De zonde van het inkapselen

1994-01-14
  • Jaargang 38
  • nummer 1
Tijdens een retraite werd dit gedeelte verrassend nieuw voor me: de opdringende schare, de discipelen, met Petrus voorop, zijn enthousiasme over al de wonderen en de Koninkrijksprediking van Jezus. De keerzijde is het gevaar dat ze Hem gaan inkapselen als hun Held.

Wanneer we in Luc. 5:1 lezen dat de schare op Jezus aandrong, zijn we misschien geneigd dit opdringen voornamelijk fysiek op te vatten. Maar als we goed luisteren naar het voorafgaande, dan voelen we een wereld van verwachtingen achter deze inleidende woorden. Het is bekend dat het in Galilea gistte van de revolutionaire beweging. Hoe zou Jezus in zo'n klimaat overkomen? De mensen zagen in de eerste plaats een rabbi in hem, maar één met een heel ander gezag.
Iemand die niet bang was en die in woord en daad loslating voor gevangenen proclameerde. Het aangename jaar des Heren? Het koninkrijk van God nabij gekomen? Wat bedoelde Jezus daarmee? De spraakmakers in een orale cultuur combineren snel.
Een opgewonden menigte trekt dan haar conclusies; vooral omdat men de ontferming proeft die Jezus voor hen, het afgebeulde volk, heeft. Men let meer op signalen dan op woorden en bedoelingen. Het gevaar van inkapseling in Joods nationalisme was dus levensgroot. Dit klimaat - vgl. 4:42 en 5:15,16 - zal Jezus des te meer naar de eenzaamheid gedreven hebben; al zal het verlangen om het contact met en de wil van zijn Vader te zoeken een nog sterker motief geweest zijn.

Afstand
Hetwas dus noodzaak(1) dat Jezus de eenzaamheid zocht, om te bidden. Hij was aangesloten op een Andere Bron.
Hij wilde zijn agenda samen met Zijn hemelse Vader invullen. Hij kon slechts dingen doen die Hij de Vader zag doen (Joh. 5:19-20).
Nu suggereert de genezing van Petrus' schoonmoeder (4:38-39), in samenhang met het gedeelte dat we nu bestuderen, dat Jezus sterk in zijn gedachten met Petrus bezig was. Het lijkt me daarom niet onaannemelijk dat Jezus juist in zijn gebeden wijsheid zocht om deze kandidaat-volgeling en zijn metgezellen te vormen, om ze op het juiste spoor te zetten. In dat licht bezien kan Hij als volgt gebeden hebben: "Vader, hoe voorkom ik dat mijn leerlingen met mij als hun wonderdoener aan de haal gaan?"
In hoofdstuk vijf zien we Jezus dan heel rustig en weloverwogen in een schip weg van de oever gaan, weg van de opdringende schare. Hij leerde hen vanuit een vissersbootje. Heel praktisch.
Een natuurlijk amfitheater. Bij de Indianen leerden we dat je stem over het stille water heel ver draagt. Maar ik denk dat het meer dan een praktische ingeving was. We weten niet of het gebeurde in hfdst. 4 chronologisch nauw aansloot op hfdst. 5.
Vergelijking met de andere evangeliën doet vermoeden van niet. Maar in ieder geval stond de opdringende schare Hem helder voor de geest, letterlijk en figuurlijk. En Petrus was in zijn gedachten. Het lijkt mij voor de hand liggend te denken dat Jezus hier al bewust iets wilde laten zien. NI. dat er een afstand(2) was tussen zijn weg en de verwachtingen van zijn toehoorders, dat Zijn koninkrijk bepaald niet samenviel met wat de mensen ervan dachten.

