De ont'eeuwig'ing van de Schrift (1)
1994-01-28
Een eerste bespreking van het boek van drs A. Keizer 'De grote toekomst van ISRAËL, de Kerk en de Volken', ondertitel: 'Waarom de dogmatiek moest vastlopen', Kampen 1992 - Jaargang 38
- nummer 2
Kritiek op het eeuwigheidsdenken van vroeger
Al een hele tijd heb ik om het boek van drs Keizer heengelopen. Niet alleen is het een pil van bijna 450 bladzijden maar het komt ook met tal van ideeën die zo nieuw en (eerlijk gezegd) zo vreemd zijn dat je de neiging hebt er de Gamaliël-houding tegenover aan te nemen: Laat maar betijen; is het uit God dan zal het z'n weg wel vinden en zo niet dan zal het vanzelf geruisloos verdwijnen. Dat klinkt niet al te toeschietelijk.
Maar de ervaring heeft uitgewezen dat je in het algemeen met de mensen van het Nederlands Gereformeerd seminarie (tot wie ook Keizer behoort) op theologisch gebied moeilijk aan de praat komt. Ze zijn daarvoor te stellig, ook op punten waarop je niet verder komt dan vermoedens.
Die hebbelijkheid is er bij Keizers overgang tot het chiliasme bepaald niet minder op geworden. De neiging tot gesprek die je al lezend voelt opkomen stuit al gauw af op formuleringen als 'De Heilige Geest heeft Mozes doen schrijven...' waarmee op een mi ontoelaatbare wijze een bepaalde aanvechtbare uitleg van een bijbeltekst met behulp van een inspiratieleer boven elke kritiek verheven wordt. Of, nog sterker, op zinnen als deze die van een door Keizer bestreden standpunt en de daarbij behorende invloed zeggen: 'Hoe is het de Boze gelukt dat tot stand te brengen?', waarmee de schrijver preekmatig vooruitgrijpt op zijn eigen gelijk. Dat animeert de diskussie niet. Integendeel, er is weinig dat zo irriteert als het claimen van een goddelijk gezag voor menselijke opvattingen.
Van de andere kant is drs Keizer onder ons niet de eerste de beste. Hij heeft een goede bekendheid in onze kerken gekregen (denk aan de Rijswijkse Kring!) als een schriftgeleerde van formaat die door zijn eerdere publikaties velen bij het bewust lezen van de bijbel geholpen heeft. Dat heeft een band geschapen die ook door dit boek niet teniet gedaan Is. Want ook nu schrijft Keizer vanuit een brede en diepe bijbelkennis en, wat belangrijker is, met liefde en warmte voor de Heiland.
Daarmee wekt hij liefde, ook voor hemzelf.
Daaraan denkend voelt ons blad zich verplicht aan ook deze publikatie van hem aandacht te schenken. Hoeveel aandacht, dat weet ik nog niet. Voorzichtigheidshalve rep ik daarom van een eerste bespreking omdat ik met de schrijver in eerste instantie slechts over een hoofdgedachte van zijn boek in diskussie (wie weet) wil gaan: Of er daarna nog meer komt, ik durf het niet te zeggen. Misschien later nog eens.
Wat is eigenlijk die hoofdgedachte?
Wel, Keizer vindt dat wij in ons geloof over de eeuwigheid geheel verkeerde voorstellingen hebben en dat wij daardoor aan geweldige rijkdommen van de Schrift, vooral ten aanzien van de toekomst, voorbijlezen. Ik vind dit punt een sleutel totzijn boek en daarom beperk ik mij daar eerst maar toe.
Maar dit is niet alleen van zijn studie een kenmerkende gedachte. Ook anderen hebben zich de laatste tijd sterk kritisch met dat eeuwigheidsbegrip van ons bezig gehouden en de uitkomst van hun overwegingen lijkt op die van Keizer. Ik denk aan het boek van dr H. Venema 'Uitverkiezing? Jazeker!
Maar hoe?' (Kampen 1992)dat met de goddelijke verkiezing van eeuwigheid afrekent en aan het boek van ds Jan Bonda 'Het ene doel van God' (Baarn 1993)dat de leer van de eeuwige straf verwerpt. Op dat laatste boek hoop ik in de naaste toekomst nog terug te komen. Lezers van Opbouw hebben me dat gevraagd. Maar in alle drie de genoemde studies ontwaar ik een tendens tot een ont'eeuwig'ing van de bijbelse boodschap en een vertijdelijking van de Schrift. Moeten we die tendens volgen?
Het Hebreeuwse eeuwigheidsdenken
Eerst een citaat van Keizer: 'Om ons denken over de toekomst in schriftuurlijke banen te leiden is het van groot belang in te zien dat de Schrift het in het godsdienstig leven zo diep ingewortelde begrip 'eeuwig' en 'eeuwigheid' in de zin van eindeloze duur niet kent. Het begrip 'eeuwig' en 'eeuwigheid' in de zin van eindeloze duur is van Grieks-wijsgerige oorsprong. Het Hebreeuwse denken, dat in het Oude Testament in het Hebreeuws en in het Nieuwe Testament in het Grieks tot ons is gekomen, kent het begrip 'eeuwig' en 'eeuwigheid' in de zin van eindeloze duur niet. Het Hebreeuwse denken heeft steeds betrekking op de 'eeuwen', in de zin van bepaalde tijdsperioden van Gods heilsplan, met wat in die eeuwen is gebeurd en wat er nog zal gebeuren' (p 26/7). Ziedaar een sleutelzin van dit boek.
Keizer beroept zich voor dit nieuw gewonnen inzicht op Prof.dr. G.C. van Niftrik die al in 1950 in Winkier Prins' Encyclopedie schreef dat het betreffende Griekse woord aion of aeoon niet eindeloze duur maar tijdperk betekent.
Nu heb ik van de Griekse wijsbegeerte niet zoveel verstand maar Keizer zegt dat het hier ook in het Grieks om een kenmerk van het Hebreeuwse denken gaat en ik moet toegeven dat ik mij op het veld van het Hebreeuws(e denken) wel eens bewogen heb.
Kan ik bevestigen wat Keizer en Van Niftrik beweren? Er vloeien enorme konsekwenties uit voort. Dat merk je als je Keizer aan de gang ziet gaan met bepaalde teksten die zich (althans volgens de vroegere opvatting) argeloos over de eeuwigheid uitspreken.
Bijvoorbeeld Rom. 16:27: 'Hem, de alleen wijze God, zij, door Jezus Christus de heerlijkheid in alle eeuwigheid'.
Keizer zegt dan (en daar heeft hij gelijk in) dat er letterlijk staat 'tot in de eeuwen der eeuwen'. Eigenaardig is echter de omschrijving die hij daarvan geeft: 'dat is tot in de allerbelangrijkste eeuwen' (p 27). Daarvan onderscheidt hij er verderop (op grond van nog andere teksten) twee en hij vult die in de rest van zijn boek tamelijk exakt in met een eindtijd-scenario à la de leer van het duizendjarig rijk.
Dat is nogal wat! Ik vermoed dat Keizer bij die kurieuze weergave 'de allerbelangrijkste (Ofallerhoogste, p 32) eeuwen' - die hij verder nergens verdedigt -gedacht heeft aan de vergelijkbare uitdrukking 'lied der liederen' (de Hebreeuwse titel van wat in de bijbel het Hooglied heet) wat dan inderdaad omschreven kan worden als 'het allerbelangrijkste of allerhoogste lied'. Kan dat bij 'de eeuwen der eeuwen' precies zo? zou ik willen vragen. Aller hoogste lied - allerhoogste eeuwen?
Laat ik beginnen met die definitie van Van Niftrik: 'Niet eindeloze duur maar tijdperk'. Het juiste hiervan is dat het Hebreeuwse woord 'alaam om welks betekenis het hier gaat inderdaad niet altijd als eindeloze duur in de zin van eeuwigheid verstaan kan worden.
Maar wat mij in Van Niftriks definitie niet bevalt, dat is het element -perk in het woord tijdperk dat hij gebruikt. Dat -perk immers wijst op beperking, bepaling, afgrenzing en ik dacht dat in het Hebreeuwse woord 'alaam nu juist de onbepaaldheid van de tijdsaanduiding wezenlijk was. Als men in vroeger tijd tegen een vorst zei: 'O koning, leef in eeuwigheid!' (bijvoorbeeld I Kon. 1:31) dan bedoelde men inderdaad niet zijne majesteit het eeuwige leven toe te wensen, maar wezenlijk was wel dat men als nietige onderdaan de grens van 's konings levenstijd op aarde hoe voorzichtig ook niet dorst aan te geven. Dus niet: 'Nog vele jaren, majesteit!' Dat kon als een impertinentie, een onbeschottheld worden opgevat, met voor de spreker fatale gevolgen. Dus werd het: Leef in .eeuwigheid! Geniet een leven van onbeperkte duur! En als men zei dat een gestorven iemand heenging naar zijn eeuwig huis (Pred. 12:5), dan bedoelde men inderdaad niet het Vaderhuis met zijn vele woningen maar zijn graf. Eeuwig huis noemde men dat omdat als je daarin terecht gekomen was verhuizing niet meer in het verschiet lag, je bleef daar voor goed in.
Onbepaalde tijd dus, en het meervoud en wel helemaal de uitdrukking 'eeuwen der eeuwen' gaven aan juist die onbepaaldheid nog een extra aksent.
'Eeuwen der eeuwen', het was als het ware de onbepaaldheid van de tijd in het kwadraat.
De weergave 'allerbelangrijkste eeuwen' van zoëven is dus notoir onjuist en wekt een suggestie (van belangrijkheid of hoogheid) waar het woord 'olaam hoegenaamd geen aanleiding toe geeft. Je komt met de uitdrukkingswijze gewis in de buurt van de traditionele eeuwigheid terecht. 'Onafzienbaarheden der onafzienbaarheden', dat is toch eindeloze duur? De betekenis 'eeuwigheid' heeft het Hebreeuwse woord 'olaam dus, zoals gezegd, zeker niet altijd en overal maar nog veel minder kun je haar kategorisch uitsluiten.
Door zijn onbepaaldheid staat het woord 'olaam steeds op z'n minst naar de eeuwigheid (opgevat als eindeloosheid) open.
(Er komt over het boek van Keizer nog een tweede en laatste artikel.)