Christelijke troost
1995-11-03
In ons gekweld bestaan is het een grote troost te mogen weten, dat Jezus Christus ons lijden eens en voor altijd op zich heeft genomen. Al onze ziekten, onze pijn en angst, heel ons verdriet heeft Hij gedragen.- Jaargang 39
- nummer 22
In voor- en tegenspoed
Leed is geen ding. We kunnen het niet opnemen en afleggen als iets dat buiten ons omgaat. Mijn pijn dat ben ikzelf, ik ben de gebrokene die lijdt. Hij die mijn ziekten op zich neemt, neemt mij op zich. Hij die mijn smart draagt, draagt mij. Zoals ik ben, draagt hij mij. Hij maakt mij tot zijn eigendom. De oude Heidelbergse Catechismus heeft dat een unieke troost genoemd, en generatie op generatie hebben ouders die blijde boodschap doorgegeven aan hun kinderen. Troost in leven en sterven. Troost in iedere existentiële situatie van voor de wieg tot over het graf: loof en gras, regen en droogte, vruchtbare en onvruchtbare jaren, spijze en drank, gezondheid en ziekte, rijkdom en armoede, en alle dingen. Geen dag ongetroost, in tegenspoed niet, in voorspoed niet. Het eerste begrijpen we, maar het laatste? Waarom zouden wij bij loof, gras, regen, vruchtbare jaren, voedsel, kleding, onderdak, gezondheid, kortom bij alle goede dingen van het leven, getroost moeten worden? De zieke behoeft troost, ja. Maar de gezonde? De stervende, hij wel. Maar de levende? Het zeggen dat een mens troost behoeft ook als het hem goed gaat, getuigt dat niet van een sombere kijk op de werkelijkheid? Gaat het eigenlijk wel aan om van het leven te spreken als van een 'gekweld bestaan'? Niemand minder dan Mozes heeft deze vragen voor ons beantwoord in zijn gebed om dagelijkse levenswijsheid. "De dagen van onze jaren", zei hij, "daarin zijn zeventig jaren, en, indien wij sterk zijn, tachtig jaren; wat daarin onze trots was, is moeite en leed, want het gaat snel voorbij en wij vliegen heen."
Wij gaan voorbij
Zo is het onder de zon, je kunt het voor ogen zien. Je lieve vrouw sterft en haar stoel blijft leeg, haar hoofdkussen onbeslapen, zonder holte, altijd opgemaakt. AI levende gaan wij voorbij, al levende sterven wij. Ons leven is tenslotte niet anders dan een gestadige dood. Dat is een immens verdriet, zo groot, dat het alle blijdschap verslindt als je er letterlijk bij stil blijft staan. Dan kun je niet meer voort. Leven is de belofte van een toekomst hebben. Leven kan niet zonder hoop.
Het heden kan niet zonder verwachting, vandaag niet zonder morgen, inslapen niet zonder ontwaken, sterven niet zonder opstaan. De belofte van leven is het, die onze levenswerkelijkheid draagt en radicaal omkeert, zodat vergankelijke mensen vol verbazing zeggen: "Iedere dag sterven wij en zie, wij leven."
Wij gaan voorbij. Zo in ziekte, zo in gezondheid. In gezondheid kunnen we het weten, in ziekte moeten we het ervaren. Het verschil tussen ziekte en gezondheid is schrijnend genoeg om met Hizkia hartstochtelijk om genezing te bidden, maar het is niet fundamenteel. De zieke is de gezonde een teken, hij leert hem wijsheid, en de gezonden verarmen als ze de zieken van zich afzonderen. De aan een gezondheidsideaal verslingerde samenleving, die de gebrokenheid medicaliseert, het lijden afkoopt met de financieringslasten van een geavanceerde gezondheidszorg, en haar getekenden overlaat aan instellingen, berooft zichzelf van onmisbare zin-tekenen. Die samenleving is verblind.
Hij is onze vrede
In Jezus Christus, die onze smarten op zich nam en onze ziekten droeg, is de belofte van leven voor al Gods kinderen gegarandeerd. Ziekten en smarten zijn gestalten van de dood. Wie ziekte op zich neemt, neemt de dood op zich. Wie de dood op zich neemt, neemt zijn sterfelijk kind op. Hij draagt het in zijn armen, als een goede herder zijn verdwaalde, verwonde, uitgeputte schaap. Hij draagt het door de diepte heen.
En de kerk? Als zij verwereldlijkt en zich assimileert wordt haar diaconaat evangelieloos: haar boodschap zegt de welvarenden, de 'rijken' niets. Het evangelie is immers voor de armen.
Men zegt van onze kinderen dat zij met het geloof van hun ouders niets meer kunnen beginnen. Zo gaat dat, als de arts in smetteloos wit het ambtskleed van de pastor om de schouders wordt gelegd. Dan lopen de kerken leeg en barsten de ziekenhuizen uit hun voegen. De christelijke troost is geen gelegenheidswoord voor sommigen. Allen behoeven haar altijd, in voorspoed om dankbaar te zijn, in tegenspoed om geduld te betrachten. Dat mag ons in volle omvang duidelijk worden als we luisteren naar Jesaja's aangrijpende profetie. Onze vergankelijkheid wordt daarin op het diepst gepeild. We horen spreken van de dood in al zijn gestalten: ziekte en smart, verachting en verlatenheid, plagen, slagen en verdrukking, verbrijzeling, striemen en mishandeling, slachting tenslotte. Zo leren we ootmoedig verstaan wat het betekent, dat de Heiland onze ziekten op zich nam en onze smarten droeg. "Wij allen dwaalden als schapen en wendden ons ieder naar zijn eigen weg, maar de HERE heeft ons aller ongerechtigheid op Hem doen neerkomen." In één woord: Hij is onze vrede. Niet minder dan de ziekte, staat de troost in het teken van het kruis. Gezonden en zieken, troosters en getroosten, zijn wederzijds huns gelijken: schapen van één kudde zijn zij allemaal.
(Bij wijze van voorpublicatie plaatsen wij hier één van de hoofdstukjes uit een binnenkort te verschijnen boek van C. Huizinga uit Heerenveen. Het boek - 'Het beste komt nog' - wordt uitgegeven door Kok Voorhoeve te Kampen)