Pastorale notitie
1994-03-11
Onder invloed ...- Jaargang 38
- nummer 5
"DRUGSDEALER MET TIENTALLEN MESSTEKEN VERMOORD" - kopte een krant.
"De 20-jarige militair Marcel S. meldde zich gisteravond bij de EHBO van het Academisch Ziekenhuis met de mededeling, dat hij enkele dagen daarvoor iemand gedood heeft. Het bleek de 38-jarige uit het buitenland afkomstige I. V. te zijn, die bij de politie bekend stond als handelaar in harddrugs.
Uit de eerste verhoren heeft de politie kunnen opmaken, dat M.S. zonder het te weten meerdere capsules met LSD van V. had gekregen. Onder invloed daarvan heeft hij V. in diens woning met een broodmes doodgestoken, waarna hij enkele dagen in benevelde toestand bij het stoffelijk overschot is blijven zitten. S. is overgebracht naar de militaire gevangenis in Nieuwersluis".
Dat is dus wel heel erg een 'bad trip' geweest. Als ik met Marcel kennismaak is hij nog steeds niet helemaal helder. Hij weet er zich niet veel van te herinneren. Weet eigenlijk niet eens zeker of hij het wel heeft gedaan.
"Hebben deze handen van mij iemand vermoord?" "Had je plannen in die richting?", vraag ik hem. "Totaal niet.
't Zou nooit in me zijn opgekomen. Het is die LSD die het deed. Maar ik wist niet dat dàt spul erin zat". Op dat moment ervaart hij het in de gevangenis zitten als een geborgen-zijn. Hij komt tot rust. Hij voelt zich daar opgevangen en beschermd.
In de weken daarna komt zijn levensverhaal er uit. Eigenlijk geen schokkend verhaal over mishandeling of verwaarlozing.' Hij komt niet uit een gebroken gezin of uit een asociaal milieu. Het is goedbeschouwd een vrij 'gewoon' verhaal over gelukkige kinderjaren en een roerige puberteit. Hij mist zijn vroeggestorven vader erg. Hij komt overhoop te liggen met een zeer zorgzame, maar voor zijn gevoel hem betuttelende moeder. Zo gebeurt het, dat hij het steeds meer buitenshuis zoekt. Hij verkeert in kringen, waar hasj gebruikt wordt. 't Gaat er knoertgezellig toe. Veel kameraadschap en saamhorigheid. Tot die dealer op het toneel verschijnt ...
In een van onze gesprekken vertelt Marcel, dat hij ook een tijdlang in een Evangelische commune heeft verkeerd.
Hij heeft zich er thuisgevoeld en er veel over de bijbel en het geloof geleerd.
Onenigheid maakte, dat hij er voortijdig wegging. Nu hij gevangenzit moet hij veel aan die tijd terugdenken. Als hij Wilkerson's 'Het kruis in de asfaltjungle' op de boekenplank ziet staan, vraagt bij het te lezen. Daarna ook 'Ik zal nooit meer huilen'. Boeken, die vertellen van omkeer, van verandering, van nieuwe mogelijkheden, dank zij het geloof.
Langzaamaan zie ik Marcel veranderen.
Hij gaat begrijpen, dat hij keuzes moet maken. Je kunt ervoor kiezen onder invloed van drugs te staan, maar weet dan wel dat je van je leven een chaotische bende maakt. Je kunt je ook door de Geest van de Heer Jezus laten leiden, en onder Zijn invloed wordt het leven in de ware zin van het woord normaal en gezond. Ik probeer hem te laten inzien, hoe echt en.bevrijdend het Evangelie is.
"Bedrinkt u niet aan wijn ( of wat voor bedwelmende middelen ook), want dat leidt tot bandeloosheid, maar wordt vervuld van de Geest" (Efeze 5:18). Zal het jarenlange verblijf in de gevangenis zijn leven zo ten goede veranderen?
Ik heb er alle hoop op.
Bij God is er altijd herkansing mogelijk. niet is. Maar zeer zeker behoren wij voortdurend er op bedacht te zijn dat ons kennen steeds weer blijkt slechts ten dele te zijn en naarmate het God behaagt meer licht te geven voortdurend moet worden bijgesteld. Het zou naar mijn mening belangrijk zijn, ik herhaal het graag, als we in OPBOUW aandacht zouden kunnen geven aan de grote onderwerpen die in het boek besproken worden. Zou dat niet kunnen?
Ik ben toch een broeder die jarenlang zich met deze onderwerpen heeft bezig gehouden en zich ook heeft laten leren door bekwame Schriftonderzoekers in binnen- en buitenland.
Het gaat niet om een persoonlijk gelijk hebben. Er is zoveel meer in geding. Er zijn zoveel traditionele inzichten die bijbelse correctie behoeven.
Ik acht het begrijpelijk als de gelovige Opbouwlezer die in mijn boek met mijn kritiek op het traditionele eeuwigheidsdenken te maken krijgt daar niet zo maar geestelijke ruimte voor heeft.
Hij heeft het zo anders geleerd en zal het niet zonder meer kunnen plaatsen.
Dat behoort ook zo te zijn. We moeten het goed onderzoeken als iemand iets nieuws als zijnde beter aanprijst. Want het gaat om grote dingen.
Ik kan het echter wel uitkrijten als ik de onderwerpen opmerk waarmee de kerkelijke wereld zich bezig houdt in deze tijd. De hiërarchische kerkelijke instituten hebben hun tijd gehad, ook het Rooms-Katholieke. Het is voor voorgangers bij het huidige zicht op de toekomst haast niet meer te doen.
Maar christelijke gemeenten zullen er zijn. OPBOUWzou in een belangrijke leemte kunnen voorzien in de Nederlandse kerkelijke samenleving indien het de Schrift zou gaan onderzoeken met het oog op de toekomst.
2) Eeuwigheid in de Schrift
In mijn boek heb ik getracht met goede argumenten te laten zien dat de Schrift het begrip 'eeuwig' of 'eeuwigheid' in de zin van eindeloze duur niet kent.
Het Hebreeuwse woord 'olaarn' (eeuw) en het Griekse woord 'aioon' (eeuw) duiden op tijdsperioden die hun einde hebben of zullen hebben. Dat is uiterst belangrijk voor het Schriftverstaan.
Het betekent bv. dat Gods Woord geen eindeloze dood en eindeloze straf kent. En dat is zeer ingrijpend, daarom mag er over de bijbelse betekenis van 'olaarn' en 'aioon' geen twijfel bestaan.
Het begrip 'eindeloosheid' met betrekking tot olaam en aioon is van Griekse origine, het behoort tot de gedachtenwereld van PLATO en ARISTOTELES.
Ik heb in dit verband prof. G.C. VAN NIFTRIK, destijds theologisch hoogleraar aan de universiteit van Amsterdam, geciteerd die in Winkier Prins Encyclopedie 1950zonder omhaal zegt: "Dit Griekse denken (over 'eeuwigheid', A.K.) heeft het Christelijke denken over eeuwigheid beïnvloed (...) Aion, aeoon betekent niet eindeloze duur, maar tijdperk" (cursivering van prof. Van Niftrik).
Ds. de Jong wekt m.i. ten onrechte bij de lezer een beetje de indruk alsof ik in deze zaak eigenlijk in het voetspoor loop van prof. Van Niftrik. Het ligt anders.
De uitspraak van prof. Van Niftrik wijst er op dat de zaak waarom het gaat (de begrensheid van een aioon) algemeen erkend wordt. Dat wilde ik met het citaat slechts laten zien. Het begrip olaam of aioon is alleen in de christelijke dogmatiek en exegese een onheldere zaak. Dat heeft zijn oorzaak.
Want al duiden 'olaarn' en 'aioon' begrensde tijdsperioden aan, de duur van die perioden is een onbekende zaak. MOZES wist niet wanneer de 'olaarn' (eeuw) van Gods heilsplan waarin hij leefde zou eindigen. Ook wij weten dat niet exact, ook al is ons veel meer geopenbaard dan aan MOZES.
De olaam had voor MOZES dus een onbekende zij het niet eindeloze duur.
De profeten van het Oude Testament tasten als het ware naar het einde van de olaam waarin zij leefden.
Als aan het belangrijke onderscheid tussen niet-bekende duur en eindeloze duur geen recht wordt gedaan, wordt het christelijke spreken over olaam en aioon een groot moeras. En dat is het naar mijn overtuiging helaas geworden in de dogmatieken. Mijns inziens speelt dit misverstand ook Ds. de Jong parten als hij bezwaar maakt tegen het woord 'tijdperk' in de definitie van prof. Van Niftrik. Het woord 'perk', zegt
Ds. de Jong terecht, wijst op een 'beperking', een 'afgrenzing', terwijl hij de 'onbepaaldheid' van het Hebreeuwse woord 'olaarn' juist het wezenlijke er van acht. Maar onbepaaldheid is slechts een eigenschap van een olaam, niet het wezenlijke. In het Hebreeuwse denken is een olaam een bepaalde tijdsperiode waarvan echter de duur niet bekend is. De Schrift bevat een voortschrijdende openbaring, een toenemende kennis van het hei Isplan Gods met de mensheid.
Angel-Saksische geschriften kennen de markante uitdrukking 'progressive revelation' . Naarmate Gods openbaring voortschrijdt in de tijd wordt het zicht op de duur van de tijdsperioden waarover die openbaring spreekt duidelijker.
In mijn boek heb ik aan de gevolgen van het binnensluipen van het begrip 'eindeloosheid' in het verstaan van vele bijbelplaatsen ruime aandacht gegeven. Het bleek ook dat in Syrische, Koptische, Armeense en Gothische bijbelgedeelten uit de eerste eeuwen van onze jaartelling het zicht op de eindigheid van de aionen nog aanwezig is. Als het Latijn de kerkwereld gaat beheersen, gaat dat anders worden. Voor meer hierover moet ik de lezer naar mijn boek verwijzen.
3) 'In alle eeuwigheid'
Ds. de Jong maakt ook enige kritische opmerkingen bij mijn bespreking van verschillende Schriftplaatsen. Hij erkent dat ik terecht opmerk dat de apostel Paulus in Romeinen 16:27 niet zegt, zoals in de N.B.G.-vertaling: "Hem, de alleen wijze God, zij. door Jezus
Christus de heerlijkheid in alle eeuwigheid', maar dat de Schrift letterlijk spreekt over Gods heerlijkheid "tot in de eeuwen der eeuwen".
Ds. De Jong betwijfelt of het juist is die eeuwen te omschrijven als de 'allerbelangrijkste' of 'allerhoogste eeuwen' en hij vreest dat dit verband houdt met het 'eindtijd-scenario' waarover ik in mijn boek spreek.
Ik meen dat Ds. de Jong dat goed ziet.
Mijns inziens doelt de apostel Paulus met deze 'eeuwen der eeuwen' uit Romeinen 16:27 inderdaad op de 'eeuwen' waarover hij o.a. ook spreekt in Efeze 2:6. Hij zegt daar dat de gemeente die het lichaam van Christus wordt genoemd geroepen is in de hemelse gewesten "in de komende eeuwen (aiosin) de overweldigende rijkdom Zijner genade te tonen naar Zijn goedertierenheid over ons...".
Mijn boek wil laten zien hoe Gods heilsplan met de mensheid in die 'komende eeuwen' tot zijn volheid komt.
De uitdrukking 'eeuwen der eeuwen' is een spreekwijze die inderdaad dezelfde strekking heeft als de uitdrukking 'koning der koningen'. Zij is te verstaan vanuit het in de komende aionen tot voltooiing komen van de overweldigende genade van Gods heilsplan. Het zijn de 'hoogste' aionen.
Ik ben Ds. de Jong dankbaar voor zijn moedige en zelfstandige eerste artikel.
Ik heb, eerlijk gezegd, er een beetje op gehoopt.