O God, die droeg ons voorgeslacht
1994-02-11
Ik heb een zekere voorliefde voor Engelse hymns. Als 17-jarige maakte ik er in een kleine huisgemeente ergens in Yorkshire voor het eerst kennis mee. Het krachtige, blijmoedige gezang van zes (I) gelovigen maakte indruk op me. Daarna zou ik nog negen maal de Noordzee oversteken en de Engelse christenen, van hoog-anglicaans tot laag-independent, horen zingen. Wie teevee heeft (ik heb er geen) en op zondagavond via BBC 1 het programma 'Songs of Praise' beluistert en bekijkt, weet dat de Engelsen kunnen zingen: met een soort gedisciplineerde hartstocht.- Jaargang 38
- nummer 3
Toch is dat niet altijd zo geweest. In de 17e eeuw was Engeland wat de kerkzang betreft achtergebleven gebied.
Het ging er primitief toe. Gezangboeken bestonden niet. Een voorzanger zong een regel voor, de gemeente zong die na. De Londense predikant Thomas Reynolds hield zijn landgenoten de zang praktijk voor waarmee hij in Genève en Utrecht kennis had gemaakt: daar zongen de mensen met hun psalmboeken in de hand, ja velen van hen hadden die psalmen zo vaak gelezen, dat ze ze hadden "overgeschreven in hun geheugen, zodat ze tenslotte hun boeken opzij konden leggen."
Isaac Watts
Het was Isaac Watts (1674-1748) die de Engelse christenen zingen leerde.
Zoals Luther de vader van het Duitse kerklied wordt genoemd, zo heet Watts 'Father of English hymnwriting'. Het begon met een stimulerende vader.
Watts' eerste biograaf, Thomas Gibbons, vertelt: "De liederen die werden gezonden in de bijeenkomst der Dissenters in Southampton bevielen de heer Watts zo slecht dat hij het niet kon laten erover te klagen tegen zijn vader.
De vader vroeg hem toen wat hij kon doen om daar verbetering in te brengen.
Hij begon direct en had zo'n succes met zijn eerste poging dat hem ernstig werd verzocht nog een tweede lied te schrijven en toen een derde en een vierde enz., tot met verloop van tijd er zoveel waren dat ze een bundel konden vormen."
Voorgeslacht
Stimulerende vaders zijn een zegen.
Watts stamde niet uit dé Church of Erigland, de Anglicaanse Kerk, maar uit de kringen van de Dissenters, de non-conformisten (hij was congregationalist).
In het Compendium bij het Liedboek(1) schrijft Prof. J.W. Schulte.
Nordholt het volgende over hem: "Het was juist niet de Anglicaanse Kerk waarin de vernieuwing zich manifesteerde: tezeer was zij beladen met haar eerbiedwaardige tradities, teveel ook een hiërarchische kerk om open te kunnen staan voor het idee van spontaan gemeenschappelijk zingen.
Watts, de vader van het Engelse kerklied, stamt uit de kring der Dissenters, is groot geworden in de nonconformistische traditie.
Zijn grootvader was een dapper zeeman geweest in de tijd van Cromwell, een trouw dienaar van de Puriteinse admiraal Blake, en hij was in Oost-Indië gesneuveld tegen de Hollanders.
Zijn vader had, toen de Restauratie de Engelse vrijheden weer beknotte, voor zijn geloof in de gevangenis gezeten, tot tweemaal toe, en in levensbeschrijvingen van Watts leest men steeds weer het geliefde verhaal dat de kleine Isaac aan zijn moeders borst lag toen zij zijn vader in de gevangenis bezocht.
Met de moedermelk had hij het ware geloof ingedronken, het verlangen naar de ware vrijheid geproefd.
Des te meer was dat waar, daar zij uit een Franse Hugenoten-familie stamde die in Southampton tot aanzien was gekomen. Daar werd het kind geboren, in 1674, het jaar dat John Milton stierf, de grote dichter en verdediger van het Puritanisme, die op de opgroeiende jongen zo'n diepe invloed zou hebben."
Psalm 90
Watts begon, zoals zo veel lieddichters, bij de Psalmen. Wie christelijke liederen wil dichten, moet uit die bron hebben gedronken - en telkens weer drinken, een leven lang. Geen poëziebundel bevat zoveel hoogten en diepten in het leven met de HERE. En weinig dichters die zo persoonlijk schrijven als David en Asaf, geven er zózeer blijk van zich één te voelen met het volk van de levende God.
Prof.dr. G. van der Leeuw schrijft over Watts' eerste dichtwerk(2): "Hij begon, gelijk velen vóór hem, met een psalmbewerking: 'The Psalms of David imitated in the language of the New Testament, and applied to the Christian state and worship'. David wordt hier geheel als christen behandeld. Maar zijn psalmen krijgen hier voor het eerst dat eigenaardige karakter dat de Engelse hymn eigen is en dat wij reeds aanstonds ten volle uitgedrukt vinden in de beroemde bewerking van de 90e Psalm:
O God, our help in ages past,
Our hope for years to come,
Our shelter from the stormy blast,
And our eternal home.
Tot zover G. van der Leeuw. Misschien hebt u de overeenkomst tussen dit lied (gez. 397) en Psalm 90 nooit zo opgemerkt.
Maar legt u ze maar eens naast elkaar. Psalm 90:
Geslachten gaan, geslachten zullen komen:
wij zijn in uw ontferming opgenomen.
Gezang 397:
O God, die droeg ons voorgeslacht
in nacht en stormgebruis,
bewijs ook ons uwtrouwen macht,
wees eeuwig ons tehuis!
Zo zingen we zonder erg een buiten-Geneefse psalmberijming!
Oudejaarsavond
Met zijn korte staccato-achtige zinnetjes heeft Watts zich bewust aangepast aan het gebruik dat de voorzanger de regel vóórzei waarna de gemeente die zong. Dankzij het werk van Watts, dat én in de kring der Dissenters én in de Engelse staatskerk grote waardering ontmoette, zou deze praktijk weldra tot het verleden gaan behoren. (Maar de korte strofe van vier vierjambige regels zou het prototype van de Engelse hymn worden.) Britain werd het land van de vele zangbundels: de verschillende kerkgenootschappen namen grif gezangen van elkaar over, en vandaag profiteren ook wij daarvan. Bijvoorbeeld op Oudejaarsavond, als gezang 397 tot de goede toon behoort: dan zingen we over de 'Rots der eeuwen'.
Ik herinner me uit mijn tienerjaren een preek van Ds. P.K. Keizer waarin hij aantoonde dat Psalm 90 géén Oudejaarsavondpsalm was. Waarschijnlijk had deze integere predikant gelijkalleen: hij hield die preek in de Noorderkerk in Groningen op 31 december 1962, 's avonds. Aan het slot van de dienst zongen we Psalm 90 van Mozes.
'De sluier van Mozes'
Overigens is er een opmerkelijk verschil tussen het 'gebed van Mozes, de man Gods' en het lied van Isaac Watts.
In Watts' lied horen we alleen de 'lichte' zijde van de 90e Psalm. Een God die 'stervelingen doet terugeren tot stof', een roep om ontferming van mensen die 'vergaan door Gods toorn' komen we in Watts' gezang niet tegen.
Nu is een christen vrij om een lied te schrijven naar aanleiding van een gedeelte van een Psalm. Maar Isaac Watts ging bij het berijmen van Psalmen welbewust te werk volgens een bepaalde opvatting. Van die opvatting legde hij ook verantwoording af. De toen heersende gewoonte om te psalmodiëren, d.w.z. de onberijmde tekst van de Psalmen in z'n geheel te zingen (of: te prevelen), kon in de ogen van Watts geen genade vinden. Niet alleen omdat hij die methode (terecht) ongeschikt achtte voor gemèentezang, maar ook omdat hij veel Psalmfragmenten te 'oudtestamentisch' vond om door een nieuwtestamentische gemeente te worden gezongen: "Juist als wij in een evangelische gezindheid komen doordat sommige van de heerlijkheden van het Evangelie ons in de helderste beelden van het Jodendom worden gepresenteerd, leest de voorzanger ons een volgende regel voor waarin iets voorkomt dat zó oudtestamentisch is, zo overschaduwd, dat het ons uitzicht op God de Verlosser verduistert: zodat, als wij te dicht bij David blijven in het huis Gods, de sluier van Mozes over onze harten wordt gespreid."
Watts wil de Psalmen 'kerstenen': "Op die manier zou ik mij er in verheugen als een goed deel van het Boek der Psalmen geschikt werd gemaakt voor gebruik in onze kerken, en als David zo tot een Christen werd bekeerd: en omdat ik anderen niet kon overtuigen om dit heerlijke werk te beginnen, heb ik herzelf maar op mij genomen."
Als in 1719 het Psalter van Watts verschijnt, krijgt het als titel: 'De Psalmen van David nagebootst in de taal van het Nieuwe Testament'.
Openbaring onder de sluier?
Als ik deze woorden van Watts lees, dringt zich de gedachte aan me op: ligt het laatste boek van het Nieuwe Testament, Openbaring, misschien ook onder de 'sluier van Mozes'? Dat lijkt me een contradictio in terminis. In Openbaring wordt de sluier van de geschiedenis afgetrokken om ons de overwinning van Christus" Koningschap te tonen. Het is de Christus van het Evangelie die in de brieven aan de zeven gemeenten in Klein-Azië de 'lichte' en de 'donkere' zijde van zijn Koningschap laat zien. De lichte zijde: "Wie overwint, hem zal Ik geven te eten van de boom des levens, die in het paradijs Gods is" (2:7). De donkere zijde: "Bekeer u dan; maar zo niet, dan kom Ik spoedig tot u en Ik zal strijd tegen hen voeren met het zwaard van mijn mond" (2:16). En in de volgende woorden van Christus (2:26,27) herkennen we feilloos een Psalmvers dat door Watts ongetwijfeld zal zijn overgeslagen bij het berijmen van die Psalm: "En wie overwint en mijn werken tot het einde toe bewaart, hem zal Ik macht geven over de heidenen; en hij zal hen hoeden met een ijzeren staf, als aardewerk worden zij verbrijzeld, gelijk ook Ik van mijn Vader ontvangen heb, en Ik zal hem de morgenster geven." Ja, u herkende die 'oudtestamentische' Psalm 2 (vers 8 en 9): een Psalm die door Christus zelf kennelijk niet uit het Evangelie is geschrapt! In geen enkel boek van het Nieuwe Testament zijn zoveel 'Psalmen' te vinden als in de Openbaring aan Johannes. Ook in die Psalmen, in die hymnen, vinden we het 'tweesnijdende' karakter van Christus' zwaard.
In Openbaring 5(:9) zingen de 24 oudsten:
Gij zijt geslacht
en Gij hebt hen voor God gekocht met uw bloed
uit elke stam en taal en volk en natie,
en Gij hebt hen voor onze God
gemaakt tot een koninkrijk en tot priesters,
en zij zullen als koningen heersen op de aarde.
'Evangelisch' zou Watts dit lied noemen. Maar dezelfde 24 oudsten zingen in 11:17:
Wij danken u, Here God, Almachtige,
die is en die was,
dat Gij uw grote macht hebt opgenomen
en het koningschap hebt aanvaard;
en de volkeren waren toornig geworden,
maar uw toorn is gekomen
en de tijd voor de doden omgeoordeeld te worden
en om het loon te geven aan uw knechten,
profeten, en aan de heiligen
en aan hen die uw naam vrezen,
aan de kleinen en de grotenen
om te verderven wie de aarde verderven.
Was plotseling over de 24 oudsten de 'sluier van Mozes' gevallen?
Hoe 'nieuwtestamentisch' was Mozes al: hij redeneert, bij de aanblik van al die lijken in de woestijn, Gods toorn niet weg (vs. 7), maar neemt zijn 'toevlucht' (vs 1) tot Gods 'goedertierenheid' (vs 14) en Gods 'liefelijkheid' (vs 17):
Verheug ons naar de dagen waarin Gij ons hebt verdrukt,
naar de jaren waarin wij onheil hebben gezien.
Laat uw werk aan uw knechten openbaar worden
en uw heerlijkheid over hun kinderen;
de liefelijkheid van de Here, onze God, zij over ons.
Zulke 'evangelische' gebeden verhoort de Here.
Psalmboek als krachtbron
'O God, die droeg ons voorgeslacht', die droeg ons voorgeslacht' is een prachtig lied over Gods trouw van generatie op generatie: een lied dat we nog hard nodig zullen hebben nu het er zo om gaat spannen. Maar het is geen berijming van Psalm 90. In het Liedboek treft u het dan ook niet aan in de rubriek 'Bijbel liederen', maar onder het kopje 'Jaarwisseling'al zing ik het evengoed op 31 januari of 1 februari, ter herinnering aan de stormnacht, toen het water over de difken spoelde. Mozes verzuchtte (vs 3):
Gij doet de sterveling weerkeren tot stof,
en zegt: Keert weder, gij mensenkinderen.
Gij spoelt hen weg;
zij zijn als een slaap in de morgen,
als het gras dat opschiet:
in de morgenstond bloeit het en schiet het op,
's avonds verwelkt het en het verdort.
Bij Watts kon God zoiets niet doen, en daarmee was hij een voorloper van veel hedendaagse evangelicals. Hij houdt het neutraler, bij 'de tijd die al zijn zonen wegdraagt':
Time, like an ever-rolling stream,
Bears all its sons away;
They fly forgotten, as a dream
Dies at the opening day.
Per slot is Vadertje Tijd een onpersoonlijke figuur. In een alternatieve vertaling van het lied van Watts lees ik, dichter bij Mozes:
Wij zijn als gras dat snel verdort
voor de adem van uw mond,
een droom die afgebroken wordt
vroeg in de morgenstond.
In U, O God, ligt ons behoud:
Gij hebt uit elk geslacht
het volk dat op uw naam vertrouwt
veilig naar huis gebracht.
In het Liedboek hebben we twee Psalmbewerkingen van Watts: gezang 397 en gezang 281: een zendingslied naar Psalm 72, dat ik een volgende keer hoop te bespreken. Beide hymns vormen een verrijking van ons gezangenboek, maar ik ben blij dat ons Psalter er anders uit ziet: dat de 150 Psalmen bij ons niet op zo'n selectieve, bijna willekeurige, manier berijmd zijn. Dat hebben we te danken aan Calvijn: hij koos voor een onverkorte berijming van de Psalmen naar het Hebreeuwse origineel. Op die manier blijft het Boek der Psalmen in z'n geheel voor ons beschikbaar. Psalmen of Psalmfragmenten die we nu slechts met moeite over onze lippen krijgen, kunnen over enkele jaren voor ons een bron van kracht en troost vormen.
Als christenen 'ongelijk' behandeld gaan worden, zullen we die krachtbron hard nodig hebben, omdat situaties waarin David en Asaf verkeerden, plotseling zo herkenbaar geworden zijn. Daarom is het zaak die Psalmen nu vast te kennen: zodat we ze straks bij de hand - nee: bij de tong, en in het hart - hebben.
Melodie en ritmiek
Isaac Watts heeft ook een aantal 'vrije' liederen geschreven, maar van al zijn hymns werd 'O God, our help' het meest geliefd. De gedragen, zelfs statige, melodie, die de naam 'St Anne' meekreeg, heeft daar toe bijgedragen.
Waarschijnlijk is ze van de hand van William Croft De eerste regel ervan was in de tijd van Watts reeds algemeen bekend: uit een melodie van Henry Lawes uit 1637en uit de 6e Anthem 'O praise the Lord' van Händel. In ons land kreeg het lied vooral bekendheid door de Hervormde bundel van 1938 (gez. 293). Daar stond de melodie' genoteerd zoals in alle Engelse gezangboeken: isoritmisch, 'op hele noten'. De samenstellers van het Liedboek brachten een verandering aan in de ritmiek: de eerste en de laatste noot van elke regel bleven lang, de er tussen liggende noten werden kort (zo zong men in 1773 de psalmmelodieën!). Daardoor heeft de statige gang van de melodie, die zo goed past op de tekst die immers een gang door de eeuwen beschrijft, iets 'trekkerigs' gekregen. Ik hoop dat het Liedboek-2000 de oude ritmiek zal herstellen.
Noten
1 Een Compendium van achtergrondinformatie bij de 491 gezangen uit het Liedboek voor de kerken, blz. 1272 (uitg. van de Prof.dr. G. v.d, Leeuwstichting in Amsterdam).
2 Prof.dr. G. v.d. Leeuw: Beknopte geschiedenis van het kerklied, blz. 236.