Het mooiste dat je kan overkomen

2010-05-28
  • Jaargang 54
  • nummer 11
Op het vlak van het zegenen zijn er allerlei ontwikkelingen gaande. Strekte vroeger alleen een ambtsdrager de handen uit, nu zingt men in menig gemeente het kinderliedje: ‘Ik zegen jou in Jezus’ naam, Hij bewijst zijn trouw. Ik zegen jou in Jezus’ naam, Hij blijft bij jou.’ Het zijn boeiende ontwikkelingen, want zegenen is een zeer belangrijk woord in de Bijbel. Een verkenning.

Het gebeurt naar mijn indruk nog niet zo heel lang dat christenen in Nederland elkaar zegenen. De eerste keer dat ik hiervan hoorde, is ongeveer dertig jaar geleden. Kinderen die aan de kampen van In de ruimte te Soest hadden deelgenomen, werden voordat zij weer naar huis gingen met enig ritueel gezegend. Degene die me hierover vertelde – zij was groepsleidster en van huis uit gereformeerd – voelde zich hier buitengewoon ongemakkelijk onder. Inmiddels heeft het gebruik om elkaar te zegenen ruim ingang gevonden, vooral in evangelische kerken, maar ook daarbuiten. Zelf kom ik geregeld samen met evangelische broeders en zusters en altijd wel komen in hun gebeden uitdrukkingen voor als ‘Heer, ik zegen mijn broeder Jan’, of ‘Ik zegen meneer x, die in onmin met mij
leeft. Ik zegen hem, Heer.’

Gedemocratiseerd
Ten opzichte van vroeger zijn er in ieder geval drie verschillen aanwijsbaar. Eerst werd de zegen uitsluitend gegeven door een daartoe aangestelde ambtsdrager, nu zegenen ook niet-ambtsdragers. Eerst werd de zegen uitsluitend in de eredienst gegeven, nu wordt ook bij heel andere gelegenheden gezegend, zoals op conferenties, tijdens pastoraal contact of in het gezin. En eerst werd de zegen geformuleerd als een bede (De HERE zegene u), nu wordt de zegen welhaast cadeau gedaan alsof degene die zegent daarover de beschikking heeft (Ik zegen jou in Jezus’ naam).
Op het vlak van het zegenen zijn dus allerlei ontwikkelingen gaande. Het zegenen is gedemocratiseerd, veralgemeniseerd en als het ware in eigen handen genomen. Het lijkt me zinvol om tegen deze achtergrond een paar artikelen te wijden aan vragen als: Zegenen, wat is dat? Wie mogen er zegenen? Hoe zegen je? Wat doet een zegen?

Sleutelrol
Het eerste wat ik zou willen opmerken, is dat op allerlei uiterst wezenlijke momenten in de Bijbel sprake is van zegenen en gezegend zijn. Ik noem er drie.
Als God de levende wezens tot aanzijn heeft geroepen, zegent Hij hen (Genesis 1:22 en 28). God doet dat in de gebiedende wijs (Wéés vruchtbaar, wórd talrijk!). God gebiedt de zegen – als enige is Hij daartoe in staat – Hij roept die te voorschijn. Gods zegen is het geheim van het leven. Dankzij deze zegen komen de levende wezens tot groei en bloei en kunnen zij in elk opzicht tot ontplooiing komen.
Ook in de roeping van Abram (Genesis 12:1-3) speelt het woord ‘zegenen’ een sleutelrol. Heel de verkiezing van Abram is erop gericht dat hij gezegend zal worden en tot een zegen zal zijn. Gegeven alles wat er in Genesis 3–11 gebeurd is, kan de enorme betekenis hiervan moeilijk overschat worden. Door God zijn vervloekingen uitgesproken (Genesis 3), het geweld op aarde heeft tot een zondvloed geleid en de hoogmoed van de mens is ten hemel gestegen (Genesis 11) en tóch wil God de mensheid zegenen. Deze zegen loopt overigens wel via een heel smal en onooglijk kanaaltje: dat van Abram en zijn nageslacht...
De kern van het Nieuwe Testament is dat mensen dankzij Abrahams nazaat Jezus Christus deel krijgen aan de volle zegen die God de wereld in laat stromen. Als Jezus afscheid neemt van zijn leerlingen, doet Hij dat zegenend: Hij hief zijn handen op en zegende hen. Terwijl Hij hen zegende, ging Hij van hen heen en werd opgenomen in de hemel. En als Paulus in Efeziërs 1:3 de lof op Gods grote daden bezingt, schrijft hij: Gezegend zij de God en Vader van onze Heer Jezus Christus, die ons in de hemelsferen, in Christus, met talrijke geestelijke zegeningen heeft gezegend.
Alleen al deze drie momenten onderstrepen hoe nauw het woord ‘zegenen’ verbonden is met het wezen van God. De HERE is een zegenende God. Van Hem gaat zegen uit. Zeker, Hij kan ook vervloeken (zie Genesis 3 en Deuteronomium 28), maar daarmee is het gesteld als met de straf die ouders hun kind geven. Straf is, als het goed is, nooit een van harte ondernomen actie, maar een door het onrecht of kwaad afgedwongen reactie. Straf beoogt het kind natuurlijk tot zegen te zijn, maar als het aan ouders ligt, zouden zij hun kind het liefst nooit hoeven te straffen.

Gezien de Bijbelse gegevens wil ook de HERE God niet anders dan zegenen en een bron van zegen zijn. Zijn vloek is een afgedwongen reactie, zijn zegen een van harte ondernomen actie. Die zegen heeft Hij over zijn schepping geboden en hoezeer ook die schepping van Hem vervreemdt, zijn zegen neemt Hij niet terug. Sterker nog, hoe diep de mens ook valt, God blijft een bron van zegen en wil de mens binnen de sfeer van zijn eeuwige zegen brengen.
Ook geven bovenstaande gegevens een goede indruk van wat ‘zegenen’ is. In het geval van de eeuwige God betekent zegenen dat Hij leven in de rijkste zin van het woord meedeelt. Gods zegen betekent dat de prachtige potenties, de enorme mogelijkheden die er in het leven liggen, daadwerkelijk gerealiseerd worden.
Het betekent dat mens en dier tot groei en bloei komen en in vreugde gedijen. Het betekent zon en regen, voorspoed en vrede, gezondheid en geluk in alle relaties waarin een mens staat. Kortom: waar God zegent, is het leven goed en de mens gelukkig. Gods zegen is dus het kostbaarste dat een mens ontvangen kan.
En op het zegenen van mens en schepping is God uit. Heel zijn wezen, heel zijn plan is hierop gericht!

Garantie
De climax van al Gods zegeningen wordt in Christus bereikt. God heeft ons in de hemelsferen, in Christus, met talrijke geestelijke zegeningen gezegend, zegt Paulus in Efeziërs 1:3. Paulus verlegt hiermee het accent van de scheppingszegen naar de zegeningen die we in Christus mogen hebben. Die laatste zegen overtreft de eerste namelijk in elk opzicht.
De zegen die we in Christus hebben, brengt ons heel direct in de sfeer waarbinnen God voor eeuwig in heerlijkheid regeert. We mogen blijkens Efeziërs 1 Gods uitverkoren kinderen zijn, die niet alleen maar deel hebben aan het aardse leven, maar meer nog: aan het eeuwige. We mogen ons vrij weten van alles wat verwijdering tussen God en ons brengt en als verloste mensen door het leven gaan. Christus’ aanwezigheid in de hemel is er de garantie van dat niets ons van God kan scheiden en dat uiteindelijk niets ons kan gebeuren.
In Christus mogen we ons dus schatrijk weten. Jezus Christus is als het ware het hemelse kapitaal dat staat op een bankrekening die onder geen enkele crisis te lijden heeft.

Overvloedig
De HERE God is krachtens zijn wezen een God van zegen. Hij is ‘een zeer overvloedige bron van al het goede’.
Nu behoort het tot Gods stijl dat Hij zijn werk op aarde nooit buiten mensen om volbrengt. Steeds weer schakelt Hij mensen in om door hen heen zijn plannen uit te voeren. Geheel hiermee in lijn is dat de HERE God mensen gebruikt om te zegenen en tot zegen te zijn.
Middels Abram en Israël wil Hij de mensheid zegenen. En in het midden van Israëls eredienst hebben de priesters het volk te zegenen: De HERE zegene U en Hij behoede U! En als Jezus zijn leerlingen uitzendt, draagt Hij hen op aan ieder huis de zegengroet te brengen: Vrede zij U. En ook als Jezus’ volgelingen onrecht ondergaan, luidt het woord: zegen wie je vervloeken, zegen en vervloek niet (Lukas 6:28; Romeinen 12:14; 1 Petrus 3:9).
Zoals een volgeling van Jezus binnen de sfeer van Gods genade alleen maar genadig kan leven en binnen de sfeer van Gods liefde alleen maar liefdevol kan leven, zo kan een volgeling van Jezus binnen de sfeer van al Gods zegeningen niet anders dan zegenend leven. Zoals van God in Christus alleen maar zegen uitgaat, zo heeft van een volgeling van Jezus een zegen uit te gaan.

Zegenrijk rolletje
Op niet alle vragen die in bovenstaande inleiding opgeworpen werden, kan nu al antwoord geven. Toch zijn een aantal aspecten van het woord ‘zegenen’ benoemd, die helpen een fundament te leggen voor de beantwoording van die vragen. Een paar wil ik er noemen.
Allereerst is ‘zegenen’ een dusdanig belangrijk woord in de Bijbel, dat het alleen daarom al een goede zaak is dat het zich tegenwoordig in een vernieuwde aandacht verheugen mag. Zegenen is naar mijn mening zelfs zo belangrijk, dat eigenlijk elke predikant of voorganger het tijdens zijn studie als ‘vak’ onderwezen zou moeten krijgen. Wat houdt het volgens de Bijbel in? Wat doet het, wie doen het, hoe en wanneer?
Ten tweede blijkt uit het bovenstaande, dat ook mensen in deze wereld een zegenrijk rolletje mogen spelen, hebben te spelen zelfs. Van de HERE God gaat zegen uit. Hij wil niets liever dan dat mens en dier gedijen.
Ook mensen kunnen, zeker wanneer zij zich laven aan die bron van zegen, in woorden en daden een zegen worden, zodat anderen gedijen.
Ten slotte dit: Gods zegen is het mooiste dat een mens kan overkomen en Gods zegen is het mooiste dat je een ander kunt wensen. Vandaar dat gezegende mensen niet anders kunnen dan op hun beurt God zegenen (Efeziërs 1:3) om al zijn zegeningen. Gezegend zij de God en Vader van onze Heer Jezus Christus!

Drs. Jan Mudde is predikant van de NGK van Haarlem.

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief