De ont'eeuwig'ing van de Schrift (2, slot)
1994-02-11
Een eerste bespreking van het boek van drs A. Keizer 'De grote toekomst van ISRAËL, de Kerk en de Volken, ondertitel 'Waarom de dogmatiek moest vastlopen, Kampen 1992- Jaargang 38
- nummer 3
Tijd en eeuwigheid
We hebben het dus over de eeuwigheid en over de poging om met een beroep op het Hebreeuwse woord en begrip 'olaam daarvan af te komen.
'Geen eindeloze duur maar tijdperk', hoorden we iemand als Van Niftrik het Hebreeuwse eeuwigheidsbegrip definiëren en Keizer nam dat over. Zouden ze echt gelijk hebben? Zouden we bijvoorbeeld bij Psalm 90:2 werkelijk moeten vertalen 'Van het ene tijdperk tot het andere zijt Gij God'? Keizer zegt dat weliswaar nergens maar het volgt uit zijn beschouwingen. Ik vind dat absurd. Wat dan vóór en na die tijdperken? Keizer schrijft: 'De Schrift spreekt slechts weinig over de tijd die er was 'vóór de eeuwen' (...) en ook slechts weinig over de tijd die er 'na deze eeuwen' zijn zal' (p. 27/8) Akkoord, weinig. Keizer schrijft ook: 'Over wat daarna geschieden zal spreekt de Schrift niet. Derhalve kan dat geen onderwerp van Schriftonderzoek zijn' (p. 32). En dat is niet akkoord.
Geen onderwerp van Schriftonderzoek?
Nee, inderdaad, niet in die zin dat je die braakliggende gebieden zou kunnen ontginnen. Maar de grensfunktie van dat vóór en na is toch niet te ontkennen? En die beïnvldedt het Schriftonderzoek niet weinig. De hele wereldtijd wordt er heilzaam door gerelativeerd. De eeuwen vóór en na, het zijn om zo te zeggen de twee bomen waar de hangmat van de wereldtijd aan vastgeknoopt zit. Die eeuwigheid vóór en na zou zonder God een verschrikking zijn maar omdat het Gods eeuwigheid is is ze het absolute rustpunt van de tijd. 'Van het ene tijdperk tot het andere zijt Gij God', zou er van Gods eeuwigheid - volgens artikel 1 van de NGB de eerste eigenschap die we van Hem belijden - niet meer te zeggen zijn dan dat? Absurd, inderdaad.
En (om weer iets anders te noemen, iets dat Keizer wél met zoveel woorden beweert) zou het werkelijk de bedoeling van Gen. 21:33 zijn te zeggen dat Abraham bij Berseba de naam van de Here, 'de God van de eeuw', heeft aangeroepen in plaats van 'de eeuwige God', zoals de vertaling zegt?
De God van de eeuw, wat dan volgens Keizer wil zeggen: de God van het tijdperk dat loopt van Noach tot de wederkomst van de Heer? Ik kan dat moeilijk geloven. En Keizer zelf toch eigenlijk ook niet. Nog juist bijtijds herinnert hij zich dat 'de god dezer eeuw' in II Kor. 4:4 een aanduiding van de boze is. Lastig genoeg, zo'n spaak in het wiel, en je zou verwachten dat de auteur er zich door zou laten afremmen.
Maar nee, de oplossing is gauw gevonden: Abraham kende de ware God van de eeuw (p, 30). Tsja... 'God van de eeuw', dat lijkt mij in onze vertalingen volkomen korrekt weergegeven met 'eeuwige God', de God namelijk die nog waakt over verbintenissen als de mensen die ze gesloten hebben (zoals Abraham en Abimelech, volgens dit verhaal) al lang gestorven zijn. "t Is God, aan tijd noch plaats verbonden, wiens toezicht over alles gaat' (Psalm 33:8, in de oude berijming).
Op p. 305 noemt Keizer zelf een bijbeltekst die mi zijn hoofdstelling ondergraaft. Luk. 1:33: 'En de Here God zal Hem de troon van zijn vader David geven en Hij zal als koning over het huis van Jakob heersen tot in eeuwigheid en zijn koningschap zal geen einde nemen'. Hier wordt 'eeuwigheid' toch verstaan als 'eindeloosheid', zou je zeggen. Deze betekenis hoefde dus niet te wachten tot de tijd van Keizer Justinianus die volgens Keizer pas in de zesde eeuw de eindeloosheid van het begrip aioon heeft gelegitimeerd (p. 295). Maar geen nood, Keizer schrijft: 'Inderdaad, het koningschap van Jezus Christus over Israël en de volken zal niet worden beëindigd, zoals dat van alle andere koningen van Israël, voordat het werk is voltooid.
Het zal de beide toekomende eeuwen duren, totdat Jezus Christus Zijn koningschap aan het einde van de aionen teruggeeft aan de Vader van Wie Hij het ontvangen heeft (I Corintiërs 15:28)'. Hier wordt een duidelijke uitspraak van de bijbel verdraaid en omgebogen om haar met een andere tekst en vooral met Keizers eigen vooropgezette mening in overeenstemming te brengen. Dat wekt geen vertrouwen.
Bedoelde vaagheid
Keizer noemt ook de tekst Ef. 3:11 waar sprake is van Gods heilsplan dat 'naar het voornemen der eeuwen' is.
Hij wijst er ook hier weer op dat onze vertaling ten onrechte spreekt van het 'eeuwige voornemen' en hij schrijft: 'Door deze vertaling is het een onbestemde aanduiding geworden betreffende het ontstaan van Gods heilsvoornemen.
De informatie dat Gods heilsplan een aantal 'eeuwen' (tijdperken) omvat, werd in onze bijbelvertaling onduidelijk. De grondtekst is echter wel duidelijk' (p. 28). Je ziet hier scherp wat Keizer in die woorden 'eeuwig' en 'eeuwigheid' van vroeger eigenlijk stoort. Dat is namelijk de vaagheid, de onbestemdheid. Hij wil de toekomstverwachting konkreet hebben. Voor die konkreetheid denkt hij ruimte te scheppen door de eindeloze eeuwigheid van de gangbare bijbelvertalingen in te ruilen voor 'de eeuwen' van de grondtekst, dat wil bij hem zeggen: voor de tijdperken die de verschillende fases van Gods heilsplan behelzen. Van die tijdperken telt hij er in het geheel vijf: van de schepping der wereld in Genesis 1:1 tot aan haar toebereiding in het zes-dagen-gebeuren, vervolgens van Adam tot Noach, dan van Noach tot de wederkomst van Christus, daarop volgt het tijdperk van de Christus-heerschappij op aarde en tenslotte is daar de 'eeuw' (ook nu niet een eeuwigheid maar een beperkte tijd, als ik hem goed begrijp) waarin God zal zijn alles en in allen.
Hoe Keizer die 'eeuwen' nu allemaal invult, daar zouden we het in deze eerste bespreking niet over hebben.
Het gaat me op dit ogenblik om dat 'eeuwen'-geraamte zelf van Gods heilsplan. En daarvan wil ik dit beweren: Dat je deze voorstelling in plaats van haar uit het Hebreeuwse 'olaam-begrip af te leiden juist in tegendeel op grond van datzelfde bijbelse 'olaam-denken moet afwijzen. Want de vaagheid waarover Keizer zo klaagt, die is in de bijbel nu net bedoeld. Die komt namelijk in het 'olaam-begrip mee. 'Voornemen der eeuwen' is een typerende aanduiding die het ontzag van de 'dagjesmens' wil afdwingen voor Gods hei Iswerk dat de eeuwen omvat en hem derhalve hoog boven de pet gaat. Dat lang vóór hem begonnen is en ook na zijn dood nog verder voortgezet zal worden, ja, dat naar achteren en naar voren de grenzen van de tijd overschrijdt. Je kunt er als kleine mens paf van staan dat je daar een plaatsje in krijgt. Het komt eenvoudig niet in je op (althans, zo vergaat het mij) aan de uitdrukking de informatie te ontlenen die Keizer eruit aftapt. Paulus schrijft in hetzelfde verband over God die de Schepper aller dingen is (vs 9). Ook daarmee wil hij indruk wekken en eerbied afdwingen.
Met Wie hebben we eigenlijk wel niet te maken als we het evangelie lezen?!
Nieuwsgierigheid of bescheidenheid
Het is vreemd, bij de één geeft het woord 'olaam dus voedsel aan de nieuwsgierigheid en bij de ander wekt het eerbied en bescheidenheid op.
Natuurlijk wil ik hiermee niet zeggen dat br Keizer nieuwsgierig is en ik beseheiden. Dat kon best eens andersom liggen. Ik bedoel het zakelijk: Tot wat voor houding geeft een opvatting aanleiding? En dan zeg ik dat Keizers uitleg van het Hebreeuwse 'olaam-begrip een belangstelling voor tijden en gelegenheden wakker roept waarvan ik meen dat de Here er ons juist bij weggehaald heeft (zie Hand. 1:6 en 7). Terwijl - ook al weer naar mijn opvatting - datzelfde Hebreeuwse woord 'olaam ons als zwak-tijdelijke mensen wil intimideren en op onze plaats zetten. Zeker wanneer het met (iets van) de Here in verband staat brengt het onder de indruk. Maar toch ook zonder die religieuze kontekst is dat het geval. Als we in Pred. 1:10 van het schijnbaar nieuwe onder de zon lezen dat het er al was in verre tijden die vóór ons waren dan korrigeert Keizer ook hier weer de gebruikelijke vertaling met de opmerking dat de tekst spreekt over de 'eeuwen die vóór ons geweest zijn' en hij beweert dat Salomo daarmee doelt op de twee voorbijgegane wereldtijden (p. 289).
Zo'n omschrij-ving wekt ontegenzeggelijk onze nieuwsgierigheid op: Hé, wat mogen die twee voorafgegane 'eeuwen' wel niet geweest zijn? Maar met die nieuwsgierigheid gaan wij precies voorbij aan wat Prediker met deze spreekwijze bedoelt en vliegen we af op een vermeend informatiegehalte dat we erin vermoeden. Wat bedoelt Prediker hier dan? Volgens mij niets anders dan ons enige bescheidenheid in te peperen ten aanzien van het nieuwe dat wij mensen steeds weer denken gevonden te hebben. De in onze zelfvoldane tijd zo zeer herkenbare kreet 'Ziehier, dat is nieuw!' is duidelijk afkomstig van de pedante mens die met zijn denken binnen het bestek van zijn eigen wereld blijft en niet verder kijkt dan zijn eigen tijd lang is. Prediker wil dat afstraffen. Hij wil die mens op z'n nummer zetten en het Hebreeuwse begrip 'olaam (niet eens in religieuze zin!) leent zich daar uitstekend voor. De 'olaam staat immers als een wijde koepel over de eigen levenstijd heengespannen zoals het uitspansel over de aardschijf van Genesis 1. En de suggestie die ervan uitgaat is dat er wat de tijden betreft veel meer is dan wij kunnen overzien.
En inderdaad, wanneer wij ophouden onze eigen tijd in de Wijde oceaan van de 'olaam (= de on- of minder overzienbare tijd die naar de eeuwigheid openstaat) te laten zwemmen zal dat de menselijke bescheidenheid niet ten goede komen. We verliezen dan uit het oog dat ons eigen kleine leven 'befristet', dat wil zeggen begrensd is (zoals Karl Barth zei) en dat dat een weldaad is. Want door de eeuwigheden zoduidelijk en omlijnd in de tijd te trekken (zoals Keizer wil) wordt de tijd voor ons te groot. Wij zijn erbij gebaat dat de tijd naar achteren en naar voren toe vervaagt. Het 'olaam-besef bewerkt dat. Het houdt daardoor de hele tijdsbeleving menselijk en het geeft aan het heden z'n juiste gewicht. Ja, dat laatste vooral. Want als de 'allerbelangrijkste eeuwen' (zoals in de chiliastische optie gebruikelijk is) nog moeten komen, is het gevaar niet denkbeeldig dat wij met onze gedachten teveel bij het komende zitten en daardoor het heden verzulmen. De ouderwetse eeuwigheid werkt dat gevaar veel minder in de hand omdat ze vager, geheimenisvoller is. Ze haalt ons bij het nu niet weg maar omgeeft dat liefdevol van achteren en van voren.
Tegen die ons teder omsluitende eeuwigheid aankijkend houden wij er slechts één woord van over, een naam: God. In zijn eeuwige hand rusten onze tijden en ze rusten daar zacht. Zo kunnen wij het harde heden aan.
Selektief en willekeurig
Ik kom tot de konklusie dat ik niet met Keizer kan instemmen als hij tegen alle woordenboeken in zegt dat de 'olaam 'een Hebreeuwse conkrete tijdsaanduiding' is (p. 299). Zijn hele boek rust evenwel op deze onjuiste stelling die mij bovendien een sekularisatie in de meest letterlijke zin des woords toeschijnt. (Ook van de twee andere genoemde boeken die de eeuwige verkiezi·ng en de eeuwige straf proberen te vertijdelijken geldt mi dat het onbedoelde sekularisaties zijn.) Het is wel waar dat Keizer ter ondersteuning van zijn mening wat meer teksten bespreekt dan ik nu ben nagegaan maar dat is niet zo vreemd omdat tenslotte niet ik maar hij met een afwijkende opvatting komt. Die, vergeet dat niet (getuige de ondertitel van het boek), de hele dogmatiek betreft.
En de dogmatiek, dat is de grammatika, de spraakkunst van de geloofstaal.
We krijgen een geheel andere prediking als waar is wat Keizer beweert.
Bovendien, een aardig husje plaatsen mogen door hem min of meer besproken worden, verreweg de meeste teksten blijven onvermeld. En dat geeft aan zijn tekstbehandeling iets selektiefs en zelfs willekeurigs.
Willekeur. Wat moet ik ermee aan als Keizer bij de uitval van Jezus tegen de onvruchtbare vijgeboom 'Nooit groeie aan u enige vrucht meer in eeuwigheid!' (Matt. 21:19) kommentariërend zegt dat de vijgeboom in de Schrift Israëls nationale bestaan typeert en· dat hiermee dus bedoeld is dat dit bestaan in deze 'eeuw' geen vrucht meer zal afwerpen (p. 32)? Dit is toch een typisch overvragen van de bijbeltekst?
Mag je niet gewoon zeggen dat dat 'in eeuwigheid' hier de emotie onderstreept waarin Jezus zijn verontwaardiging over die rotboom geuit heeft? 'Nooit!! Hoor je wel? In der eeuwigheid niet!!' Zo iets. Onredelijk, deze tirade, denken wij met de evangelist Markus, 'want het was de tijd der vijgen niet' (Markus 11:13). Maar Jezus' verontwaardiging geldt dan ook eigenlijk die boom niet. Althans, bij Markus merk je dat. Bij Matteüs is de verdorring van de vijgeboom meer een illustratie van Jezus' wondermacht waarin de discipelen Hem mogen navolgen.
Maar door Markus worden we inderdaad de kant opgestuurd dat we achter die boom het ondankbare Israël zien staan waar Jezus zijn gram op koelt. Dat geef ik Keizer gewonnen.
Maar dat wettigt toch zeker de konklusie niet dat we met behulp van dat 'in eeuwigheid' de tijd zouden kunnen afbakenen dat Israël onvruchtbaar blijft? Dat is toch biblicistische willekeur?
Zo ga je toch niet met levende taal om? Ten eerste heeft dat woord 'eeuwigheid' hier (naast 'nooit') geen informatieve waarde en ten tweede, al zou je het woord wél informatief mogen bevragen, dan zegt het nóg niet wat Keizer eruit opmaakt. Dit alles is geen exegese meer, hier worden teksten van hun argeloosheid beroofd en op een woord gevangen. Tot hun eigen verbazing marcheren ze opeens mee in een hun vreemde optocht. Zie bijvoorbeeld wat de belofte aan de aartsvaders zich moet laten welgevallen via het spel met de woorden 'als de sterren des hemels' en 'als het zand aan de oever der zee'. Tweeërlei nageslacht van Abraham zou daarmee aangeduid zijn (p. 77vv).
Ik heb in het verleden wel eens gewaarschuwd tegen het overvragen van de bijbel. Ik had daarbij wel met name het bijbelgebruik van de evangelischen op het oog. Men houdt dan op in de Schrift een historisch dokument te zien waaraan veel onzekerheden eigen zijn die maken dat je vaak moet zeggen dat de bijbel over dit of dat geen uitsluitsel geeft. Ikzelf ben met die soberheid wel blij omdat ze ons bepaalt bij hoofdzaken. Maaro nee, dat kan niet aanvaard worden. Integendeel, ieder woordje van de instantbijbel moet klinkklare en bruikbare openbaring afgeven. Het is jammer dat via dit boek van Keizer deze visie een krachtige stimulans in ons midden ontvangt. Ik ben bang dat op deze manier de Schrift in plaats van een bron voor de dorstigen ontaardt tot een vraagbaak voor de nieuwsgierigeri.
Met als gevolg dat de bestudering van de Heilige Schrift veel te ingewikkeld en te tijdrovend gaat worden, niet meer te doen voor gewone stervelingen die veel meer aan hun hoofd hebben.
Ik vrees dan ook dat een al te skrutineuze (= vorsende, snuffelende) bijbel bestudering zoals die onder ons wel voorkomt het tegendeel zal bereiken van wat men ermee bedoelt. Dat de mensen geen liefde tot het Woord maar een hekel aan de bijbel zullen krijgen. Ik voor mij zou daarop met een variant op een woord van Jezus willen reageren: De bijbel is er voor de mens en niet de mens voor de bijbel.