Teken
Uit het teken dat nu volgt blijkt inderdaad dat we het in die richting moeten zoeken. De mensen, de vakbekwame visser Petrus voorop, hebben een heel ander paradigma, een ander perspectief nodig. "Ga naar diep water..."
Professionele predikers kunnen dat prachtig uitwerken. Deze opdracht druist wel zo in tegen het natuurlijk denken, dat het om een radicale wedergeboorte vraagt. Petrus moet alle vertrouwen op eigen bekwaamheid, alle natuurlijke berekeningen overboord zetten.
Wonder boven wonder besluit hij, na een begrijpelijke tegenwerping, in gehoorzaamheid te doen wat Jezus zegt. "...maar op uw woord zal ik de netten uitzetten." Op uw woord. We kunnen ook vertalen: "Maar omdat U het zegt..." Dan komt het meer gelaten over, zo van: "Om u een plezier te doen wil ik het wel proberen, maar als visser weet ik dat het niet zal lukken."
In dat geval kunnen we Petrus' schuldbewuste reactie na de vangst lezen als een belijdenis in geloof te kort geschoten te zijn. Toch denk ik dat de NBG-vertaling juist is: Op uw woord. Petrus heeft ongetwijfeld het woord van Jezus als machtswoord leren kennen (4:32,36).
Wat wilde de Here Jezus nu primair met dit teken zeggen? Vanwege het eerder aangeduide verband denk ik aan het volgende: "Petrus, enthousiaste volgeling, bedenk dat mijn weg en mijn werk totaal anders is dan jij verwacht. Dat Ik niet afga op wat voor ogen is, niet uitga van berekeningen of natuurlijke bekwaamheid. Dat Ik niet in te kapselen ben. Mijn koninkrijk is niet van deze wereld. Ik zie het hart aan."

Petrus' reactie
Dat het hart van Petrus 'recht voor God' was blijkt wel uit zijn reactie: hij viel in aanbidding neer en zei: "Ga uit van mij, want ik ben een zondig mens." Hieruit klinkt niet het zelfvertrouwen dat we van Petrus gewend zijn. Eerder wanhoop. Ik heb me vaak afgevraagd: vanwaar opeens dit diepe schuldbewustzijn? Wij zouden - zeker bij Petrus - toch eerder uitroepen van enthousiasme verwacht hebben?
Ik kom er eigenlijk alleen maar uit als ik bedenk dat de Joden gevoelig voor tekenen waren en dat Petrus de sprake van dit wonder begrepen moet hebben. Hij heeft, dunkt me, de zonde van het inkapselen van de Here in zijn eigen verwachtingen als zonde beleden.
GeZien als afgoderij en als blijk van zijn onwaardigheid. Dat bracht hem op de knieën. Deze zonde is niet alleen typisch voor Petrus, maar ook zeer herkenbaar voor ons, latere christenen. "Meester, het is goed dat wij hier zijn, laten wij drie tenten opslaan..." Wij willen de genade vasthouden, kanaliseren in onze structuren.

Nog steeds actueel
Deze verzoeking heeft de hele geschiedenis van de christenheid getekend.
Zij is nog steeds actueel. Simon de tovenaar, die dacht met geld over de heilige Geest als macht te kunnen beschikken, (Hand. 8:18) bleef de kerk achtervolgen(3). Voor geld kunnen we ook andere dingen invullen. Er zijn subtieler vormen van inkapseling. We kunnen bijvoorbeeld heel evangelisch bezig zijn en toch ergens in het schema van de wereld gaan. Een geestelijk begonnen werk wordt dan een goed geoliede machinerie. Niemand is daar immuun voor. Met name in tijden van conflict kunnen we de bijbel soms merkwaardig goed naar onze standpunten toelezen, zelfs in onze gebeden.

Precies daar
Voor Petrus werd het diepe water de plaats van botsing met zijn natuurlijke denken. Maar ook een plaats van ontmoeting met Hem. Daar ontdekte hij dat Jezus dè' totaal Andere is. Daar ontdekte Jezus Petrus aan zichzelf. Hij werd klein en viel in aanbidding voor Jezus neer.
We hebben allemaal wel zo'n 'diep water' in ons leven. Ik bedoel specifieke problemen of tijden waarin we de Here uiterst moeilijk kunnen vertrouwen.
Tijden dat we niets meer van Zijn wegen begrijpen. Precies daar wil Hij ons tegemoet komen. Er is dan vaak nog geen visje te zien, maar toch ervaren we dan al iets van Gods "wonderbare goedertierenheid in de gloed der benauwdheid!" (Ps. 31:22). In het geloof, in een meelevend gebed, een ontmoeting waarin de Here meekomt.
Van nature val ik zomaar terug op ervaring en vertrouwde patronen. We zeggen al heel gauw: "Nee, dat kan de Here niet bedoelen." Hoe worden we toch van de neiging tot inkapseling van het heil verlost? Een eerste vereiste, zo leer ik uit deze pericoop, lijkt een eerbiedig en ontvankelijk ingaan op Gods Woord: "op Uw woord zal ik de netten uitzetten". We kunnen ook zeggen: een discipelschap zoals beschreven in Jac. 1:21. Alleen zo leren we met Petrus de neiging tot inkapseling als zonde zien. Alleen zo worden we van onze verkeerde voorstellingen en verwachtingen gereinigd.

Ga uit van mij
"Ga uit van mij, want ik ben een zondig mens, Here," Die wanhoopskreet kon niet uitblijven, na zo'n ontmoeting.
Het is opvallend dat Jezus hier niet meer werd aangesproken als 'Meester' (epistata), maar als 'Here' (kurie).
Hier klinkt ongetwijfeld een versterkt bewustzijn mee dat Jezus van God kwam. Maar Petrus' van de kaart zijn en zijn belijdenis van eigen onwaardigheid domineert. Dit blijkt m.i. uit de toelichting die Lucas in vs. 9 geeft.
Letterlijk vertaald: "Want ontzetting had hem aangegrepen, (hem) en allen die met hem waren, (nl.) over de vangst van de vissen die ze gedaan hadden." Het Griekse woord Thambos (NBG 'verbazing') komt behalve hier alleen nog voor in Luc. 4:36 en in Hand. 3:10 en duidt op verbazing gepaard gaande met angst, zodat 'ontzetting' de betere weergave lijkt(4) Zo vertaald versterkt deze toelichting de hier besproken uitleg, d.w.z. 'ontzetting' laat nog sterker zien dat Petrus en de zijnen geen raad met Jezus wisten, dat ze zich bewust werden dat Hij hun voorstellingsvermogen en verwachti ngen doorkru iste.
Stel nu, dat Jezus dit woord van Petrus serieus genomen had. Dan zou hij - en wij met hem - nog meer verstrikt geraakt zijn in de zonde van het inkapselen.
Als de Here zich terugtrekt, Zijn aangezicht verbergt, als de openbaring schaars wordt, dan wordt de menselijke drang tot verbeelding van het heil juist groter. In Zijn vreemde, onvoorstelbare GENADE neemt Jezus echter juist mensen als Petrus op in zijn gezelschap

Jezus' reactie
Na een opmerking over de indruk van het gebeuren op Petrus en zijn metgezellen (vs. 9-10a), volgt nu Jezus' reactie.
"Wees niet bevreesd, van nu aan..." Dat spreekt van een ommekeer.
Nog niet zozeer in het karakter van Petrus - hij zou nog vaak op oude patronen terugvallen -, maar in de relatie van Petrus en zijn vrienden met hun Heer. Ze waren al een poosje enthousiaste belangstellenden, maar nu Jezus Petrus heeft laten zien dat Hij zich door de totaal Andere liet leiden, nu Petrus' grondhouding is gepeild, nu wordt die relatie anders. Aan zulke werkers wil Hij zich verbinden. Zij mogen mensen vangen, levende mensen winnen, om hen in de ruimte van Gods koninkrijk te stellen. Aan hen kan Hij zijn genadeboodschap toevertrouwen.

1) Vgl. Lucas 5:15-16; 6:12 (voor de aanstelling van de twaalf): Lucas 9:28,29 (voordat hij zijn aangezicht richtte naar Jeruzalem - 9:51): Lucas 11:1; 18:1; 22:40-41.
2) In het voorafgaande hoofdstuk 4 moest Jezus zich met kracht distantiëren van de verzoeker met zijn poging Hem in te kapselen door het aanbod van wereldlijke macht, door religieuze populariteit te Jeruzalem (4:9) of door de wensen in zijn vaderstad Nazareth.
Dit hoofdstuk belicht hiermee vooraf wat er steeds op Jezus' weg kwam.
3) Ik ben me ervan bewust dat deze opmerking vragen oproept. Waar ligt de grens tussen een gezond ingaan op de cultuur en een teveel erin op gaan? Het oeverloze probleemgebied over de verhouding evangelie en cultuur moet ik hier laten rusten.
4) Kan het zijn dat 5:26 thambos omschrijft door ekstasis aan te vullen met phobos? Om 'ontzetting' voor thambos te reserveren zouden we daar kunnen vertalen: "En allen stonden perplex en verheerlijkten God vol ontzag..."

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief