Zonde

2010-05-28
  • Jaargang 54
  • nummer 11
Zonde. Je kunt er niet omheen lopen, maar het mag altijd in het licht van Gods genade staan, schrijven Henk de Jong en Henk Algra. Het tweede deel van een serie tweeluiken over Bijbelse grondwoorden in de ogen van een theoloog en een niet-theoloog.


‘Een preek over zonde moet schitteren en spetteren van genade’

Waarom hebben ze het in de kerk altijd over zonde? Is dat geen pure zwartgalligheid? Ik denk dat het samenhangt met het feit dat we God mogen kennen. Bewust met de Here God leven: het kan niet anders of dat slaat op het geweten en wekt het besef van onvolkomenheid. Het komt pas goed met ons geloof, hoorde ik pas iemand zeggen, als we niet langer bang zijn voor God. Ik vind dat niet zo’n slechte uitspraak, maar vraag me toch af of we dat stadium hier op aarde ooit zullen bereiken. Het is waar, de volmaakte liefde drijft de vrees uit (I Joh. 4:18), maar onze liefde is verre van volmaakt. God is enkel licht en als we op Hem toelopen blijkt dat de kleren die we aan hebben niet brandschoon zijn.
‘Heer, ga uit van mij, want ik ben een zondig mens’, zei Petrus toen hij getuige was van de wonderbare visvangst (Lucas 5:8). De majesteit van de Heer straalde hem zo machtig toe dat hij als het ware met de ogen van de Meester naar zichzelf keek en toen besefte over hoeveel Jezus wel niet heen moest stappen om met mensenkinderen zoals hij om te gaan. Juist in de aanwezigheid van God wordt wat anders ‘te verontschuldigen onvolkomenheid’ is zonde.

Natuurlijk, je kunt het ook op een meer seculiere wijze over zonde hebben.
Dan is zonde een aanwijzing voor wat maatschappelijk onaanvaardbaar is. In die zin kun je nog wel van enige zondekennis onder de mensen spreken. Zondaars zijn dan zwartrijders, belastingontduikers, tasjesrovers, bonussenritselaars en bedrijvers van andere schelmstukken.
Maar die Petrus van zo-even dacht niet aan zulke dingen toen hij zich voor de Heiland een zondaar beleed. Hij daalde in zijn binnenste af naar een laag daaronder, naar de voedingsbodem van al zulk vuil. Het is met name deze verdieping van het zondebegrip waar onze zelfvoldane tijd vreemd tegenover staat en de schouders over ophaalt.
Maar wat kan het in de kerk fout gaan bij dit onderwerp! Ooit hoorde ik in bevindelijke kring een preek over de zonde aan de hand van de woorden uit Leviticus 11:29 (St. Vert.) ‘…ende de mol’, met een verdeling in drie punten.
Eén: ‘De mol ende deszelfs blindheid’.
Twee: ‘de mol ende deszelfs wroeten in de aarde’. En drie: ‘de mol ende deszelfs jammerlijk einde (mollenklem)’.
Daarna sloot de preek af met een woord van toepassing. We werden uitgenodigd onszelf als zondig mens te herkennen in dit beest, dat voorkomt in de lijst van de onreine dieren.
In de preek bleef alles onder de grond, er kwam geen streepje daglicht aan te pas. Geen sprake van dat hier vanuit de levende kennis van God over de zonde gesproken werd. Het clair ontbrak, het was alles obscur. Het is duidelijk dat zulk gepreek niet bijdraagt tot een beter verstaan van wat de Bijbel bedoelt met zonde. De preek die het daarover wil hebben moet schitteren en spetteren van Gods genade.

Ds.Henk de Jong is emerituspredikant van de NGK van Zeist en oud-redactielid van Opbouw.


‘Besef van zonde geeft ruimte’

Waarom hebben we het in de samenleving nooit over zonde? Ja, er is wel ‘iets’ zonde. Een mooie vaas laten vallen bijvoorbeeld. Of iets moois nét missen. Fouten kunnen we daarentegen gemakkelijk aanwijzen. Vooral de fouten van de ander. Zodra er iets mis gaat, moet de zondebok worden aangewezen. Die wordt altijd wel gevonden, want in het oerwoud van procedures en protocollen heeft er altijd wel iemand een stapje over geslagen.

In de menswetenschappen proberen we te achterhalen waarom mensen zo zijn geworden als ze zijn. Een crimineel is ook ‘maar’ een mens. Hij kwam uit een gebroken gezin, zijn moeder was aan de drank en hij kon er verder dus niets aan doen. Hij is een slachtoffer van zijn omstandigheden.
Hoe langer ik in ‘het vak’ zit, hoe meer ik ontdek dat deze manier van denken een doodlopende weg is. Zo komt niemand tot zijn bestemming. Laat ik het niet direct zonde noemen, maar wel gebrokenheid. Toch kan ik die gebrokenheid niet los zien van zonde. Niet als rechtstreeks verband, maar als gegeven dat altijd weer een rol speelt.
Er zijn ouders die denken dat ze perfect moeten opvoeden. Ze mogen geen fouten maken en hun kind mag niets tekortkomen. Wát een illusie, en wát een bron van spanning. Deze ouders moeten wel falen.
In zijn boek ‘Gezinsleven’ beschrijft de Deense psychotherapeut Jesper Juul de consequenties van deze opvoeding. De ambitie om perfecte opvoeder te zijn, legt het allerzwaarste juk op de schouders van kinderen. Je ontneemt kinderen hun verantwoordelijkheid. De kinderen moeten het bewijs vormen van het opvoedingssucces van de ouders. Wie zó zijn kinderen op wil voeden, legt een ondraaglijke last op de opvoeding.
Opvoeden kan niet zonder fouten. Ook in de relatie met onze kinderen dragen we onze gebrokenheid nadrukkelijk met ons mee. Die zit in ons hele levensverhaal. In deze wereld, die getekend is door ellende, zal geen kind zich voor 100 procent veilig kunnen hechten. Ook zal er geen kind zonder verdriet, onbegrip en agressie op kunnen groeien.

Jesper Juul schrijft: ‘Ons sociale en culturele vernisje is vaak griezelig dun en de afstand tussen empathie en rauwe primitiviteit in onze relaties en binnen de opvoeding vaak angstaanjagend klein.’ De nette huisvader blijkt buiten zijn gezin zijn collega’s fysiek en emotioneel te intimideren, de aardige en invoelende directeur blijkt thuis zijn vrouw te mishandelen. Zó zit onze wereld in elkaar. Tachtig procent van onze beweegredenen en emoties bevindt zich ondergronds, in ons onderbewuste. Die drijfveren spelen in onze relaties altijd een rol.
Is dat een pedagogische ramp? Mijn ervaring is dat het realiseren van deze gebrokenheid, van de zonde in ieder mens, ook ruimte geeft. We hoeven namelijk de hypotheek van de perfecte opvoeding en hulpverlening niet zelf af te lossen. Opvoeden gebeurt altijd in gebrokenheid. Wie zich dat niet realiseert, slaat pedagogisch altijd de plank mis.

Dat oude doopformulier is zo gek nog niet. Ouders én kinderen worden getekend door de gebrokenheid. Maar dwars door die gebrokenheid mogen we zien wat genade is. Wát een ruimte om niet krampachtig op te hoeven voeden…

Henk Algra is orthopedagoog en lid van de CGK/NGK van Alkmaar.

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief