Na twintig jaren (2)

1995-11-17
  • Jaargang 39
  • nummer 23
Het is al meer dan eens en bij verschillende gelegenheden opgemerkt, dat de gesprekken tussen de vertegenwoordigers van onze kerken met die van de Chr. Geref. Kerken de laatste jaren worden gekenmerkt door grote matheid. En dat is zeker in de laatste periode tussen de Chr. Geref. Synode van Apeldoorn 1992 en de huidige van Zierikzee het geval geweest.

Matheid
Het was drie jaar geleden voor onze Commissie voor Contact en Samenspreking uitermate teleurstellend toch nog eens weer het gesprek over onze visie op de 'toeëigening des hei Is' te moeten aangaan. Wij gingen er destijds stellig van uit, dat ook van Chr. Geref. zijde daar geen behoefte meer aan zou zijn. En we waren dan ook onaangenaam verrast, dat de Synode van Apeldoorn aan de Deputaten toch nog eens weer de opdracht gaf de verschillen op dit punt nader in kaart te brengen en zo mogelijk weg te nemen. Tevens herhaalde Apeldoorn de opdracht van de synode van Groningen 1989 om de e.v. synode te dienen met een duidelijke formulering van de verschillen en met een gefundeerd antwoord op de vraag of de besproken vragen een belemmering zijn op de weg naar verdere eenheid.
Daarnaast zou ook ons Akkoord van Kerkelijk Samenleven (AKS) een gespreksonderwerp zijn, alsmede alles wat verder een blokkade op de weg naar eenheid zou kunnen zijn. In de eerste ronde van de bespreking van het Deputatenrapport op de synode van Zierikzee op 19 oktober j.l. vroeg één van de afgevaardigden zich af, of de Deputaten eigenlijk niet teveel gespitst zijn geweest op het kijken naar belemmeringen i.p.v. naar zaken, die ons binden. En als je de besluiten van de vorige synode in dezen nog eens op je in laat werken, lijkt dat inderdaad aan de opdracht inherent te zijn. En je kunt je met recht afvragen, of hier ooit iets positiefs uit voort had kunnen komen.

Knarsende remmen
Want - dat mag duidelijk zijn - van een positief resultaat is allerminst sprake. De uitkomst van de gesprekken bracht verdeeldheid onder de Chr. Geref. Deputaten. De meerderheid van hen vond de resultaten dusdanig onbevredigend, dat men de huidige synode vroeg maar geen nieuwe opdracht tot samensprekingen meer te geven. En men raadde besluiten af, die uitbreiding van de kontakten met ons beoogden. M.a.w. de trein richting station eenheid, die via de tussenstations Den Haag 1986, Groningen 1989 en Apeldoorn 1992 toch al steeds langzamer is gaan rijden, zou, als het aan de meerderheid van de Deputaten ligt, in Zierikzee met knarsende remmen tot stilstand komen. Als belangrijkste argument voor een dergelijke besluitvorming wordt genoemd, dat de verschillen m.b.t. de toe-eigening van het heil en de funktionering daarvan zijn blijven bestaan èn dat deze verschillen een belemmering zijn voor kerkelijke eenheid.
Andere redenen om het gesprek niet langer voort te zetten zijn de vragen, die met name in de laatste ronde gerezen zijn over onze visie op de relatie tussen Schrift en belijdenis en het recente besluit van onze Landelijke Vergadering van Apeldoorn om de kerken de ruimte te bieden zusters te roepen tot het ambt van diaken. En ook de besluitvorming inzake het AKS voldeed niet aan de hoop en verwachting van de Deputaten. De voorgestelde en aangebrachte wijzigingen in ons Akkoord kwamen wel aan hun bezwaren tegemoet, maar namen die toch niet geheel weg. En min of meer en passant sprak de meerderheid van Deputaten als hun oordeel uit, dat het gewenst is om duidelijkheid te krijgen in de positie van de samanwerkingsgemeenten. Dat zijn die kerken, zoals Almere, Lelystad en Nieuwegein, waarin het tot volledige integratie is gekomen van de Chr. Geref. en de Ned. Geref. gemeente.
Zoals u in het vorige nummer van Opbouw al hebt kunnen lezen, maakt het rapport van Deputaten melding van de mening van sommigen onder hen, die deze gemeenten in de toekomst voor de keuze zouden willen stellen tot welk kerkverband ze uiteindelijk willen horen. Maar deze wat terloopse opmerking heeft op de synode opvallend veel aandacht ontvangen.

Blijven praten
De minderheid van de Chr. Geref. Deputaten ging in de rapportage en evaluatie van de gesprekken met ons een heel eind met de meerderheid mee. Maar in de taxatie van het één en ander kwam men toch tot een duidelijk eigen positiebepaling. Dat resulteerde ook in andere voorstellen. Zo achtte ook de minderheid het moment gekomen, dat het gesprek over de toeëigening van het heil inderdaad moest worden beëindigd. Weliswaar stelden ook zij vast, dat de verschillen op dit punt waren blijven bestaan en dat het niet te verwachten was dat ze ooit zouden worden weggenomen.
Maar men was van oordeel, dat de aard van de verschillen geen struikelblok voor kerkelijke eenheid vormt.
Hoeft dit dus inderdaad geen gesprekspunt meer te zijn, op andere punten blijft volgens de minderheid van Deputaten een gesprek wel zinvol. En dan wordt het functioneren van ons AKS genoemd, ons besluit het diakenambt voor zusters open te stellen alsook onze visie op de relatie tussen Schrift en confessie. Overigens stuurt de minderheid er op aan, het gesprek met onze kerken meer aan de basis te laten plaatsvinden, dus in de plaatselijke gemeenten zelf.
Ook de minderheid vraagt aandacht voor de positie van de samenwerkingsgemeenten. Maar het kader waarbinnen dat gebeurt is meer die van pastorale zorg voor deze kerken, die door de stagnerende samenwerking op landelijk niveau uiteraard in grote spanning kunnen komen, met name naar het Chr. Geref. kerkverband toe. Overigens is het veelzeggend en misschien ook haast wel onvermijdelijk, dat deze samenwerkingsgemeenten eigenlijk slechts vanuit de eigen Chr. Geref. optiek bekeken worden. De minderheid van Deputaten vraagt nl. aandacht voor de samenwerkingsgemeenten "opdat de band van deze gemeenten aan het eigen kerkverband blijve bewaard'", Of zou bij de woorden 'eigen kerkverband' misschien zowel aan het Chr. Geref. als aan het Ned. Geref. kerkverband gedacht zijn? Gelet op wat zowel door de meerderheid als door de minderheid van Deputaten als punten van verschil te berde is gebracht, wil ik achtereenvolgens nog iets zeggen over het item van de toeëigening des hei Is, onze visie op de relatie tussen Schrift en belijdenis, de ontwikkelingen inzake het AKS, de implicaties van het besluit om zusters toe te laten tot het diakenambt en de positie van de samenwerkingsgemeenten.

Toe-eigening des heils
In mijn toespraak tot de synode heb ik als klacht geuit, dat we nog steeds geen uitsluitsel ontvingen over de vraag of onze visie op deze zaak binnen of buiten de grenzen van Schrift en belijdenis valt. Terwijl dit toch ook voor de Chr. Geref. kerken zelf bijzonder onbevredigend moet zijn, omdat al diverse synoden er op hebben aangedrongen in dezen een helder advies te geven, zodat de synode tot een duidelijke uitspraak kan komen. De meerderheid van Deputaten ontwijkt echter een antwoord op deze vraag door te stellen, dat het vrijwel onmogelijk is om de gebleven verschillen zo te formuleren, dat wij ons in die formulering herkennen. Maar, zo vraag ik mij dan af, waren die verschillen al niet zeer herkenbaar geformuleerd in de Gemeenschappelijke Verklaring van 1975. En is daar in al die twintig jaar ook maar iets aan toegevoegd in de samensprekingen? Het Deputatenrapport noemt overigens zelf als belangrijkste verschil de visie op de relatie tussen Gods soevereiniteit en de menselijke verantwoordelijkheid, waarbij h.i. de weegschaal bij ons steeds weer doorslaat naar het laatste, met het dreigende gevaar van Remonstrantisme. Nu, afgezien van de taxatie ervan is daarmee dit verschil tussen ons ook voor ons toch wel degelijk heel herkenbaar geformuleerd. Ter synode werd wel aan de Deputaten gevraagd hoe men tot dit oordeel komt, omdat men de onderbouwing daarvan gemist had. En dat is inderdaad ook het grote probleem van onze Kommissie. Men stélt wel, dat wij de menselijke verantwoordelijkheid overaccentueren, maar men bewijst dat niet uit de stukken. Want daaruit zijn ook heel andere geluiden op te vangen. Als Ds. Den Butter als woordvoerder van de meerderheid van Deputaten op de synode het geloof zowel een gave als een ópgave noemt, zal dat van onze zijde onmiddellijk van harte worden beaamd. Hij stelde vast, dat als van hun kant het geloof als gave werd benadrukt, bij ons uit angst voor lijdelijkheid het geloof als opgave werd beklemtoond. Je kunt echter met evenveel recht zeggen, dat bij elk accent onzerzijds op geloof als opgave aan hun zijde uit angst voor remonstrantisme het geloof als gave werd onderstreept. Maar illustreert dat niet, dat we in dezen elkaar nodig hebben en elkaar juist zo prachtig kunnen aanvullen om te voorkomen dat we in eenzijdigheden vervallen? In het verleden is ook van onze kant meer dan eens verklaard, dat we op dit punt onze winst hebben gedaan met wat ons van Chr. Geref. zijde is voorgehouden. Maar een blik in onze geschiedenis leert overduidelijk, dat deze verschillen in accent in de kerken van de Reformatie altijd recht van bestaan naast elkaar hebben gehad. In dit kader is het overigens opvallend, dat men in de richting van de vrijgemaakten, met wie men zeer indringend over dezelfde zaken gesproken heeft en bij wie men op exact dezelfde accentverschillen stuit, geen bezorgdheid over dreigend Remonstrantisme uitte. Integendeel, men stelde in de gesprekken met hen over dit onderwerp grote vorderingen te hebben gemaakt.

