade en barmhartigheid voortdurend zichtbaar blijft, wanneer er niet een verstikkend net van regels ontstaat, maar een hartstochtelijke uitnodiging om op verantwoordelijke wijze het eigen leven te leiden in verbondenheid met God.
Daarvoor zullen we naar de kern terug moeten, naar de onweerstaanbare genade van de Here God. Alleen wanneer de kerk - ook in de moraalterug gaat naar Christus zal ze de jeugd bij Christus kunnen brengen of houden.
(wordt vervolgd)
Noot:
1) Lezing gehouden op de ouderlingenconferentie, 1994.