Het leven van een theoloog
1995-08-25
Het is alweer bijna een jaar geleden dat ds. W. Janse van Oegstgeest naar Apeldoorn reisde om er de doctorstitel te behalen. Het lijkt dan ook wat laat, nu nog de verschijning aan te kondigen van het boek dat het die waardigheid verschafte: ‘Albert Hardenberg als Theologe. Profil eines Bucer-Schülers’.- Jaargang 39
- nummer 17
De enige verontschuldiging die ik voor mijn traagheid kan vinden is dat de lezers van Opbouw daardoor wat meer tijd gekregen hebben het geld voor de aankoop bijeen te sparen. De prijs - 225 gulden - is het onvriendelijkste dat je over het boek kunt zeggen. Maar voor prijzen zijn auteurs niet verantwoordelijk. En het is natuurlijk ook belangrijker, te weten waarover zo'n boek gaat dan wat het kost. Laten we daarom kort de inhoud samenvatten.
Inhoud
Albert Hardenberg was een Nederlands theoloog uit de zestiende eeuw. Hij werd omstreeks 1510 geboren in de plaats waar hij zijn naam aan ontleende, en stierf in 1574 te Emden als predikant van de gereformeerde gemeente. Vanaf zijn studietijd in Leuven heeft hij de reformatie van de kerk voorgestaan en bevorderd, in prediking en ambtsbediening, en door de uitgifte van een lange reeks theologische geschriften. Die weerspiegelen, zoals Janse duidelijk aantoont, de invloed van het denken van de Straatsburgse reformator Martin Bucer. Het boek is zeer systematisch opgebouwd.
In drie delen van toenemende lengte behandelt Janse achtereenvolgens de biografie, de theologie, en de plaats van Hardenberg in de theologie van zijn tijd. Driemaal begint Janse dus bij het begin, elke keer spit hij door tot de bodem, en plaatst hij al het gevondene ordelijk bij elkaar. Zo onstaat vanzelf een zeer omvangrijk geheel, en het moet de auteur grote voldoening gegeven hebben, toen hij eindelijk bladzijde 483 kon beginnen met de woorden: 'nu we de drie opgaven van onze studie hebben volbracht ...' Maar met bibliografie, correspondentie, registers en bronnen volgen er nog altijd wel zo'n 120 pagina's.
Geen knipselkrant
Het boek is niet in de eerste plaats een biografie. Met die verwachting moet men het ook niet lezen, want het heet niet voor niets: Albert Hardenberg als theoloog. Het is een dogmenhistorische studie, die poogt te ontdekken en ook inderdaad weet aan te geven, wat Hardenbergs plaats is te midden van de theologen van zijn tijd. Daarbij vallen heel wat namen, dikwijls groter dan de zijne: Melanchthon, Zwingli, Bucer à Lasco, Calvijn. Met ieder van hen heeft Hardenberg punten van overeenstemming, en je raakt dan geneigd hem te zien als een tamelijk onzelfstandige geest, die bijeenzamelt wat hij aan goeds bij anderen heeft gevonden; een eclecticus, om het in de taal van de wetenschap te zeggen.
Janse weet er echter meer van te maken. Hardenbergs heeft niet een theologische knipselkrant of een plakboek voor dogmatisch onderwijs samengesteld. Zijn werk vertoont eenheid, en wel die eenheid, die boven de nuanceringen binnen de reformatie uitstijgt. Dat klinkt nogal ingewikkeld - al is de formulering in Janses eigen Duitse tekst aanzienlijk gecompliceerder - en vraagt dus enige toelichting. Daarbij gaat het er om, nader te bepalen wat eigenlijk Hardenbergs plaats geweest is binnen de beweging die we de reformatie van de zestiende eeuw noemen.
We maken ons dan gedeeltelijk los van Janse, die Hardenberg wel neerzet in zijn tijd, maar het tijdsbeeld zelf niet uitdrukkelijk schetst. Hij richt zich dan ook uitsluitend tot lezers die dat niet nodig hebben. Willen we echter hier de persoon en het werk van Hardenberg op hun waarde schatten, dan is wat meer uitleg gewenst voor hen die bij voorbeeld niet uit het hoofd weten wat het verschil is tussen de Augustana Variata en de dito Invariata, of zonder moeite de voornaamste bepalingen kunnen noemen van het Augsburger Interim.
Verwarring
Het eerste dat ik dan zou willen zeggen is dat Janses boek goed laat zien hoeveel verwarring en onduidelijkheid in de eerste helft van de zestiende eeuw heersen op het kerkelijk erf. In 1544 trad Albert Hardenberg in dienst van de aartsbisschop van Keulen. Was Hardenberg dan in 1544 nog rooms-katholiek? Je zou het als argeloze lezer denken - maar hij was voor dat baantje aanbevolen door niemand minder dan Philippus Melachthon, de vriend en medestander van Luther.
Zo'n aanbeveling legde blijkbaar bij de aartsbisschop gewicht in de schaal. Was die dan soms protestant?
Voor ons is het verwarrend, en voor de tijdgenoot was het niet altijd gemakkelijk. Maar wat uit zulke feiten vooral blijkt, is dat we in 1544 nog niet van een heldere en overzichtelijke tweedeling kunnen uitgaan. Luther was zijn hervormingsbeweging begonnen binnen de kerk. De paus had hem toen in de ban gedaan, en daarmee het standpunt van Rome duidelijk gemaakt. Maar voor velen was met dat banvonnis de zaak niet beslist. Zij beschouwden de discussie niet als gesloten, en ze zagen de scheuring van de christenheid niet als definitief. Ze bleven hopen dat er een oplossing gevonden zou worden, die hun zelf nog niet scherp voor ogen stond, maar die moest leiden tot een gezuiverde, herstelde kerk, waar alle christenen elkaar in konden blijven vinden. Zo iemand was ook die aartsbisschop van Keulen. Hij wilde dat de kerk zou veranderen, maar dan de hele kerk.
lets van dat ideaal heeft ook Hardenberg altijd behouden. Bij zijn leven hebben de tegenstellingen zich meer en meer verscherpt, en de eenheid van de kerk wordt een verloren droom . Maar nog in 1566 heeft Hardenberg een beroep gedaan op de roomskatholieke Duitse keizer, Maximiliaan 11,om een concilie bijeen te roepen dat over de kerkelijke vragen een uitspraak zou doen. Daar zien we hem dus optreden als een man, die op zoek is naar eenheid, en streeft naar een kerk waarin plaats is voor allen die Christus belijden.
Theoloog
Wel doet Hardenberg dat altijd als theloog.Daar laat het boek geen twijfel over bestaan. Het is niet omdat Janse daarop nu eenmaal de nadruk legt, maar het is omdat Hardenberg in hart en nieren theoloog is geweest, zodat men zijn persoon niet anders kan beschrijven. Hij wilde de eenheid van de kerk herstellen en bewaren. Het beste middel daartoe was volgens hem de theologische discussie. Het is ook heel begrijpelijk dat hij zo dacht.
Was niet de reformatie zelf op die manier begonnen, toen Luther zijn 95 stellingen aan de theologen had voorgelegd?
Toen ging het om grote dingen, om de kernvragen van christelijk leven en christelijk geloof.
Uit die theologische discussie was de reformatie van de kerk gegroeid. Wat lag dan meer voor de hand, dan haar ook als theologische discussie voort te zetten?
Dat hebben de reformatoren ook gedaan. Daarmee hebben ze zonder enige twijfel de kerk een onschatbare dienst bewezen. Ze hebben de heldere en krachtige belijdenisgeschriften voorbereid die tot vandaag toe hun waarde hebben behouden. Zo hebben ze duidelijkheid geschapen omtrent het belijden van de kerk. De reformatoren hebben er echter ook een prijs voor betaald. Ze zijn de betekenis van de theologie voor de kerk gaan overschatten.
