Wat is de mens?

1995-12-01
  • Jaargang 39
  • nummer 24
Het is wat minder geworden, maar ik herinner me nog heel goed de tijd, niet zover achter ons, eind zestiger – begin zeventiger jaren, dat Psalm 8 onder ons zeer ‘in’ was. Hij werd in de kerken met graagte gezongen. Psalm 8 was de psalm van de mens: “Gij hebt hem bijna goddelijk gemaakt”. Een trots besef van wat menselijk allemaal wel niet mogelijk was, vervulde ons in die tijd. En wat waren we gevleid dat dit fiere zelfbewustzijn uit de heilige Schrift zelf zijn levenssappen kon trekken. We zongen de psalm met opgerichten hoofde.

De technische vooruitgang, de medische vorderingen, ruimtevaart, "alles hebt Gij onder zijn voeten gelegd", alles - het kon niet op. Nu, vandaag de dag, is dat allemaal weer zo anders geworden. De tonen van het lied op de mens zijn gedempter, we blazen niet meer zo hoog van de toren. Er zijn momenten, bijvoorbeeld bij het kijken naar het nieuws, dat we ons voor ons menszijn diep schamen en zelfs voor ons huisdier, al is dat ook een bijtgrage hond, de ogen neerslaan.
Is Psalm 8 nog wel waar?

De kroon op de schepping
De psalm doet denken aan het begin van de bijbel. Het lijkt wel of de dichter Genesis 1 open vóór zich heeft gehad toen hij hem maakte. De hemel is er en de aarde komt erin voor, de hemellichamen, "de maan, de duizend sterren die daar branden", de dieren des velds, de vogelen des hemels, de vissen der zee en hetgeen de paden der zeeën doorkruist, ze trekken in een stoet aan ons voorbij. En als kroon op al dat geschapene verschijnt dan middenin de psalm de mens: "Gij doet hem heersen over zee en land, ja, al uw werken gaaft Gij in zijn hand". Zijne majesteit de mens: zelfs als hij nog een zuigeling is, legt iedereen en alles uit eerbied voor hem de hand op de mond. Want dat betekent het dat God uit de mond der kinderen en der zuigelingen sterkte gegrondvest heeft. Inderdaad bezingt de psalm het indrukwekkende koningschap van de mens over al het geschapene.
Maar kijk nu eens naar het begin en het einde van het lied. Beide keren kom je daar dezelfde zin tegen: ,,0 HERE, onze Here, hoe groot is uw naam op de ganse aarde". Is het dan toch niet de naam van de mens die in deze psalm bezongen wordt? Uiteindelijk niet. Het Nieuwe Testament zegt ergens: "Jezus Christus is Heer, tot eer van God de Vader" (Filip. 2). Heer - niet tot zijn eigen glorie, maar tot die van God. En zo is het hier ook: De mens mag koning zijn, maar tot eer van God. Zo althans is zijn grootheid bedoeld. Die begin- en eindzin van de psalm mag je zien als twee gebogen handen die dat geheimenis van de mens teer omsluiten, in een angstvallig beschermend gebaar. Laat die hoge mens toch "in de Here" (letterlijk!) blijven! Omsloten door Hem die de begin- en eindzin van zijn leven is. Laat de parel van het mens-zijn toch niet uit zijn cassette wandelen!

Aan de beesten gelijk
We weten dat dat laatste toch gebeurd is. De mens ervoer die beschermende handen voor en na als een gevangenis en hij is daaruit losgebroken. Mens op eigen voeten en ten eigen baat, dat wilde hij zijn. En nu valt ons ineens iets op.
De psalm heeft het ook over Gods tegenstanders, over vijand en wraakgierige. Waar komen die vandaan? Dat is niet naar Genesis 1, want daarin gaat het alleen maar over de ongerepte schepping. De mens van Psalm 8 met al zijn macht, - àls dat nu eens zo'n tegenstander, zo'n vijand of wraakgierige is ...? De geschiedenis laat in verschrikkelijke duidelijkheid zien wat er dan wel niet allemaal gebeurt. Waren het juist niet de grootsten onder de mensen die onnoemelijk veel leed over de aarde gebracht hebben? Toen de dichter Goethe Napoleon ontmoette zei hij, toen deze laatste op hem toeliep: Voilà, un homme! Ziedaar, een mens! Goethe was onder de bekoring van het schitterende humanum dat van deze zeer grote afstraalde.
Maar zou de dichter toen ook gedacht hebben aan de talloze slagvelden met hun duizenden en nog eens duizenden doden die Napoleon zou achterlaten? Hoe groter geest, hoe groter beest. Wat is de mens ...? Vanwege die vijand en wraakgierige, Gods tegenstanders die erin voorkomen, wordt Psalm 8 tot een raadsel. Wie heeft hij met die mens, met die Adam, voor ogen? De Adam van Genesis 1 of die van Genesis 3, de Adam van de staat der rechtheid of de Adam van na de val? U zegt: de laatste, want er zijn al vijanden en wraakgierigen op de aarde. Ik ben geneigd u gelijk te geven. Maar die klankkleur van Genesis 1 dan?
En ook nog een andere bijzonderheid van het gedicht spreekt dat weer tegen. De psalm heeft het er namelijk over dat de mens heer en meester is over "hetgeen de paden der zeeën doorkruist". Maar daar hoort ook Leviatan bij, het zeemonster dat in de Schrift één van de gestalten van de duivel is. Heeft de mens ook over hem geheerst? Of is juist niet omgekeerd de duivel de sterkere van de mens gebleken? Maar hoe kan er dan zo triomfantelijk over die mens gezongen worden?
Alsof de duivel zijn overwinning op hem nog niet behaald had. Of die overwinning al weer heeft moeten afstaan ...
Over welke mens gaat het eigenlijk? Het is de vraag die onweerstaanbaar opkomt als je over de psalm nadenkt.

De mens!
Dan komt het Nieuwe Testament en zegt: Jezus Christus is die mens. De brief aan de Hebreeën haalt in het tweede hoofdstuk Psalm 8 aan en hij leest er Jezus Christus in. "Wat is de mens dat Gij zijner gedenkt of 's mensen zoon dat Gij naar hem omziet? Gij hebt hem een korte tijd beneden de engelen gesteld, met eer en heerlijkheid hebt Gij hem gekroond, alles hebt gij onder zijn voeten gelegd".
Opeens verschijnt hier de gestalte van Jezus Christus op het scherm, in zijn vernedering eerst en in zijn verhoging daarna. Maar "een korte tijd beneden de engelen gesteld", staat dat er wel en klinkt dat niet heel anders dan in de oorspronkelijke psalm? Nu, je kunt het oude Hebreeuws inderdaad zo vertalen, maar een goede uitleg krijg je zo toch niet, want de psalm zelf heeft het daar in dat aangehaalde vers niet over de vernedering, alleen maar over de hoogheid van de mens.
Hebreeën bedóelt de psalm dan ook niet uit te leggen. Hij wil de Christus prediken en hij doet dat met behulp van oude woorden die hij aan die achtste psalm ontleent. Geen uitleg dus, maar wel lost Hebreeën zo het raadsel op waarvoor de psalm ons stelt.
Want eigenlijk blijft in de psalm de plaats van de mens open, vacant. Immers, als hij op die hoge plaats een vijand of een wraakgierige is, dan valt er helemaal geen lofzang op hem aan te heffen, dan kun je alleen maar je hart vasthouden. Maar Christus is de mens die door de vernedering heen omhoog geklommen is. Door de vernedering heen van de dood die hij voor de zonde van ons mensen gestorven is.
En daardoor is dat hoge menszijn bij Hem veilig, Hij kan het aan. Hij is het ook die dat mens-zijn weer 'in de Here' terugplaatst, de parel weer in de cassette terug zet. Want Hij is over alles Heer en Meester, niet voor zichzelf, maar tot eer van God de Vader. En voortaan willen wij nu het hele menszijn van onze Here Jezus Christus afkijken; zijn eenvoud, zijn oprecht- \ heid, zijn liefde, zijn Godsvrees en zijn Godsvertrouwen, die willen wij navolgen.
Dan zullen wij waarlijk mens zijn en, zoals de Catechismus zegt, "eenmaal met Christus over alle schepselen regeren".

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief