Wie zijt Gij, grote berg?
1994-01-28
"Hebt geloof in God, Voorwaar, Ik zeg u, wie tot deze berg zou zeggen, hef u op en werp u in de zee, en in zijn hart niet zou twijfelen, maar geloven, dat hetgeen hij zegt geschiedt, het zal hem geschieden."- Jaargang 38
- nummer 2
In het verband van Marcus wordt de tempel reiniging omlijst door woorden tot en ontzetting over de vijgeboom.
Als onderdeel van deze omlijsting volgt dan de bovenstaande aansporing tot geloof en gebed. De betekenis van dit woord heeft mij al lange tijd geïntrigeerd.
Wat bedoelde onze Heer met deze aansporing in het verband van Marcus? Moeten de leerlingen na de miraculeuze verdorring van de vijgeboom om nóg een geloofsspektakel bidden? Of om de voltrekking van een oordeel? Die indruk krijgen we in Matteüs 21:21, waar staat: Indien gij geloof hebt en niet twijfelt, zult gij niet alleen doen wat met de vijgeboom gebeurd is, maar zelfs indien... en dan volgt het woord over het verplaatsen van 'deze berg'. Hier lijkt het om uitvoering van een oordeel te gaan. Van Bruggen legt de tekst in Marcus ook zo uit(1).
Olijfberg
Anderen brengen de woorden 'deze berg' vooral in (eindtijdelijk) verband met de Olijfberg en verwijzen naar Zach. 14:4. "Zijn voeten zullen te dien dage staan op de Olijfberg..." De bekende bijbeluitlegger F.F. Bruce, schreef in navolging van T.W. Manson het volgende: "Als Jezus deze en verwante O.T.-ische profetieën voor de geest had op zijn weg over de Olijfberg, kan de bedoeling geweest zijn: Als jullie genoeg geloof in God hebben, dan zal de dag des Heren sneller komen dan jullie denken(2)." Maar deze suggestie bevredigt mij toch niet. Met een verwijzing naar Zach. 14:4 zou Jezus immers voedsel gegeven hebben aan politieke messias idealen? En dat kon Hij m.i. juist niet gebruiken (vgl. Marc. 10:35vv).
Zacharia
Niettemin speelden de profetieën van Zacharia zeker wel een rol. Tijdens de voorafgaande intocht in Jeruzalem heeft Jezus ongetwijfeld aan de woorden van Zach. 9:9 gedacht. En dat niet alleen. Jezus was met Zacharia en Jesaja gericht op het welzijn van Jeruzalem en op de Tempel als bedehuis voor alle volken (vgl. Zach. 6:15; 8:20-22 en Jes. 56:7). Maar het meest sprekend, in dit verband, lijkt mij Zach. 4:7 "Wie zijt gij, grote berg?
Voor het aangezicht van Zerubbabel wordt gij een vlakte..." Samen met het daaraan voorafgaande: "niet door kracht noch door geweld, maar door mijn Geest..." komt dit woord neer op een krachtige aansporing tot geloof en gebed. Zo zal Jezus, blijkens Marc. 11:23, dit woord althans gelezen hebben.
Gebedstraining
Wanneer we het optrekken van Jezus met zijn discipelen als geheel op ons laten inwerken, dan dringt zich o.m. de gedachte op aan een training in gebed en geloof. Zie Matt. 17:20 (n.a.v. het onvermogen een boze geest uit te drijven) en Lukas 17:6 (n.a.v. het besef bij de apostelen dat ze tekort schieten in vergevingsgezindheid). En hier, in Marc. 11:23 is de aanleiding ontzetting over het lot dat Jeruzalem te wachten stond. Het sterkst-spreekt natuurlijk Zijn voorbeeld. Zijn eigen gebedsleven, de verhouding met de Vader, was voor Jezus 'het hart, het begin en einde van zijn bediening(3)'.
Jezus en de tempel
Ik wil nu proberen me in te leven in het verband van Marc. 11:11-24.De tempelreiniging was op zichzelf een dramatisch gebeuren, vol oordeelsdreiging, spanning en emotie. Toch is juist dit gebeuren bij Marcus ingeklemd, niet alleen door het onheilspellende teken aan de vijgeboom, maar ook door een majesteitelijke rust. Na de intocht in Jeruzalem (vv. 1-10) lezen we bij Marcus niets over opschudding (vgl. Matt. 21:10) of over geïrriteerde reacties (Luc. 19;39).
Jezus kwam eerst, in de kalme waardigheid van een koninq, de tempel inspecteren (11:11). Hij had de zaak onder controle. Het ligt voor de hand dat Hij toen verwerping om zich heen gevoeld heeft, maar we lezen daarvan nog niets. Ook weten we niet of Hij op dat moment nog erkenning in de tempel verwachtte. Dat had inderdaad de intocht compleet gemaakt en zou een vervulling geweest zijn van het tweede deel van Ps. 118:26 "wij zegenen U uit het huis des Heren". Maar we lezen alleen dat Hij alles overzag en vertrok.
Uit het vervolg kunnen we opmaken dat Jezus het geestelijke klimaat in de tempel ook doorzag en dat Hij wist wat Hij moest doen(4), Uit het late tijdstip en het reisdoel van zijn vertrek durf ik verder niets af te leiden dan dat Jezus in alle rust zijn taak voor die dag volbracht had. Kennelijk wilde hij er nog eens een nachtje over slapen in het geliefde vriendenverblijf te Bethanië.
Biddend en misschien ook vastend moest Hij zich voorbereiden. Hij kreeg immers honger de volgende morgen?
Niets dan bladeren
Als hij dan een vijgeboom gaat bekijken, komt het gebeuren nog steeds rustig op ons af. Jezus ging er naartoe 'om iets te vinden'. Misschien wilde Hij zo op aanschouwelijke wijze duidelijk maken wat de bedoeling van de tempelinspectie was geweest. De vijgeboom is immers een overbekend beeld van Israël? Het kan ook zijn dat de Here in de nacht volgend op de tempelinspectie gebeden had om een teken.
Om te weten of Hij al dan niet in actie moest komen.
Maar Hij vond... niets dan bladeren, wat de evangelist verklaart door te zeggen dat het de tijd niet was voor vijgen. Merkwaardige woorden, die de uitleggers veel hoofdbrekens gekost hebben. Wist Jezus niet in welke tijd er vijgen te verwachten waren? Wordt door deze toevoeging het dreig/vloekwoord niet tot iets onredelijks?
Tot die conclusie komen we al gauw als we ons blindstaren op die letterlijke vijgeboom daar in het veld. "Bemoeit God zich met ossen?" zal Paulus later vragen. De natuur gaat de Here zeker ter harte. Maar het is duidelijk dat op dit cruciale moment in Jezus' leven die vijgeboom in hoge mate tekenkarakter draagt. Het gaat dus om een indringend teken m.b.t. Israël, gericht tot de discipelen. Ze zullen het nog niet direct begrepen hebben. Maar na de tempelreiniging 'herinnert' Petrus(5) het zich. Zijn geschokte reactie toont dat hij er een oordeelsteken aan Israël in zag. Je hoort hem bijna denken: "Is het dan werkelijk zo dat God Israël aan de kant zal schuiven?" De eerste lezers van het Marcus-evangelie - te Rome of te Jeruzalem, al voor het jaar 70 - zullen met die brandende vraag hebben gezeten.
Moesten de spanningen tussen Joden (christenen) en heidenchristenen wel op een schisma uitlopen? Was dit een onvermijdelijk oordeel van God?
De discipelen zagen (later) dat de boom 'van de wortel af verdord was'.
Dit zal de discipelen behoorlijk geschokt hebben. Kan het zijn dat Jezus met dit vloekwoord het denken van de discipelen aangaande Israël en de tempel, aangaande hun identiteit, in een crisis wilde brengen?
De tempelreiniging
De tempelreiniging zelf laat ons voelen dat hier iemand aan het werk is die de situatie volledig beheerst: "Hij liet niet toe". Vanwege de omvang van het tempelplein is de gedachte dat hier sprake is van een wonder, ook al hebben de discipelen meegeholpen, wel aannemelijk (zo v. Bruggen). Het onderwijs dat Jezus aan deze 'actie' koppelde trekt direct de aandacht van het spectaculaire af. Het gaat er Jezus om duidelijk te maken dat de tempel, dat Gods volk niet afgezonderd is ten gunste van zichzelf. Alle volken mogen thuis komen. Het perspectief van Jes. 56 valt echter op dovemansoren bij de overpriesters en de schriftgeleerden.
Hun heiligdom een rovershol? Deze schokkende typering zou - verstaan in het licht van Jeremia 7:1-12 - tot zelfonderzoek en bekering moeten leiden.
Maar nu riep zij haat op. Zij versterkte in hen de overtuiging dat deze man opgeruimd moest worden. Dat is de natuurlijke reactie van hen die Gods zaak tot hun zaakje gemaakt hebben.
De volgede dag komt dat er ook uit. Op hun vraag om legitimatie, stelt Jezus nl. een tegenvraag, die hen dwingt kleur te bekennen: Was de doop van Johannes uit de hemel of uit de mensen?
Hun reactie hierop laat zien dat deze leiders in feite hun eigen positie het hoogst hebben. Ze gebruiken de dienst des Heren ten diepste voor eigen doeleinden. En als die gezindheid eenmaal is binnengeslopen - en dat gebeurt zomaar - dan wordt het heiligdom vanzelf een kerkpolitiek bedrijf. Jezus aarzelde niet dit als roof te bestempelen.
De overpriesters en de schriftgeleerden zullen kokend zijn geweest. Toch lezen we in vs. 27: "Zo kwamen ze weer (!) in Jeruzalem." (GrN). En weer wandelt Jezus koninklijk over het tempelplein.
Hier komt de Here tot zijn Tempel. Dezelfde koninklijke rust blijkt uit de verantwoording die Jezus volgens Johannes gaf: "Breekt deze tempel af en binnen drie dagen zal Ik hem doen herrijzen." Jezus is zich van jongsaf bewust dat de tempel het huis van zijn Váder is.
Barmhartig
De discipelen zagen dus donkere wolken boven Jeruzalem hangen. In die situatie zegt Jezus: "Hebt geloof(6) in God..." In dat geloof pleitte Abraham voor Sodom en Gomorra. In dat geloof schreef Paulus Rom. 9-11. In dat geloof pleitte ook de wijngaardenier in de gelijkenis van de onvruchtbare vijgeboom (Luc. 13:8) om uitstel: "Heer, laat hem nog dit jaar staan, ik zal er eerst nog eens omheen graven en er mest bij brengen..." Mijn vraag is nu: "Moeten we in ditzelfde Lucaanse licht niet de anders zo raadselachtige opmerking van Marc. 11:13 lezen? NI. "want het was de tijd nog niet voor vijgen". Als een pleidooi om de vijgeboom niet af te schrijven, ondanks het zo definitief overkomende oordeel van vs. 14? Waar haalde Marcus, als hij het zo bedoelde, de vrijmoedigheid tot deze temperende opmerking vandaan?
Gezien de vruchten die de vijgeboom (Israël) in Handelingen te zien gaf, (Hand. 2:41-47, 21:20) kan het zijn dat Marcus die opmerking wel moestmaken. Ook pastoraal, gezien zijn publiek om hoogmoed bij de nieuwgeënte takken te voorkomen. Vgl. Rom. 9-11. Het gevaar was immers niet denkbeeldig dat heidenchristenen rond het jaar 70 'net goed' zouden gaan denken t.a.v. de verwoesting van Jeruzalem?
Meer doorslaggevend lijkt mij echter dat Marcus de God van alle genade dieper heeft leren kennen. In de gang van de Here met Paulus, met Petrus en met hemzelf (vgl. 2 Tim. 4:11 en 2 Petr. 3:15,18). Die genade zal Markus de vrijmoedigheid gegeven hebben het dreigwoord aan de vijgeboom m.h.o. op Zijn eigen tijd wat in te kleuren. De oproep om in geloof en gebed het schijnbaar onmogelijke te verwachten van God, zal aanleiding zijn geweest nog op vrucht te blijven hopen(7), Jacobus (4:7) schreef in dezelfde geest: "Zie, de landman wacht op de kostelijke vrucht en heeft geduld, totdat de vroege en de late regen erop gevallen is." Barmharigheid roemt tegen het oordeel.
1 Dr. Jakob van Bruggen, Marcus, Het evangelie volgens Petrus. Kampen 1988. Zijn uitleg lijkt op een harmonisatie met Matth. 21:21.
2 F.F. Bruce, The Hard Sayings of Jesus, IVP, Downers Grove, Illinois, 1983, p. 211.
3 Dr. Henri J.M. Nouwen, Een levende heenwijzing, Dienst en gebed in aandenken aan Jezus Christus. Den Haag 1988.
4 Jezus kan hierbij o.m. gedacht hebben aan de Jozua uit Zacharia, en aan de daar genoemde 'door Mij opgedragen taak' (Zach. 3:7). De volgende profetieën over de Spruit (vgl. Zach. 3:8 en 6:12-15) laten dan zien dat Jezus de meest eigenlijke uitvoerder van deze taak zou worden. Frappant is ook het slot van Zacharia: "En er zal te dien dage geen Kanaäniet meer zijn in het huis van de HERE der heerscharen". Het Hebr. voor 'Kanaäniet' wordt nl. ook gebruikt als aanduiding voor 'koopman', een betekenis die, in het verband van Zacharia, w.s. de voorkeur verdient.
5 Matteüs heeft hier de discipelen als onderwerp.
Dat hoeft niet in tegenspraak te staan tot de versie van Marcus: Petrus kan heel goed de verwondering als eerste verwoord hebben. Het is begrijpelijk dat Matteüs Petrus minder voor het voetlicht wilde zetten dan Marcus.
6 W.L. Lane, The Gospel according to Mark. (New London Commentary). Londen 1974, denkt hier onder verwijzing naar Hab. 2:4 meer aan een bemoediging: you have the faithfulness of God. Hoewel deze vertaling zeker mogelijk is, lijkt ze me minder waarschijnlijk op grond van de parallellie met Matteüs 17:20 en Lukas 17:6.
7 De merkwaardige opeenvolging van oordeel en heilsbeloften in Zacharia 7 en 8 (en andere profeten) kan ook een rol gespeeld hebben .