Eenheid van geloof verstonden ze als overeenstemming in de theologie. De grens tussen die twee is ook niet altijd gemakkelijk te vinden. De reformatie had de Heilige Schrift haar centrale plaats terug gegeven. Maar met de Schrift moet men leren omgaan. We zien dat ook in het leven en werken van Albert Hardenberg. Hij heeft al vroeg geleerd dat je een tekst moet begrijpen in zijn verband. Hij toont dus altijd een afkeer van wilde fantasieën, die met de tekst op de loop gaan. Je moet zoeken naar de feitelijke betekenis van de tekst in zijn eigen samenhang, maar daarbij anderzijds ook weer niet in de letter blijven steken. Dat zijn dus goede uitgangspunten voor een gezonde omgang met de Schrift. De praktische toepassing echter blijft haar problemen houden.
Theologische discussie
Hardenberg heeft bij voorbeeld veel gebruik gemaakt van Bucers commentaar op de evangeliën. Dat is duidelijk te zien aan zijn eigen exemplaar, dat nog bewaard is gebleven. Twee hoofdstukken vooral tonen de sporen van intensief gebruik: Mattheüs 3 en 26. Het eerste spreekt van de doop, het tweede van het avondmaal. Hardenberg leest die twee hoofdstukken om de leer van de sacramenten beter te kunnen ontwikkelen en verklaren.
Daar steekt niets verkeerds in. Die beide hoofstukken willen ons ook iets leren over doop en avondmaal. Maar je zult je dan moeten hoeden voor het gevaar, zo'n hoofdstuk dan louter te beschouwen als een verzameling dogmatische bewijsplaatsen.
Aan dat gevaar is Hardenberg niet altijd ontkomen. De dogmatiek neemt bij hem een zeer brede plaats in. Hij hecht veel waarde aan overeenstmming in het geloof, en verstaat dat altijd als overeenstemming in de leer.
Als hij in 1544 Heinrich Bullinger leert kennen, beginnen ze een serie gesprekken waarin de hele geloofsleer behandeld wordt. Tot hun grote tevredenheid blijken ze het volledig met elkaar eens. Dat is de manier waarop christenen elkaar herkennen.
Daarom hecht Hardenberg met velen van zijn tijdgenoten ook zo'n grote waarde aan de theologische discussie.
Zijn vriend Erastus schrijft hem in 1560, als een stukje wonderbaarlijk goed nieuws, dat de landgraaf van Hessen een algemeen godsdienstgesprek wil organiseren, met internationale deelname: Bullinger zou uitgenodigd worden, en Petrus Martyr, en Calvijn ... Wat zouden ze er eigenlijk van verwacht hebben? Eenheid van geloof? Wie dat wil moet er naar zoeken.
Maar Hardenberg en zijn vrienden geven ons meer de indruk, dat ze zochten naar formules. Hardenberg zelf kreeg eens de vraag voorgelegd, of hij een bepaalde lutherse geloofsbelijdenis voor zijn rekening wilde nemen. Neen, antwoordde hij, dat wil ik niet; maar ik ben wel bereid de samenvatting van die belijdenis te ondertekenen, zoals die in 1536 is opgesteld. Wie zo spreekt, verwacht van formules meer dan ze ooit zullen kunnen geven.
Toch kan het waar zijn, wat Janse concludeert: dat Hardenberg zocht naar een eenheid die boven de nuances uitsteeg.
De briefwisseling die hij met Erastus voerde laat zien dat de voortgang van de reformatie in alle landen van Europa hen sterk bezig hield. De kerk was voor Hardenberg niet aan één plaats gebonden, en dan zou ze ook rijker moeten zijn dan één theoloog haar maken kan. Dat inzicht vorm te geven in de praktijk was hem niet altijd gegeven. Maar Hardenberg blijft met al zijn menselijke zwakten een man die zich overgaf aan de waarheid die groter was dan hijzelf.
Wim Janse, Albert Hardenberg als Theoloqe. Profil eines Bucer-Schülers, E.J. Brul Leiden, 1994, XVI en 608 blz.