Doodsverlangen

1994-01-28
  • Jaargang 38
  • nummer 2
In gezelschap was ze gewoon luidruchtiger en vrolijker dan anderen en erg impulsief. Maar toen ik haar een keer alleen ontmoette vertelde ze zonder directe aanleiding dat ze zo naar de dood verlangde. Ze had tranen in de ogen.
"Jij?", vroeg ik, Ik wist dat ze getrouwd was met een fijne vent en een paar leuke kinderen had (geen cliché).
"Ja, ik", zei ze. "Het leven is zo moeilijk en de wereld is zo kapot. En je staat machteloos bij al dat menselijk leed. Ik kan verschrikkelijk naar God verlangen om bij Hem te zijn en uit te rusten. Heerlijk om geen moeilijke vragen meer te hoeven stellen..."
"Maar je bent nog zo jong en het zou toch treurig zijn om afscheid te nemen."
"Ja, dat is zo, afscheid nemen van iedereen en van jezelf, dat is treurig en dan het verdriet van degenen die je achterlaat. Maar toch..."
En een jonge, echt gelovige knul, zei pas over het sterven tegen me: "liever vandaag dan morgen."
Het komt voor, bij jongeren en ouderen, dat mensen een niet weg te duwen doodsverlangen hebben. Ze zijn het leven moe en het vragen en het vechten en ze strekken hun handen met groot verlangen uit naar God en naar de volmaaktheid.
Mag dat? Op de weg naar God kun je toch niet om die angstaanjagende indringer heen, de dood?
We zijn er toch om te levèn? Dat is waar. Maar mag je niet naar huis en naar God verlangen en dan de dood... nou ja, niet voor lief maar dan toch wel op de koop toe nemen?
Uit het Liedboek zingen we met graagte Lied 293: 'Wat de toekomst brengen moge', van Jacqueline van der Waals. Een prachtig lied vol Godsvertrouwen en eenswillendheid met de Vader. De dichteres is er zeker van: "Eenmaal zie ik al uw luister, als ik in uw hemel kom." 't Gaat vooral om Hém, om het aanschouwen van de Hére. Maar die vrome dichteres (in 1993 was het 125 jaar geleden dat ze geboren werd) schreef ook onthutsend direct over haar uitzien naar de dood, haar doodsverlangen, haar 'stervenslust'.
En niet alleen toen ze ongeneeslijk ziek was.
En over de Koning en zijn majesteit en luister hoorde je haar zo niet. Ze hunkerde naar een wenk van de dood. Een mooi voorbeeld van haar doodspoëzie is 'In het hooi' dat zo idyllisch begint· en zo navrant eindigt.

In het hooi
Ik lag in het hooi,
De hemel was mooi,
Mijn bed zacht en goed,
En het geurde
zo zoet.

Ik keek met een zucht
Van genot naar de lucht.
Mijn geluk was als dat.
Van een spinnende kat.

En ik dacht:
"Zo meteen
Moet ik op, moet ik heen -
Maar ik weet nog niet hoe
Ik dat kan, ik dat doe


Als nu spelenderwijs
Mij de Man met de Zeis
Had gemaaid, als het gras
Dat dit hooi eenmaal was

Ik behoefde niet op
Meer te staan, niet rechtop
Meer door 't leven te gaan
- En dat lachte mij aan.

En wat denkt u van

De dood als verlosser
Kom nu met uw donker, diep erbarmen,
Eindelijke Dood.
Laat dit pijnlijk lichaam in uw armen
Rusten als het kind op moeders schoot
Laat mij veilig door de schaduw uwer grote
Vleugelen gedekt
Slapen gaan, het moede oog gesloten
En het lichaam pijnloos uitgestrekt.

Daartegenover staan indrukwekkende verzen als 'Sinds ik het weet' en 'Doodsnadering' waarin het grote verlangen in de eerste plaats naar de Hére uitgaat.

Doodsverlangen... soms is het na te voelen. Maar de oproep blijft: kies het leven. Het leven dat van Hem komt en dat Hij geeft om het met Hém te leven tot Hij tegelijk aflost en verlost.

NB Voorjaar 1994 verschijnen eindelijk de Verzamelde gedichten van Jacqueline van der Waals.

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief