Iemand had twee kinderen

1994-02-25
  • Jaargang 38
  • nummer 4
Het vorige artikel eindigde ik met een aanhaling uit Mt. 21, 32. Over de gelijkenis waarbij Jezus in dit woord aanknoopt (vv. 28 vlgg.) zou ik nog iets willen zeggen.

Alleen bij Mattheüs
Wat Mattheüs laat voorafgaan in de verzen 23-27 vinden we bij Marcus in 11, 27-33 en bij Lucas in 20, 1-8.Wat bij Mattheüs volgt (in 33-46) laat Marcus zonder onderbreking aansluiten bij het genoemde gedeelte, nl. in 12, 1-12.En evenzo Lucas, nl. in 20, 9-19. De gelijkenis die Mattheüs in VVo 28-32 optekent komt noch bij Marcus noch bij Lucas voor. Mattheüs lijkt hier een gedeelte uit eigen herinnering te hebben ingelast.
Dat we hier intussen niet met een storende onderbreking te maken hebben, maar dat - integendeel - Mattheüs hier Jezus wel laat voortborduren aan wat voorafgaat, is duidelijk. De vraag naar Jezus' bevoegdheid (v. 2~ had Deze immers zojuist beantwoord met een vraag naar de papieren van Johannes den Doper (v. 25). Een vraag waarop de overpriesters en oudsten geen antwoord wensten te geven; waarom Jezus van zijn kant ook hun een antwoord weigerde (v. 27).
Welnu, in rechtstreeks vervolg op die weigering gaat Jezus voort met de vraag "Wat dunkt u ...?" (v. 28). En dan laat hij de gelijkenis volgen van de twee zoons die voor hun vader moesten werken. Maar met die twee zoons in hun tweeërlei reactie op de opdracht van hun vader zijn respectievelijk bedoeld de hier aangesproken overpriesters en oudsten enerzijds en de tollenaren en hoeren anderzijds in hun tweeërlei reactie op de boodschap van ...Johannes den Doper! Zowel in vv . 23-27 als in vv . 28-32 staat de figuur van Johannes den Doper centraal.

De identificatie van Johannes den Doper bij Mattheüs
Om de herkomst en de zin van deze toevoeging bij Mattheüs te verstaan doen we er goed aan twee andere plaatsen bij dezen evangelist in ons onderzoek te betrekken waarin hij over Johannes den Doper spreekt.
De eerste daarvan is 11, 2-15. Het betreft hier de vraag die Johannes vanuit zijn gevangenis liet overbrengen aan Jezus: "Bent U degene die komen zou?". Na de afvaardiging een antwoord te hebben meegegeven wendt Jezus zich tot de schare, en spreekt hun over de positie en de betekenis van den Doper. De bewuste passage is eveneens te vinden bij Lucas, nl. in 7,18-20. (Alleen zijn bij dezen e.vangelist de woorden die Mattheüs in v. 13 heeft, te vinden in 16, 16.) Evenwel is er bij Mattheüs een toevoeging te vinden die Lucas mist, nl.: "en indien gij het wilt aanvaarden: hij (d.i. Johannes den Doper) is Elia die komen zou" (v. 14). Bij beide evangelisten, Mattheüs en Lucas, zet Jezus Johannes den Doper in het licht van de profetie uit Mal. 3,1 (bij Mt. in 11, 10; bij Lc. in 7, 27). Maar alleen bij Mattheüs identiticeert Hij Johannes den Doper uitdrukkelijk als den Elia, in Mal. 4, 5 aangekondigd.
De tweede plaats is Mt. 17, 1-13, het verhaal van de verheerlijking op de berg. Dat vinden We behalve bij Mattheüs zowel bij Marcus (in 9, 2-13) als bij Lucas (in 9, 28-36). Echter: alleen Mattheüs en Marcus hebben hier het gesprek vastgelegd dat Jezus, nadat Hij van de berg is afgedaald, met zijn discipelen voert Over de komst van Elia (Mt. 17,9'-13 en Mc. 9,11-13). Lucas laat dat weg.
Maar weer is er, nu tussen Mattheüs en Marcus, dat opmerkelijke verschil dat we daareven tussen Mattheüs en Lucas signaleerden. Bij Marcus nl. zegt Jezus, evenals bij Mattheüs, wél: "Ik zeg u, Elia is al gekomen en ze hebben aan hem hun willekeur botgevierd"
(v. 12 bij Mt., v. 13 bij Mc.), maar alleen Mattheüs voegt daaraan toe: "Toen begrepen de discipelen, dat Hij over Johannes den Doper tot hen gesproken had" (v. 13).
Opnieuw dus die expliciete identificatie van Johannes den Doper als den Elia uit Mal. 4, 5.

Waar komen die twee zoons vandaan?
Ik denk, dat Mattheüs door wat hij op de genoemde beide plaatsen extra geeft, ons op het spoor zet om te ontdekken, waar de gelijkenis van dien Vader met twee zoons vandaan komt.
Die zal Jezus hebben ontleend aan Maleachi; en wekaan het slot van diens derde hoofdstuk.
De Heere kondigt daar aan, dat in het komende gericht - waaraan de komst van Elia zal voorafgaan (4, 5)! - het onderscheid zal blijken "tussen den rechtvaardige en den goddeloze; tussen wie God dient en wie Hem niet dient" (3, 18).Op die dag zullen nl.
"wie Hem vrezen en zijn Naam in ere houden den Heere ten eigendom zijn"
(vv. 16, 17a), d.w.z.voor Hem als een kostbaar bezit gelden, waar Hij zorgvuldig op past. Dezen zal Hij - zo heet het vervolgens - "sparen (d.w.z. ontzien in het oordeel), zoals iemand zijn zoon spaart die hem dient" (v. 17b).

Vader / heer en zoon / knecht
"Zijn zoon die hem dient": met deze figuur was de profeet zijn requisitoir tegen de priesters ook begonnen (in 1, 6): "Een zoon eert zijn vader en een knecht zijn heer. Indien ik nu een vader ben, waar is de eerbied voor Mij?
En indien Ik een heer ben, waar is de vrees voor Mij?". In zijn commentaar op deze tekst merkt Van der Woude op: "Bij 'èbèd', 'dienaar', 'knecht', behoeft niet uitsluitend aan een slaaf, maar kan ook aan een zoon gedacht zijn, vgl. 3:17b1."
Zoals in 3, 17 blijkt, gaat het in 1, 6 inderdaad om één en dezelfde persoon: om een zoon die tegelijk ook knecht is bij zijn vader; om iemand die wel 'dient', maar dan niet bij een vreemde, nee: zijn 'baas' is zijn eigen vader. In deze figuur van den dienenden zoon kon Israël zichzelf gemakkelijk herkennen. Het behoefde zich maar de woorden te herinneren waarmee Mozes op Gods bevel den Farao sommeerde Israël te laten gaan: "Zo zegt de Heere: Israël is mijn eerstgeboren zoon; daarom zeg Ik u: laat mijn zoon gaan, opdat hij Mij diene", Ex. 4, 22, 23. En het sparend optreden van dien Vader jegens dezen zoon bij de voltrekking van het oordeel hadden de Israëlieten aan den lijve ervaren, toen de engel Egypte's eerstgeborenen doodde, maar de hunne voorbijging.
En inderdaad gaat het bij Maleachi over - en tegen - het volk Israël (1, 1; 2,6) in zijn geheel (3,9), al worden de priesters in het bijzonder aangesproken (1,6; 2,1). Die hadden immers tot taak het volk in het rechte spoor te houden (2,5-7), maar waren zelf "van de weg afgeweken". Daardoor hadden ze ook van het volk "velen doen struikelen"
(2, 8).

Schiftend gericht
Maleachi was dus begonnen met de ontrouw van den zoon die bij zijn vader in dienst is, te signaleren (1, 6): Waar blijft jullie eer, jullie vrees voor Mij, jullie Vader, jullie Meester? Den Heere te dienen is én priesters én volk te veel moeite (1, 13). Ze zeggen: dat levert ons niets op; daar zit geen brood voor ons in (3, 14). Maar de profeet weet, dat er onder zijn volk ook mensen zijn die het 'zoonschap' van Israël anders beleven; die "den Heere vrezen en zijn Naam in ere houden"
(3, 16: daar komen de 'eer' en de 'vrees' uit 1, 6 terug!). Mensen die weten: het levert wél wat op, den Heere, onzen Vader (vgl. ook 2, 10) te dienen; want onze daden worden bijgehouden in Gods gedenkboek (3, 16). En eens, op de oordeelsdag die God voorbereidt (3, 17), zal dat boek geopend worden. Dan zal onze Vader wie Hem dient, sparen, zoals Hij eens zijn zoon, Israël, spaarde in de nacht van de uittocht; maar wie Hem niet dient straffen, zoals Hij toen Egypte trof.

Het oordeel is op handen
Het is, naar mijn indruk, dit grondmotief uit Maleachi's profetie dat Jezus heeft uitgebouwd tot de gelijkenis van de twee zoons die beiden bij hun vader in dienst waren. En Hij richt zich, evenals Maleachi, daarin speciaal tot de priesters, alsmede tot de oudsten van het volk (Mt. 21,33). Hij heeft hen die geacht mochten worden de Schrift te kennen, opzettelijk bepaald bij het dreigende gericht, door Maleachi aangekondigd.
Voor de derde maal bij Mattheüs wordt Johannes den Doper hier gezet in het licht van Maleachi's profetie. Johannes heeft, zoals het een priester, een zoon van Levi, een bode van den Heere (vgl. Mal. 2, 6.7) betaamde, "u de weg der gerechtigheid gewezen; maar u hebt hem niet geloofd" (v. 32).
Daarmee is de fase, voorafgaand aan het bij Maleachi aangekondigde gericht, voorbij. Nu staat niets de komst van dat oordeel meer in de weg.

Naschrift
Bovenstaand artikel had ik al geruime tijd geleden voor Opbouw geschreven, maar van inzenden was nog niet gekomen.
Inmiddels is in ons blad discussie ontstaan over de hier besproken tekst tussen drs. Biewenga en drs.
Noordhoek". Naar aanleiding daarvan veroorloof ik me alsnog een paar opmerkingen.
1. Hoe men hier de twee zoons als respectievelijk Israël en de heidenen heeft kunnen duiden, is mij, als ik exegetisch oordeel, een raadsel. Jezus heeft het hier tegen "de overpriesters, en oudsten van het volk", v. 23. Hun verwijt Hij, dat ze niet - in tegenstelling tot "de tollenaren en hoeren", v.
31 - "naderhand berouw hebben gekregen", v. 32. Het zijn dus de tollenaren en hoeren die geïdentificeerd worden met den zoon die aanvankelijk "nee" zei, maar "naderhand berouw kreeg", v. 29. En het zijn de overpriesters en oudsten die de trekken vertonen van den zoon die "ja" zei, maar niet ging. Dat is, dunkt mij, zonneklaar.
2. Over het tekstcritisch probleem, dat de volgorde betreft waarin de beide zoons worden 'opgevoerd', had ik mij niet uitgelaten. De zakelijke relevantie daarvan leek mij te gering, om er de lezers mee te vermoeien. Nu dit punt tot botsing aanleiding geeft, wil ik er toch op ingaan, om enkele dingen recht te zetten.
Zowel de bewering dat het voorop plaatsen van den zoon die "ja" zegt, maar niet gaat "nodig was om het stereotiepe beeld over 'Israël' te kunnen handhaven" (Noordhoek, p. 490, kol. 2), als de uitspraak dat "de gewoonte om de onwillige zoon die zich bekeert voorop te zetten mogelijk wordt, wanneer men uit het oog verliest dat het gaat tussen Israël en de volkeren" (Monshouwer-Bakker in het door Biewenga uit hun boek geciteerde, p. 491, kol. 3) is ernaast.
Zowel Noordhoek als Monshouwer-
Bakker veronderstellen een koppeling tussen het antwoord op de exegetische vraag "Wie zijn met deze zoons bedoeld?" en het antwoord op de tekstcritische vraag "In welke volgorde horen de nee-zegger en de jazegger te staan?". Volgens Noordhoek is de tekstcritische beslissing waarbij men den ja-zegger voorop zet blijk van de exegetische keuze waarbij men dien ja-zegger als 'Israël' interpreteert.
En evenzo kan men volgens Monshouwer-Bakker tekstcritisch slechts kiezen voor het voorop laten gaan van den nee-zegger, als men exegetisch onder dien nee-zegger niet langer 'de heidenen' verstaat.
Echter: het is niet waar, dat een bepaald exegetisch standpunt t.a.v. deze tekst gepaard zou moeten gaan met een bepaald tekstcritisch standpunt; dat dus de volgorde 'ja-zegger / neezegger' per se verbonden is met de uitleg 'joden / heidenen', en evenzo de volgorde 'nee-zegger / ja-zegger' met de uitleg 'tollenaars en hoeren / leidslieden'.
De onhoudbaarheid van de uitspraak van Monshouwer-Bakker blijkt wel uit wat Nielsen" vermeldt: bij de volgorde die Noordhoek tot de oorspronkelijke bombardeert (waarbij dus de eerste "nee" zegt, maar vervolgens wèl gaat) "voegen zich Origenes, Eusebius en Chrysostomos, die de oudkerkelijke exegese vertegenwoordigen, waarbij de ja-zegger (die niet ging) als betrekking hebbend op de joden, de nee-zegger (die wel ging) op de heidenen (= niet-joden) uitgelegd wordt". Alzo: de nee-zegger voorop geplaatst, maar desondanks gekozen voor de interpretatie 'heidenen / joden'I"
En wat de eerder van Noordhoek geciteerde bewering betreft: het moge hem tot nadenken stemmen, dat Nielsen zelf, ofschoon hij de interpretatie 'joden / heidenen' afwijst en het houdt op 'leidslieden / hoeren en tollenaars', niettemin kiest voor de door Noordhoek verworpen volgorde van Canisius, NBG en Willibrordus, m.a.w. dat hij toch den ja-zeggenden zoon (die nièt gaat) voorop laat gaan.
De keuze voor de ene of de andere volgorde wordt dus blîjkbaar niet per definitie bepaald door het voorstaan van de ene of de andere der gegeven uitleggingen.
Dat hier de uitgevers van de Griekse tekst, en in hun voetspoor de vertalers daarvan t.a.v. de volgorde in twee kampen zijn verdeeld, is simpelweg een gevolg van het feit dat er van de tekst-in-kwestie twee tegengestelde overleveringen bestaan, één waarin de nee-zegger voorop staat, en een andere waarin de ja-zegger eerst komt. "In het oorspronkelijke Griekse tweede testament (NT)", zo verzekert Noordhoek, "is het de eerste zoon uit de gelijkenis, die "nee" zegt op vaders uitnodiging tot werken in zijn wijngaard, maar wèl gaat ...". Deze bewering staat echter op zeer gespannen voet met de feiten. Als Noordhoek in dezen misleid is door zijn zegsvrouwe, zou hij er goed aan doen deze te verwijzen naar het boek van Bruce M. Metzger, dat ik in eerdere artikelen reeds enkele malen noemde: A Textual Commentary on the Greek New Testament, 1973. Het Editorial Committee van de United Bible Societies heeft zijn tekstkeuze t.a.v. Mt. 21, 29-31 gemarkeerd met een 'C', wat betekent ,,that there is a considerable degree of doubt whether the text or the apparatus contains the superior reading" (p. XVII). "Een aanzienlijke graad van twijfel"!! Zekerheid dat de door het Edit. Comm. gekozen lezing (die waarin de nee-zegger voorop gaat) de oorspronkelijke is, zoals Noordhoek het doet voorkomen, bestaat er dus in de verste verte niet volgens deze commissie van deskundigen. Kurt Alandzelf lid van het Edit.Comm. - schrijft in zijn samen met Barbara Aland geschreven boek Der Text des Neuen Testaments, Deutsche Bibelgesellschaft 1982, S. 318: "Nun gehört die Perikope von den beiden Söhnen ohne Frage zu den schwierigsten Aufgaben neutestamentlicher Textkritik ...". Het Edit.Comm. komt na zorgvuldige afweging van de gegevens dan ook slechts tot de conclusie, dat de door hen gekozen lezing "is more probably the original", o.a. omdat de tekstgetuigen waarop deze steunt "are slightly" (!!D.H.) better" dan die welke de tegengestelde volgorde hebben. Bovendien achten zij het aannemelijker dat iemand déze (door hen juist geachte) volgorde zou hebben gewijzigd dan dat het omgekeerde zou hebben plaats gehad. Over de kracht van de dáárvoor aangevoerde argumenten kan men m.i. twisten. Sterker acht ik hun overweging, dat de getuigen voor de andere volgorde (eerst de jazeggende, maar niet aan het werk gaande zoon; dan de nee-zeggende, maar later tot andere gedachten komende zoon) onderling zeer verschillen in de bewoordingen aan het slot van deze passage, terwijl de getuigen voor de tegengestelde lezing op dit punt homogeen zijn.
Ook voor mij slaat de balans uiteindelijk toch wel lichtelijk door naar de kantdie het Edit.Comm. kiest. Een bijkomend (maar m.i. bepaald niet het zwakste) argument ontleen ik aan de context. Aan de overpriesters en oudsten van het volk (de ja-zeggers dus, die niet gaan) wordt door Jezus verweten, dat zij de ommekeer in de houding van tollenaars en hoeren onder invloed van Johannes' prediking zich voor hun ogen hebben zien voltrekken (v. 32)",maar desondanks niet ook zelf alsnog de weg van bekering zijn ingeslagen.
Dat doet toch vermoeden, dat ook in de gelijkenis de bekering van den enen zoon genoemd zal zijn vóór de negatieve houding van den anderen.
Men kan bovendien nog aanvoeren - al is ook deze parallel allesbehalve beslissend - dat deze gelijkenis toch onmiskenbaar trekken van overeenkomst vertoont met die uit Lc. 15, 11-32. Nu, ook daar krijgen we eerst de beschrijving van den jongsten zoon, die, na aanvankelijk van zijn vader te zijn weggezworven, later tot andere gedachten komt en terugkeert.
Pas aan het eind horen we den vader een appèl doen op zijn oudsten zoon, die, ofschoon hij weet van de terugkeer van zijn broer, niet mee wil doen aan het feest.
Wat dan wel de reden van de wijziging in de volgorde is geweest? Ik geef nogmaals Aland het woord: " ...
Schema I und Schema 11sind in der Sachaussaçe identisch und vertau schen nur die Reihenfolge. Weshalb das geschah, bleibt eine offene Frage ...". Waarom een tijdlang de tweede versie, zoals blijkt uit o.a. NBG en Willibrord - er zouden nog andere voorbeelden kunnen worden toegevoegd, zoals Anne de VriesIVan Stempvoort - in de Nederlandse vertalingen opgeld heeft gedaan? Heel simpel, denk ik, omdat de toenmaals gezaghebbende editie van de Griekse tekst, nl. die van Nestie tot en met de 25ste druk, daarvoor had gekozen; en dat waarschijnlijk vooral onder de indruk van de hoge waarde van het handschrift B (de Vaticanus), dat oudtijds (tot en met Tischendorf) onvoldoende bekendheid had gekregen5. Dit handschrift staat weliswaar nog steeds zeer hoog aangeschreven. Maar met name de resultaten van het breed opgezette onderzoek van Aland c.s. op het gebied van de nieuwtestamentische tekstcritiek, hebben ertoe geleid, dat men dezen kroongetuige iets minder sterke voorrang geeft dan voorheen.
Nu worden de resultaten van Alands onderzoekingen en de daarop berustende nieuwere inzichten in de tekstgeschiedenis van het NT in de Nestle-editie pas openbaar in de 26ste druk (1979). En déze grondig herziene druk wordt tegenwoordig vrij algemeen aan vertalingen ten grondslag gelegd, zoals b.v. aan KBS '87. Voor Mt. 21, 29-31 betekent dat een terugkeer tot de orde van (o.a.) de Statenvertaling.
Intussen heeft men al kunnen constateren, dat het thans dominerend tekstcritisch standpunt iemand als Nielsen niet verhindert de andere opvatting te verdedigen. Omgekeerd heeft in een periode waarin de oude visie van Nestie de toon aangaf, Grosheide duidelijk positie gekozen voor de lezing waarin de nee-zegger voorop gaat (Comm. op Mattheus in de Van Bottenburg-reeks, 1922).
Conclusie: men moet m.i. aannemen, dat het tekstcritisch inzicht Nestie geleid heeft tot het kiezen voor de volgorde ja-zegger / nee-zegger. Ik zie geen enkele aanleiding hem ervan te verdenken, dat hij "het stereotiepe , beeld over Israël wiIde handhaven", zoals Noordhoek suggereert.
Men moet trouwens de tekstcritische en de exegetische vraag die zich hier voordoen los van elkaar zien. Gebleken is, dat bij beide tekstcritische keuzen beide exegetische standpunten verdedigd werden.

1 Drs. A.S.van der Woude, Haggai/Maleachi (in de reeks' De prediking van het Oude Testament'), Nijkerk 1982,blz. 94.
2 Opbouw, jrg. 37, nr. 27, blz. 490-493.
3 Dr. J.T. Nielsen, Het Evangelie naar Mattheus 11 (in de reeks' De prediking van het NieuweTestament').4de druk, Nijkerk 1990, blz. 189.
4 Curieus is wat Nielsen dan laat volgen: "Deze opvatting sluit aan op joods-rabbijnse parallell en die spreken over een verwante gelijkenis, waarin alleen Israël de Thora aannam die God wilde geven en verder geen enkel ander volk. Het ene volk na het andere werd gevraagd: ze zeiden ja, maar deden het niet".
5 Zie Aland, S. 118

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief