Enkele opmerkingen over het Schriftbewijs bij Zondag 5 en 6 van de Heidelbergse Catechismus
1994-03-25
Tekst- Jaargang 38
- nummer 6
Voordat ik mijn opmerkingen maak, laat ik hier eerst de tekst van deze beide zondagen volgen. Dat lijkt me niet overbodig, omdat er steeds meer bijbeltjes in gebruik gekomen zijn, waarin de tekst van de Heidelbergse Catechismus niet meer staat afgedrukt.
Het grootste deel van antwoord 19 en de daarbij gegeven Schriftplaatsen heb ik hier echter achterwege gelaten, omdat ik daarover geen opmerkingen maak.
ZONDAG 5
Vr. 12.. Aangezienwij dan naar het rechtvaardig oordeelvan Godtijdelijke en eeuwige straf verdiendhebben,is er enig middel, waardoorwij dezestraf kunnenontgaanen wederomtot genadekomen?
Antw.Godwil, dat aanzijn gerechtigheid genoeggeschiede(a);daarommoetenwij aan haar, of door onszelf,of door een ander, vokomenbetalen(b).
a. Gen.2:17. Ex. 23:7. Ezech.18:4. Matth.5:26.
2 Thess.1:6. Luc. 16:2 .. b. Rom.8:4.
Vr. 13. Maar kunnenwij door onszelfbetalen?
Antw. In generlei wijze, maarwij makenook de schuldnogdagelijks meerder(a).
a. Job 9:2; 15:15,16; 4:18,19. Ps.130:3. Matth.
6:12; 18:25; 16:26.
Vr. 14. Kanook ergenseen bloot schepsel gevondenworden,dat voor ons betaalt?
Antw.Neen;wantten eerste wil Godaan geen ander schepselde schuld straffen,die de mensgemaaktheeft(a); ten anderekanook geenbloot schepselde last van de eeuwige toorn Godstegende zondedragenen andere schepselendaarvanverlossen(b).
a. Ezech.18:4. Gen.3:17. b. Nah.1:6. Ps.
130:3.
Vr. 15. Watmoetenwij dan voor een middelaar en verlosserzoeken?
Antw.Zulk een,die eenwaarachtig(a) en rechtvaardig(b) mensis, en nochtanssterker danalle schepselen,dat is, die tegelijk waarachtigGodis (c).
a.1 Cor. 15:21. b. Hebr.7:26. c. Jes. 7:14; 9:5.
Jer. 23:6. Luc. 11:22.
ZONDAG 6
Vr. 16. Waarommoethij eenwaarachtigen rechtvaardigmenszijn?
Antw.Omdatde rechtvaardigheidGodsvorderde, datde menselijkenatuurdie gezondigd had,voor de zondebetaalde(a); en dat een mens,zelf zondaarzijnde, niet voor anderen kon betalen(b).
a. Ezech.18:4,20. Rom.5:18. 1 Cor. 15:21.
Hebr.2:14,15,16. b. Hebr.7:26,27. Ps.49:8.
1 Petr.3:18.
Vr. 17.Waarommoethij tegelijk waarachtig Godzijn?
Antw.Opdathij, uit krachtvan zijn Godheid (a),de last van detoorn van God(b) aan zijn mensheidzou kunnendragen (c),en ons de gerechtigheiden het levenzou kunnenverwervenen wedergeven(d).
a. Jes. 9:5; 63:3. b. Deut.4:24. Nah.1:6. Ps.
130:3. c. Jes. 53:4,11. d. Jes. 53:5,11.
Vr. 18. Maarwie is deze middelaar,die tegelijk waarachtigGod(a)en een waarachtig(b) rechtvaardigmensis (c)?
Antw.OnzeHereJezusChristus(d), die ons van Godtot wijsheid, rechtvaardigheid,heiligmaking, entot een volkomenverlossing geschonkenis (e).
a. 1 Joh. 5:20. Rom.9:5; 8:3. Gal. 4:4. Jes. 9:6.
Jer. 23:6. Mal. 3:1. b. Luc. 1:42; 2:6,7. Rom.1:3; 9:5. Fil. 2:7. Hebr.2:14,16,17; 4:15. c. Jes.
53:9,11. Jer. 23:5. Luc. 1:35. Joh. 8:46. Hebr.
4:15; 7:26.1 Petr. 1:19; 2:22; 3:18. d. 1 Tim. 2:5.
Matth. 1:23. 1 Tim. 3:16. Luc. 2:11. Hebr.2:9. e.
1 Cor. 1:30.
Vr. 19. Waaruitweet gij dat?
Antw.Uit het heilig Evangelie...
Ander klimaat .
De Zondagen 5 en 6 behoren naar mijn smaak niet tot de meest geslaagde van de Heidelbergse Catechismus.
Wie deze Zondagen doorleest, zal merken dat er heel sterk geredeneerd wordt op een manier die de indruk wekt, dat iedereen die over een klein beetje gezond verstand beschikt, al redenerend, via logische gevolgtrekkingen, erachter kan komen hoe de Middelaar die we nodig hebben, eruit moet zien. In antwoord 19 wordt daaraan gelukkig toegevoegd dat die wetenschap uit het evangelie afkomstig is, maar dat neemt niet weg dat we hier toch te maken hebben met een constructie, die met een ijzeren logica is opgebouwd en die je ook zonder de Schrift, alleen maar met behulp van de logica, zou kunnen bedenken.
Als we de manier waarop in de keten van conclusies in vr. en antw. 12-17 over onze verlossing gesproken wordt, vergelijken met de manier waarop de Schrift erover spreekt, kunnen we alleen maar vaststellen dat we met twee verschillende klimaten te maken hebben. In de Schrift staat het spreken over onze verlossing, over de weg waarlangs God ons, zijn volk, en de schepping verlost, nooit in het teken van de vanzelfsprekendheid van een rationalistisch schema. Het staat altijd in het teken van het wonder, van de verwondering en van de aanbidding.
Als je dat leest, word je ertoe gedrongen te zeggen: hoe is het mogelijk! Het brengt Paulus tot de exclamatie: o diepte van rijkdom, van wijsheid en kennis Gods. Hoe ondoorgrondelijk zijn zijn beschikkingen en hoe onnaspeurlijk zijn wegen (Rom. 11:33).
Gods ondoorgrondelijke wijsheid
Gods ondoorgrondelijke wijsheid wordt door ons altijd opgevoerd als we geconfronteerd worden met verschrikkelijke gebeurtenissen, zoals de plotselinge, tragische dood van jonge mensen. Dan gebruiken we die uitdrukking.
De bijbel doet dat niet. Daar vinden we die uitdrukking niet als er sprake is van afbraak van het leven, maar wel als het gaat om de verlossing van het leven. Gods ondoorgrondelijke wijsheid heeft niets met de dood te maken, maar alles met het leven. Deze woorden horen bijbels gezien eerder thuis op een geboortekaartje dan op een rouwkaart.
Zoals de hemelen hoger zijn dan de aarde, zo zijn mijn wegen hoger dan uw wegen en-mijn gedachten dan uw gedachten, zegt de HERE in Jes. 55:8.
Ook die tekst gebruiken we bij voorkeur als ons leven door de diepte gaat.
Maar ook dan gebruiken we deze tekst niet naar zijn bedoeling en betekenis.
Want in het verband van Jes. 55 gaat het over de verl6ssing die God tot stand zal brengen. In onze verlossing komt Gods ondoorgrondelijke en onnaspeurlijke wijsheid naar ons toe.
In de keten van logische gevolgtrekkingen die we in de Zondagen 5 en 6 van de Heidelbergse Catechismus tegenkomen, is de ondoorgrondelijkheid zoek. De verlossingsweg wordt er helemaal van begin tot eind nagespeurd en doorzichtig gemaakt. Er blijft in de verlossing eigenlijk niets meer over van een geheim. Onze verlossing komt daar niet over als een wonder van goddelijke wijsheid maar als een produkt van een ijzeren logica.
Als je de redenering van deze zondagen van stap tot stap hebt meegemaakt, ben je aan het eind geneigd te zeggen: ,,0, zit dat zo! Nou snap ik het.
Eigenlijk is het heel vanzelfsprekend!"
Daarmee zijn we dan wel in een ander klimaat terecht gekomen dan we in de bijbel vinden. Het is koeler, abstracter en onbehaaglijker. De verwondering en de aanbidding zijn uitgerangeerd.
Verwijzingen
Natuurlijk was dat niet de bedoeling van de opstellers van de Heidelbergse Catechismus. Integendeel. De rest van dit leerboekje laat duidelijk zien dat ze wel degelijk weet hadden van verwondering en aanbidding. Maar toch wekken ze hier die indruk. En men is deze zondagen ook zo gaan hanteren. Dat blijkt bijvoorbeeld uit het Schriftbewijs, de tekstverwijzingen die aan de diverse vragen en antwoorden zijn toegevoegd.
Dat zijn er nogal wat. Maar ze zijn lang niet allemaal van de opstellers van de Heidelbergse Catechismus afkomstig. Het merendeel ervan is later toegevoegd. In de hierboven afgedrukte tekst kunt u dat gemakkelijk nagaan. De teksten die van de opstellers afkomstig zijn, zijn vet gedrukt. De rest is latere toevoeging. De opstellers zelf waren niet zo kwistig met teksten.
Zij maakten er veel voorzichtiger gebruik van. Dat is in hen te prijzen.
Er is nog een verschilletje met de oorspronkelijke uitgave, maar dat is in de afgedrukte tekst niet iichtbaar. Een enkele keer vermelddèn de opstellers een tekst die men later heeft weggelaten en die dan ook niet meer in de huidige uitgaven te vinden is. Maar dat blijft hier verder buiten beschouwing.
Ik wil alleen enkele opmerkingen maken met betrekking tot enkele teksten die er wel staan.
Lego-blokjes
Als je de lange rijen verwijzingen naar Schriftplaatsen ziet, denk je onwillekeurig: dat zit wel goed, want deze antwoorden zijn stevig bijbels onderbouwd.
Maar als je de moeite neemt die teksten eens na te trekken en in hun verband te lezen, merk je dat er nogal wat vraagtekens gezet kunnen worden, omdat een aantal ervan er met de haren bijgesleept zijn. Verschillende teksten blijken uit hun verband te zijn weggeplukt en op zichzelf geplaatst te zijn.
Op die manier verander je teksten in losse bouwsteentjes die geen enkele relatie meer hebben met het oorspronkelijke verband waarin ze thuis horen en die je nu ook los daarvan gaat gebruiken.
Je kunt ze nu hanteren als lego-blokjes waarmee complete theologische bouwwerken te fabriceren zijn. De ene keer bouw je een toren, een volgende keer een huis en weer een andere keer een garage. AI die verschillende bouwsels kun je maken met dezelfde blokjes, want je hebt ze losgesneden van hun verband en kunt er daarom alle kanten mee uit.
Op die manier worden alle modieuze theologieën gebouwd: de theologie van de revolutie, de feministische theologie, de homo-theologie, de Israël-theologie en welke andere moderne theologie dan ook. Het zijn allemaal bouwsteentjes-theologieën. Maar denk niet dat de orthodoxie zich daaraan niet schuldig maakt. We vinden deze blokjes-methode maar al te vaak in orthodoxe dogmatieken.
Het is een griezelige manier van Schriftgebruik, want je kunt de tekst zo laten buikspreken en iets heel anders laten zeggen dan wat hij in werkelijkheid te zeggen heeft. Ik denk dat ook de Heidelbergse Catechismus bij het Schriftbewijs van deze vragen en antwoorden niet helemaal aan het toepassen van deze methode ontkomen is. Ik wil dat aan de hand van enkele voorbeelden duidelijk maken.
Ex. 23:7 In antwoord 12 wordt gezegd: God eist voldoening. Daarbij wordt verwezen naar Ex. 23:7. Daar staat: De onschuldige en de rechtvaardige moogt ge niet doden, want Ik verklaar de schuldige (Statenvertaling: goddeloze) niet rechtvaardig.
Het gaat natuurlijk om die laatste zinsnede.
Die wordt op zichzelf geplaatst, zodat het een algemene uitspraak wordt. Daarmee wordt ze als een bouwsteentje bruikbaar in de volgende stelling: de HEREverklaart de goddeloze, de schuldige - en dat zijn wij allemaal! - niet rechtvaardig.
Maar in Ex. 23:7 wordt helemaal geen algemene uitspraak gedaan over de goddeloosheid van alle mensen. Het gaat om een heel concreet geval. Er wordt gezegd dat een onschuldige, een rechtvaardige, niet ter dood gebracht mag worden. Als iemand dat toch doet en zich niets van dit voorschrift van God aantrekt, dan zal God degene die zich daaraan schuldig maakt, niet vrijuit laten gaan.
Dat is dus helemaal geen algemene uitspraak die zegt hoe God handelt met betrekking tot de algemene zondigheid van de mens, maar een concrete uitspraak waarin gezegd wordt hoe God in dat speciale geval dat daar aan de orde is, zal handelen. In de Heidelbergse Catechismus is de laatste zinsnede van deze tekst op zichzelf geplaatst en veralgemeniseerd. Er is een Lego-steentje van gemaakt. En dat is erg handig, want zo kun je het overal gebruiken en toepassen.
Nu vloeit daar in dit geval niet zoveel bloed uit, omdat de uitkomst van dit verkeerde gebruik toch in de lijn van de Schrift ligt.
Maar dat neemt niet weg dat het een verkeerd gebruik is. En ik wijs erop, omdat het zo verraderlijk is en ook wijzelf onwillekeurig teksten zo gebruiken.
Daar zouden we meer oog voor moeten krijgen.
Ezechiël 18:4 lets soortgelijks kan gezegd worden met betrekking tot Ezech. 18:4,een verwijzing die niet van de opstellers van de Heidelbergse Catechismus afkomstig is, maar later is toegevoegd aan de antwoorden 12, 14 en 16.We lezen daar: Zie, alle zielen zijn van Mij, zowel de ziel van de vader als die van de zoon; de ziel die zondigt, die zal sterven. Ook hier gaat het weer om de laatste zinsnede: de ziel die zondigt, die zal sterven. Die woorden worden verzelfstandigd tot een algemene uitspraak, een Lego-blokje, in de volgende redenering: God eist voldoening; dus moet iedereen sterven, want iedereen is een zondaar.
Maar daarover gaat het helemaal niet in Ezech. 18. Ezechiël wil helemaal nie~~n dat iedereen een zondaar is e1l dus sterven moet. Hij wil integendeel duidelijk maken, dat niet iedereen een zondaar is en dat God daarom niet iedereen zonder onderscheid over dezelfde kam scheert. Dat laatste beweerden de ballingen in Babel namelijk.
Ze zeiden: wij draaien op voor de zonden van onze vaderen. Zij waren de zondaars en wij krijgen het op ons brood. God maakt geen onderscheid.
Hij scheert ons, rechtvaardigen, over één kam met onze goddeloze voorvaderen.
En dan moet Ezechiël hun zeggen: Geen sprake van! Zo is God niet. Hij maakt wel degelijk onderscheid tussen rechtvaardigen en goddelozen. Niet iedereen, maar alleen de ziel die zondigt, zal sterven. Als iemand rechtvaardig is, zal hij zeker leven (vs. 9).
Maar heeft hij een goddeloze zoon, dan zal die niet leven maar sterven (vs. 13). En heeft die goddeloze zoon zelf een rechtvaardige zoon, dan zal die niet sterven maar voorzeker leven (vs. 17).
Het moge duidelijk zijn dat de HeideIbergse Catechismus deze zinsnede uit Ezech. 18 heeft losgepeld uit het verband en er daardoor een heel andere betekenis aan gegeven heeft. Ze laat deze woorden eigenlijk precies het tegenovergestelde zeggen van wat er in werkelijkheid gezegd wordt. Het veralgemeniseren van deze tekst, doet de tekst geweld aan. Wie van deze tekst een Lego-steentje maakt, verandert zijn karakter.
Job 4:18.19; 15:15.16
De teksten uit Job, waaraan ik nu aandacht wil geven, worden vermeld bij antw. 13.Ze lijken veel op elkaar. Ze zijn dan ook afkomstig uit de mond van Elifaz, een van Jobs vrienden. Hij zegt: Zie, in zijn dienaren stelt God geen vertrouwen en bij zijn engelen vindt Hij dwaling, hoeveel te meer bij hen die in lemen hutten wonen (dat wil zeggen: bij mensen - Job 4:18,19).Zie, in zijn heiligen stelt Hij geen vertrouwen, zelfs hemelbewoners zijn niet rein in zijn ogen, hoeveel te minder de mens die afschuwelijk verdorven is en die ongerechtigheid indrinkt als water (Job 15:15,16).
Deze woorden van Elifaz hebben de bedoeling Job de grond in te praten en hem te kwalificeren als een groot zondaar, die wel iets heel ergs op zijn geweten moet hebben, omdat hij zo verschrikkelijk moet lijden. Job ontkent dat. Hij zegt: ik heb niets gedaan waardoor ik dit verdiend heb. Wat mij overkomt, correspondeert niet met mijn levensstijl. Ik heb altijd rechtvaardig geleefd. Wat mij overkomt, kan geen straf zijn. Ik zou daar wel eens met God over willen praten.
Daartegen trekt Elifaz van leer. Hij zegt: God vertrouwt zijn eigen engelen al niet eens. Hij heeft op hen al iets aan te merken, hoeveel te meer op een mens die door en door corrupt is en ongerechtigheid indrinkt als water.
Met die mens zinspeelt hij dan op Job.
Later, aan het slot van het boek Job, zegt God dat Elifaz en zijn vriendenin tegenstelling tot Job - niet recht van Hem hebben gesproken (42:7,8).AI die prachtige, vrome, orthodoxe woorden die hij en zijn vrienden spraken, waren zo door en door vals, dat God tot Elifaz zegt: Mijn toorn is tegen je ontbrand, laat Job voor je bidden, want anders doe Ik je kwaad aan.
Wanneer je nu je Schriftbewijs haalt uit woorden die door de HEREzelf zo grondig veroordeeld werden, ga je op een dubieuze wijze te werk. Dat kun je niet maken. Zo negeer je een ondubbelzinnige aanwijzing die de Schrift zelf geeft. Trouwens, Elifaz' bewering dat de engelen zondig zijn en dat God hen daarom niet kan vertrouwen, vinden we nergens in de Schrift bevestigd.
Integendeel. In hoofdstuk 4 onderbouwt Elifaz zijn bewering door te claimen dat ze hem door een stem in de nacht is geopenbaard en dus autoriteit bezit. Een klassiek voorbeeld van valse profetie. Woorden waar zo'n lucht van leugen omheen hangt, zijn niet geschikt om als Schriftbewijs gebruikt te worden.
Nahum 1:6
Bij antw. 14 en 17 wordt verwezen naar Nah. 1:6, waar we lezen: wie kan standhouden voor zijn gramschap en staande blijven bij zijn brandende toorn? Ook hier moeten we weer vaststellen, dat deze tekst uit zijn verband gelicht is en is omgevormd tot een universeel bruikbaar Lego-steentje. In de Heidelbergse Catechismus gaat het over de eeuwige toorn van God over de zonde als zodanig, een toorn waaraan ieder schepsel onderworpen is.
Maar in Nah. 1 gaat het niet over een algemene toorn van God tegen alle mensen, een toorn die door Christus gedragen moest worden, maar over de specifieke toorn van God tegen Ninevé.
Die toorn slaat niet alle mensen neer. Juist niet. Juda bijvoorbeeld profiteert ervan en wordt erdoor verlost.
Van die toorn van God tegen Ninevé zegt Nahum: wie kan ertegen standhouden?
Het antwoord is: niemand van zijn vijanden kan dat, ook de machtige koning van Ninevé niet. De HERE is een grimmige wreker voor zijn tegenstanders (vs. 2), maar wie bij Hem schuilen, zijn veilig (vs. 7). Gods toorn tegen Ninevé brengt bevrijding aan zijn volk (vs. 12, 13). Daarom is de boodschap van Gods toorn tegen Ninevé evangelie voor Juda, een reden om feest te vieren (vs. 15).
Het gaat bij Nahum dus niet over Gods toorn in het algemeen tegen de zonde in het algemeen, die door Christus gedragen gaat worden. Wie vers 6 toch zo wil hanteren, kan dat slechts doen door deze tekst los te maken uit zijn verband en op zichzelf te plaatsen.
Maar dat is, zoals we langzamerhand kunnen weten, geen goed Schriftgebruik, omdat de teksten dan hun eigen specifieke karakter verliezen. Ik hoop dat met bovenstaande voorbeelden voldoende duidelijk gemaakt te hebben en laat de rest van de verwijsteksten hier buiten beschouwing. Wie wil, kan daar zelf zijn of haar tanden inzetten.