J.W. Schulte Nordholt
1995-09-08
Op 15 augustus overleed op 74-jarige leeftijd Jan Willem Schulte Nordholt. Op de dag van zijn dood, vlak voordat hij stierf aan een hartaanval, verstuurde hij nog een laatste stuk naar de redactie van Trouw; en zo eindigde hij zijn leven even schrijflustig als het (‘Werd ik niet met pen en inkt geboren?”) ook begonnen was.- Jaargang 39
- nummer 18
Er ging geen dag voorbij dat hij niet schreef. Zelfs toen hij in 1983 voor de eerste maal door een hartaanval getroffen werd, kon hij het, gelegen aan de monitor, niet laten zijn 'hartschrift' in een gedicht vast te leggen. Meestal schreef hij al zijn stukken met pen en inkt, maar de laatste jaren, toen het schrijven met de hand hem na een beroerte in het voorjaar van 1990 steeds meer moeite kostte, maakte hij gebruik van de 'tovermachine', zoals hij zijn pc noemde.
Dichter en historicus
Dichter, psalmdichter ook, en historicus.
Dat dubbelspoor kenmerkt de hele loopbaan van Wim Schulte Nordholt. Maar misschien moet ik de historicus op de eerste plaats zetten. Want hoe de poëzie ook zijn leven vulde, hij beschouwde zichzelf toch altijd als een 'minor poet', een zondagsdichter, en niet zoals dat bijvoorbeeld voor zijn vriend en collega-psalmberijmer Guillaume van der Graft (Willem Barnard) wel gold en geldt, als een dichter pur sang. Tegenover Hans Werkman formuleerde hij het in 1988 in het Christelijk literaire tijdschrift Woordwerk zo: "Ik ben ontsnapt in de geschiedenis en Ad den Besten in zijn Duitse literatuur, in Hölderlin, maar Willem Barnard schrijft dan wel allerlei boekjes en beschouwingen, maar eigenlijk is hij alleen maar dichter." Schulte Nordholt, die samen met Barnard, Den Besten en ook Muus Jacobse (Klaas Heeroma 1909-1972) en Jan Wit (1914-1980) verantwoordelijk was voor de samenstelling van het 'Liedboek voor de kerken' (1973), zag zichzelf daarentegen meer als een doorgever. Minder oorspronkelijk dan Barnard, maar misschien daarom juist ook weer geschikter als vertaler. Hij wilde, zo vertelde hij in 1983 voor de NCRVradio, alle eerbied en respect betuigen aan de oorspronkelijke dichter. Met zijn bewerking van William Cowpers 'God moves in a mysterious way' (Lied 447) in het hoofd zei hij: "Ik wil die woorden weer horen, alsof ze nog nooit gezegd waren, alsof ik ze voor het eerst hoor. Als ik dat niet bereik, dan ben ik toch eigenlijk maar op een klungelige manier aan het vertalen." Voor het Liedboek berijmde en vertaalde Schulte Nordholt maar liefst 79 liederen en 40 psalmen. Als mooiste noem ik Lied 290 van Isaäc Watts, dat ook tijdens zijn afscheidsdienst in Wassenaar gezongen werd, Lied 398 (naar een gedicht van Bonhoeffer, toen deze tijdens de oorlog op zijn executie wachtte in zijn dodencel) en Psalm 139 die de dichter zelf zeer na aan het hart lag.
| Dankbaar voor het zonlicht van omhoog ga ik door 't gezaaide van de geest, en ik oogst met een aandachtig oog wat mij altijd dierbaar is geweest. En ik schrijf met een bezonnen pen woorden van verwondering erbij, omdat ik zo diep verbonden ben met die wereld, zij weerspiegelt mij. En zo keer ik door een spiegel heen in het land terug waar woord en beeld zijn verzoend en als geliefden één, waar het leven niet meer is verdeeld. |
Nestor van de Amerikanistiek
Jan Willem Schulte Nordholt werd op 12 september 1920 in Zwolle geboren. Als jongen uit een gereformeerd gezin met zes kinderen, groeide hij op tussen de suikerwaren, pepermunt en drop, waar zijn vader in grossierde.
Onder het pseudoniem W.S. Noordhout debuteerde hij in 1943 met de clandestien uitgegeven bundel 'Het bloeiend steen'. De gedichten werden voor het grootste deel in het Scheveningse Oranjehotel geschreven, waar hij na het verspreiden van Vrij Nederland een jaar lang gevangen zat. Na de oorlog studeerde Schulte Nordholt geschiedenis aan de Universiteit van Amsterdam en leerde daar zijn docenten Romein en Presser kennen. In 1951 promoveerde hij bij de classicus David Cohen op het proefschrift 'de tuin der Hesperiden', over Griekse voorstellingen van het paradijs. Vijf jaar later volgde zijn eerste studie over de geschiedenis van de slavernij in de Verenigde Staten van Amerika, 'Het volk dat in duisternis wandelt'. De liefde voor Amerika bepaalde verder zijn spoor in de geschiedenis. Hij schreef een biografie over president Lincoln (1959) en werd in 1963 benoemd als lector en drie jaar later als hoogleraar in de geschiedenis en cultuur van Noord-Amerika in Leiden, waar hij tot zijn afscheid in 1983 doceerde en uitgroeide tot de nestor van de Amerikanistiek. Zijn talloze boekbesprekingen en beschouwingen over de Amerikaanse politiek in de krant daargelaten, richtte Schulte Nordholt zijn aandacht vooral op de Amerikaans-Nederlandse betrekkingen tijdens de 18e eeuw (Voorbeeld in de verte, 1979) en het leven van president Woodrow Wilson (1990), met wie hij zich zo verwant voelde. In 1985 verscheen zijn standaardwerk 'Triomf en tragiek van de vrijheid' waarin hij de spanning tussen idealisme en realisme, tussen de grote dromen van de mensen en de vaak bittere werkelijkheid daar tegenover als belangrijkste thema koos.
Mededogen en verwondering
Er valt nog zoveel over Wim Schulte Nordholt te zeggen en te vertellen, er zou een heel Opbouw-nummer voor nodig zijn om hem en zijn werk in al zijn veelzijdigheid recht te doen. Maar als er iets is achter dat leven en werk, wat ik graag wil benadrukken, is dat het grote enthousiasme waarmee Schulte Nordholt de wereld tegemoet trad. Ik weet, hij had naast die enthousiaste, idealistische kant, ook een sceptische, meer afwachtende, ja zelfs fatalistische kant zoals hij het zelf eens, verwijzend naar zijn Sallandse afkomst, zei - maar boven alles is zijn werk bepaald door mededogen en verwondering.
En wie daar oog voor had, werd daar door geraakt. Toen ik hem tijdens mijn studie in Leiden begin jaren tachtig wat beter leerde kennen, viel me dat ook het meeste op: Hier stond geen cynicus die vanaf een grote berg op de wereld neerkeek en haar genadeloos analyseerde, nee, hier stond een bewogen verteller, die oog had voor al die grote, ijdele en ook dwaze mensendromen die in de geschiedenis meestal zo tragisch eindigen. Of het ging om de ideale stad op de berg van de eerste pilgrimfathers in het zeventiende-eeuwse Nieuw Engeland, om het ideaal van wereldvrede van Woodrow Wilson of om de droom van Martin Luther King ging, dat maakte in wezen niet uit.
Kerk en geloof
De dichterlijke levenshouding, die haar wortels in de romantiek van de achttiende eeuw vond en die zijn kijk op de geschiedenis voor een belangrijk deel bepaalde, lis ook terug te vinden in de manier waarop Schulte Nordholt naar de kerk en het geloof keek. Keek, want denken en geloven was voor hem in de eerste manier een zaak van zien. Toen hij in september 1985 65 jaar werd en bij die gelegenheid het biografische gedicht 'Ogentroost' voorlas, eindigde hij daar dan ook mee. Want anders dan wij, gereformeerden, vaak gewend zijn, zocht hij zijn geloof vooral in het Licht, dat eigenlijk te groot is om te zien, het Licht van Jesaja en Johannes, de evangelist, waar wij slechts verwonderd naar kunnen staren. Wim Schulte Nordholt keek en geloofde. Met de grote schuldenlast van Calvijn had hij minder op.
Toen hij mij eens vroeg naar mijn achtergrond en ik hem vertelde dat ik Nederlands gereformeerd was ("Ja, van Schilder en daar weer een verlichte afsplitsing van") zei hij met evenveel begrip als medelijden: "Ach, jullie moeten zoveel." Alsof de zonde de genade en daarmee de levensvreugde ondanks alles toch nog zo vaak in de weg zat. Schulte Nordholt wenste zich dan ook niet aan een of andere dogmatiek te binden. Net zoals hij de vrijzinnige theologie van 'God als goede vriend' verwierp, verwierp hij het stellig weten zoals de HeideIbergse catechismus Gods bedoelingen samengevat heeft. Voor hem bleef het geloof iets ondoorgrondelijks houden. "Ik denk alleen maar dichterlijk", zei hij dan. En zo bleef hij een Thomas, zich bewust van zijn eigen nietigheid en ongeloof, maar paradoxaal in dat besef ("Hoe blind vanuit zichzelve is het menselijk gezicht./Godzelf vertaalt de duisternis in eindlijk eeuwig licht") juist ook in staat om te geloven als een kind. Op 12 september, tenslotte, zou Schulte Nordholt 75 jaar geworden zijn; hij heeft die verjaardag niet meer mogen vieren. Maar gelukkig is zijn werk er nog. Zijn historisch werk om te beginnen, maar ook zijn verzamelde gedichten, vertalingen en liederen. Het liefst zou ik er zeven maal zeventig citeren, zoveel heeft hij er wel geschreven. In het land, waarvan Augustinus zei, dat wij daar ooit zullen vinden wat wij hier wensen, moet Jan Willem Schulte Nordholt nu aangekomen zijn. En ik weet bijna zeker dat hij behalve profeten als Jesaja, Johannes en Martin Luther King, en de talloze dichters die hij in zijn hart toeliet, ook zijn blinde vriend Jan Wit teruggevonden heeft, kijkend en al, en het Licht zelf, waarvan hij op aarde al zo vertwijfeld en verwonderd kon genieten.
(Peter Sierksma studeerde Amerikaanse geschiedenis in Leiden en is nu kunstredacteur bij Trouw.)