Relatie Schrift-belijdenis
Het is van groot belang te weten in welk kader deze relatie in de laatste gespreksronde tussen onze Kommissie en de Chr. Geref. Deputaten ter sprake is gekomen. Op een bepaald moment in onze gedachtenwisseling rondom de toeëigening des heils werd door leden van de Kommissie opgemerkt, dat de zaken in geding wel degelijk ook in onze kerken aan de orde komen en aandacht krijgen. Alleen, zo werd gezegd, zal dat onder ons niet zo sterk gebeuren in termen van de traditie of de confessie. Wij geven er de voorkeur aan zoveel mogelijk de taal van de Schrift zelf te spreken.
Dit stuitte bij de Chr. Geref. broeders op grote verwondering. Wat konden wij er op tegen hebben de taal van de confessie te spreken? En wordt de continuïteit met het verleden niet onder druk gezet als men vermijdt die taal te spreken? Ja, is er niet het gevaar dat met het verdwijnen van de confessionele termen ook de daarmee aangeduide zaken verdwijnen? Eén van de afgevaardigden in Zierikzee vroeg overigens terecht of men moest hangen aan de termen of aan de zaak die daarmee is aangeduid. Want als met de termen de zaak verdwijnt, dan staat het met de zaak niet zo best.
Op de synode verklaarde Ds. Den Butter dat de Deputaten bepaald geschokt waren door sommige uitlatingen onzerzijds, die zelfs te erg waren om zomaar in het openbaar genoemd te worden. Toen wij hem in de wandelgangen vroegen deze uitermate suggestieve uitspraak eens te onderbouwen, bleek het te gaan om een uitdrukking van Ds. Horsman, die in één van onze kontakten gezegd had, dat in de confessie ook veel 'oude stoffige termen staan'. Daar was werkelijk niet meer mee bedoeld, dan dat we in de belijdenisgeschriften meer dan eens met verouderd taalgebruik te maken hebben, dat daarom bij ons op de preekstoel en in het catechisatielokaal niet meer zo snel gehoord zal worden. Dergelijke uitdrukkingen worden echter gehoord als onbetamelijke geringschatting van de confessie. Het is eigenlijk bijzonder onbevredigend, dat je als Ned. Geret. vertegenwoordiger op zo'n synodezitting niet de gelegenheid hebt om je tegen zulke onbillijke en eenvoudig weerlegbare beschuldigingen te verdedigen. En ik vind het eerlijk gezegd onvoorstelbaar, dat dit nu officieel als een eventueel nieuw punt van gesprek wordt opgevoerd! En opnieuw verbaast het me, dat de Chr. Geref. Deputaten wel met 6ns hierover willen spreken en niet met de vrijgemaakten. Want in het rapport van de gesprekken met hen staat te lezen, dat de vrijgemaakten juist de Chr.
Gereformeerden zelfs verweten dat zij teveel vanuit de confessie en te weinig vanuit de Schrift spraken. Een dergelijk verwijt is door ons nooit geuit naar onze Chr. Geref. gesprekspartners toe. En toch vindt men in onze uitlatingen aanleiding om het als apart gesprekspunt aandacht te geven.
In een laatste en afrondend artikel zal ik nader ingaan op de nog overgebleven zaken. Dan is inmiddels ook bekend welke besluiten de synode van Zierikzee uiteindelijk in dezen genomen heeft.

Noot:
Deputatenrapport pag. 51 onder 'spreekt uit 4.'

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief