Jezus' eerste discipelen
1994-01-14
Kom en zie - die twee woordjes aan het eind van vs 47, waarmee Filippus Natanaël uitnodigt, zijn typerend voor de geschiedenis van de eerste discipelen.- Jaargang 38
- nummer 1
De woorden 'komen' en 'zien' beheersen de hele beschrijving in Joh. 1. Het is alsof Johannes op die manier in praktijk wil brengen wat hij aan het begin van zijn eerste brief schrijft als typering van zijn prediking en die van zijn mede-discipelen: "... hetgeen wij gezien hebben met onze eigen ogen, hetgeen wij aanschouwd hebben en onze handen getast hebben van het Woord des levens, ... verkondigen wij ook U, opdat gij met ons gemeenschap zoudt hebben". Zo roept hij: kom en zie, zoals wij gekomen zijn en gezien hebben. Dan hebt U samen met ons gemeenschap met de Vader en met zijn Zoon Jezus Christus (1 Joh. 1:1-3). Zo neemt hij ons in zijn evangelie mee langs woorden en daden van de Here Jezus, om ons te laten ontdekken en geloven, dat Jezus is de Christus, de Zoon van God (20:31), zoals hij en de anderen dat hebben ontdekt. Hij wil ons door hun ogen laten zien en met hun handen leren voelen, wie Christus is. Opdat wij, die niet zelf gezien hebben, zullen geloven als zij, die wel gezien hebben.
De discipelen hebben dat geloven ook moeten leren. Ze hadden lang niet altijd oog voor de heerlijkheid van de eniggeboren Zoon, als ze naar de Here Jezus luisterden, zijn daden zagen, en meemaakten wat Hem overkwam.
In zijn lijdensweg was op het eerste gezicht weinig heerlijkheid te ontdekken. Hij had gedaante noch luister, dat ze Hem zouden hebben begeerd. Een man van smarten, vertrouwd met ziekte. En toch had Jezus het hun van het begin af geleerd. Hij sprak over zijn verhoging (Joh. 3:14) - maar het was de verhoging zoals Mozes in de woestijn de slang had verhoogd: op een paal gestoken - dat was de weg naar het leven.
In de prediking van Johannes de Doper was het al gezegd. In vs 36 wijst Johannes de Doper Hem aan met de woorden: Zie, het Lam Gods! Met die paar woorden wijst Johannes terug naar wat hij een dag eerder breder heeft gezegd: Zie, het Lam Gods, dat de zonde der wereld wegneemt. Na mij komt een man die voor mij geweest is, want Hij was eer dan ik. Opdat Hij aan Israël zou geopenbaard worden, kwam ik dopen met water.
Johannes vertelt, hoe hij de Geest heeft zien neerdalen uit de hemel, die op Jezus bleef. De volgende dag kan hij dit alles weer voor de geest roepen met die korte sàmenvatting: Zie, het Lam Gods!
Dat ene zinnetje brengt de dienst der verzoening in herinnering, zoals die onder het oude verbond verricht werd: door het brengen van dieroffers. Johannes de Doper wijst de Here Jezus aan als het hoogtepunt van die offerdienst.
In het vervolg van zijn evangelie zal de apostel Johannes vertellen, hoe de Here Jezus daar zelf over gesproken heeft - het meest uitvoerig in zijn afscheidswoorden, daarvoor vaak in bedekte termen als in hoofdstuk 2 over het afbreken van de tempel, en in hoofdstuk 3 over het verhogen van de slang.
Hoeveel de twee discipelen, die op dat moment bij Johannes waren, ervan begrepen, kunnen we niet vaststellen.
Wel, dat wat Johannes zei voor hen genoeg was om onmiddellijk naar Jezus toe te gaan. Ze lopen eerst een tijdje achter Hem aan. Ze hoeven zich echt niet af te vragen, hoe ze nu met Hem in contact kunnen komen; daar zorgt Jezus zelf voor. Op een gegeven moment keert Hij zich om en vraagt: "Wie zoekt gij?". Zij (Andreas en waarschijnlijk Johannes) spreken Hem eerbiedig aan met: 'Rabbi'. Daar zit al iets in van: We willen wél Uw leertingen zijn. En dan vragen ze: waar houdt U verblijf? Dat lijkt een verlegenheidsvraag - ze moeten toch wàt zeggen?
Maar er kan in zitten: Waar moeten we dan wezen, als we Uw 'leerlingen willen zijn? Waar kunnen we U zien en horen? Jezus neemt ze mee met de woorden: "Komt en gij zult het zien".
Zo zijn ze meegegaan. Jezus praat met hen, de hele dag. Ze komen gewoon niet meer weg. Zo gaat dat, als iemand iets goeds te vertellen heeft: je krijgt er nooit genoeg van. Voor iedereen die van de bijbel houdt, is dat toch zo? Zo hebben de Israëlieten van de wet van Mozes gezongen: ze is mijn vermaak, de ganse dag. En wij hebben nog meer dan Mozes en de profeten: wat die uit de verte zagen, is werkelijkheid geworden. Filippus zal dat tegen Natanaël zeggen, en Andreas tegen zijn broer Simon: wij hebben gevonden de Messias, wat betekent: Christus.
Eén van de dingen, die in de geschiedenis van die eerste discipelen zo sterk naar voren komen, is dat het zo aanstekelijk werkt als mensen in de Here Jezus hun verlosser gaan zien.
Ze kunnen er niet over zwijgen: Andreas gaat naar zijn broer, Filippus naar zijn vriend, en ze vinden gehoor.
We komen hier nog een kernwoord uit dit gedeelte tegen, het woord 'vinden'.
Andreas vond Simon. Hij zegt: wij hebben de Messias gevonden. Jezus vindt Filippus. Filippus vindt Natanaël, en hij zegt ook weer: we hebben Hem gevonden, van wie Mozes en de profeten gesproken hebben.
Jezus vindt mensen; mensen vindenJezus; mensen vinden elkaar.
Achter dat vinden staat God, die Jezus en mensen aan elkaar geeft. Hij doet zijn Zoon mens worden - doet de Zoon mensen vinden en geeft mensen open ogen zodat zij de Zoon vinden; en met de boodschap van de Zoon elkaar weer vinden. De Here brengt een kettingreactie op gang op de manier van 1 Joh. 1:1-4, dat ik aan het begin citeerde.
De een vindt de ander. Niemand kan het grote nieuws voor zich houden. Zo is de kleine kring van Jezus' discipelen ontstaan. Zo zijn later de gemeenten ontstaan. Zo gaat het tot en met vandaag door.
Mensen, die aan het evangelie gehoor geven, merken dat ze bij de Here Jezus niet als een vreemde aankloppen.
Hij hoeft niet te vragen: he, wie ben jij?
Toen Andreas zijn broer Simon bij Jezus bracht, zei Hij: Gij zijt Simon, de zoon van Johannes, gij zult heten Kefas, wat vertaald wordt met Petrus (vs 43). (Het laatste heeft Johannes er voor zijn Griekse lezers bij geschreven).
Jezus kende Simon. Hij kent ook Natanaël, de man die om te beginnen nog wel een paar vragen heeft. Niet omdat hij een scepticus is of omdat hij niet wil - maar omdat hij goed nadenkt.
Je kunt vragen stellen om afstand te scheppen of om bruggen te bouwen. Natanaëls vragen zijn onderzoekend, niet afwerend. Als er al sprake was van een zekere afweer, dan is die door Filippus' enthousiasme overwonnen. Natanaël heeft zich laten overhalen. De Here Jezus noemt hem niet voor niets "een Israëliet in wie geen bedrog is".
Op wat het evangelie vertelt over de ontmoeting van de Here Jezus met Natanaël wil ik een volgende keer nader ingaan.