Na twintig jaren

1995-12-15
  • Jaargang 39
  • nummer 25
In dit (voorlopig) laatste artikel over de verhouding tussen de Ned. Geref. en Chr. Geref. Kerken vraagt ds. Schaffer, voorzitter van de NG-commissie Contact en Samenspreking met andere kerken, zich af hoe het na de CG-synode van Zierikzee nu verder moet. Moeten we de landelijke samensprekingen maar beëindigen of het ragdunne lijntje, dat er nog is, vasthouden?

Een zware hypotheek
In Zierikzee is door meerderen gezegd, dat wij door de besluiten van onze laatste L.V. en met name dat over de vrouwelijke diaken, de samenwerkingsgemeenten in een moeilijke of zelfs onmogelijke positie hebben gebracht. Prof. W.H. Velema sprak op de synode van een zware hypotheek, die wij op deze gemeenten hebben gelegd. Want volgen zij hierin de L.V.
of wijzen ze haar besluiten af? Het kan kleingeestig lijken om een beschuldiging te retourneren. Maar ik zou toch op z'n minst wat meer evenwichtigheid wensen in het taxeren van de positie van de samenwerkingsgemeenten.
Worden deze gemeenten het slachtoffer van ontwikkelingen in Ned. Geref. kring of zijn ze het niet minstens zozeer van een bepaalde gang van zaken in de Chr. Geref. Kerken? Het is overigens wel opvallenden dat is in Zierikzee ook wel opgemerkt - dat wij van deze gemeenten geen enkel signaal hebben ontvangen, dat we door te nemen of genomen besluiten hun positie onder druk zouden zetten of onhoudbaar hebben gemaakt. Integendeel, alle samenwerkingsgemeenten hebben bij mijn weten vóór het besluit over de vrouwelijke diaken gestemd! Dat mag toch te denken geven. Moeilijk wordt de positie van de betreffende gemeenten toch zeker niet minder daardoor, dat er in de Chr. Geref. Kerken met betrekking tot de samenspreking met onze kerken een ontwikkeling plaatsvindt, tegengesteld aan die van een aantal jaren terug. Toen was er sprake van stimulansen uit het kerkverband om de eenheid te zoeken en gestalte te geven. Nu wordt synode na synode op de rem getrapt.

Heersen of dienen?
Ter synode heb ik mijn verontrusting geuit over de suggestie van sommige Deputaten om van de samenwerkingsgemeenten op den duur een duidelijke keus tussen het ene of het andere kerkverband te vragen. En deze verontrusting is alleen maar toegenomen, doordat deze suggestie door meerdere afgevaardigden werd ondersteund.
Dat heeft dan ook geresulteerd in het besluit, dat Deputaten in de komende tijd de nodige aandacht dienen te geven aan de positie van de samenwerkingsgemeenten en de samenwerkende gemeenten. Ik heb in Zierikzee gewaarschuwd tegen overheersing van de plaatselijke kerken door het kerkverband. Natuurlijk werd dit prompt weersproken met een beroep op de verantwoordelijkheid, die het kerkverband draagt m.b.t. de plaatselijke gemeenten. Toch waag ik het deze waarschuwing te handhaven. Het Chr. Geref. kerkverband riskeert het zich op onverantwoorde wijze te mengen in plaatselijke aangelegenheden. Hoe is het mogelijk, dat een synode of kerkverband van gereformeerde snit zo drastisch wil ingrijpen in plaatselijke ontwikkelingen, tenzij het kerk-van-Christus-zijn duidelijk en onomwonden in geding is?
Dat men nu zo spreekt over de samenwerkingsgemeenten is, zoals ik hierboven al memoreerde, allereerst verbazingwekkend in het licht van het verleden. Immers, de samenwerking in de diverse plaatselijke gemeenten is destijds door de Chr. Geref. synoden zelf gestimuleerd. Ooit was het toch voor hen een zaak van Goddelijke roeping de eenheid te zoeken en riep men met klem de plaatselijke kerken daartoe op. En waar kan het samenspreken inderdaad beter gebeuren dan in de plaatselijke gemeenten? Immers, juist daar kan het best elkaars kerkelijk reilen en zeilen worden ervaren. Juist in de plaatselijke gemeenten kan men de prediking op de onderscheiden kansels beluisteren; kunnen de ambtsdragers, als de eerst verantwoordelijken voor het heil van de gemeente, met elkaar spreken over de wijze van uitvoering van die hoge roeping en kunnen broeders en zusters elkaar leren kennen in gesprekken rondom de open Bijbel. Juist zo kan er herkenning groeien en het verlangen om niet langer gescheiden op te trekken, maar ook aan de tafel van onze Heer het brood en de wijn met elkaar te delen als tekenen van het heil, dat ons samen gegeven is. Overigens heeft daar, waar men plaatselijk is overgegaan tot kansel ruil en wederzijdse openstelling van de avondmaalstafel, het kerkverband - classicaal en regionaal - wel degelijk een keurende rol gespeeld en verklaard, dat die samenwerking de toets van het kerkverband kon doorstaan. En het is ook terecht, wanneer het kerkverband een plaatselijke gemeente rekenschap vraagt van haar doen en laten. Zeker als het om zo'n ingrijpende zaak als samenwerking en samengaan met een gemeente van een ander kerkverband gaat. Hier heeft het kerkverband dan ook metterdaad al meer dan eens de dienende rol gespeeld, die het toekomt. Maar verder mag het kerkverband ook niet gaan. Er is sprake van een ongeoorloofd héérsen van de ene kerk over de andere als men daar, waar men plaatselijk elkaar als gemeenten van Christus herkend en erkend heeft, door het kerkverband op één of andere wijze geprest zou worden om daar van terug te komen of anders een keuze voor één van beide kerkverbanden te maken. Tenzij, nogmaals, onmiskenbaar het kerk-van-Christus-zijn in geding is.

Een vrijgemaakte stem
Mogelijk klinkt dit in Chr. Geref. oren als een typisch staaltje van independentistisch denken, zoals men dat van ons meent te kunnen verwachten. Laat ik in dit verband dan eens mogen doorgeven wat ik ooit las in een interview met de vrijgemaakte Prof. Dr. C. Trimp. Uit dit interview, dat oorspronkelijk gepubliceerd is in 'Rondom het Woord', het orgaan van de Bond van Geref. Vrouwen, is destijds uitgebreid geciteerd in een nummer van het Ned. Dagblad. Helaas heb ik het kranteknipsel bewaard zonder datering, maar ik schat, dat het van zo'n acht jaar geleden is. In dat interview benadrukte Trimp het belang van plaatselijke kontakten tussen vrijgemaakten en christelijke gereformeerden. En ik citeer nu breed uit de weergave van dit vraaggesprek in het ND: "Als op plaatselijk niveau ('het beste dat je je denken kunt') zulke goede contacten tussen 'vrijgemaakten' en christelijk gereformeerden ontstaan dat eenwording mogelijk is, moeten die(in dit geval plaatselijke) kerken zich daarvan niet laten weerhouden door bijvoorbeeld een kerkverband dat daarin (nog) niet mee kan gaan, vindt prof. Trimp. 'Stel dat het op plaatselijk niveau heel goed lukt, dan mag het kerkverband zoiets nooit in de weg staan. Het is een oer gegeven in onsgereformeerde kerkrecht, dat het kerkverband er niet is om de plaatselijke kerken te hinderen. (…)Je hebt natuurlijk allebei een roeping naar je eigen kerkverband toe. (...) Je moet natuurlijk ook geduld met dat kerkverband hebben, de pas misschien even inhouden, niets forceren en vooral geen ruzie maken. Maar als men plaatselijk inderdaad rijp zouzijn voor hereniging, zal geen macht ter wereld dat mogen keren. (...) Je kunt moeilijk in, bij voorbeeld, Zoetermeer veertig jaar wachten tot ze in Roodeschool of Oldenzaal ook eens een keer zover zijn! Ik denk niet, dat je dat voor Christus kunt verantwoorden.' De ene kerkenraad van die plaatselijk gefuseerde kerk moet zich dan maar bij beide kerkverbanden als lid aanmelden, meent prof. Trimp 'Of dat geaccepteerd wordt? Tja, het is nieuw in de kerkgeschiedenis, maar daar moeten we dan maar aan wennen. Zo'n situatie Is echter geenaanklacht tegen die verenigde kerk, maar tegen óns.' " (De accentuering is van mij – JCS) Ik hoop van harte dat dit allesbehalve independentistische, maar oergereformeerde geluid van onverdachte in Chr. Geref. kring de aandacht mag krijgen, die het verdient.

Hoe nu verder?
Het is absoluut frustrerend te merken, dat twintig jaar na de Gemeenschappelijke Verklaring van 1975 de kloof tussen onze kerkverbanden alleen maar wijder is geworden. De synode van Zierikzee heeft deels begrijpelijk, deels onbegrijpelijk voor de komende periode nieuwe punten geplaatst op de gespreksagenda: de relatie tussen Schrift en confessie; de vragen t.a.v. het AKS en het besluit inzake de openstelling van het diakenambt voor de zusters der gemeente. En het aloude gesprekspunt over de dacht :toeëigening des heils heeft een nieuw jasje gekregen. We zouden nu met elkaar moeten spreken over de gevolgen van het feit, dat de verschillen m.b.t. dit punt nog niet voldoende duidelijk zijn weggenomen. Eerlijk gezegd lijkt me dat slechts een gesprekspunt voor de Chr. Gereformeerden onderling. Want ons standpunt in dezen kan al jaren bekend zijn: deze verschillen in elkaar dragen en elkaar hierin zo mogelijk blijvend aanvullen en bevruchten. Zouden wij niet moeten voorstellen het gesprek maar te stoppen, op z'n minst voor een bepaalde periode? Welk nut heeft het ermee door te gaan als het voorspelbaar is, dat het gespreksklimaat met de jaren alleen maar verslechtert? Roept het niet alleen maar irritaties op, die we elkaar zouden moeten besparen? Moeten we de Chr. Gereformeerden niet eens een aantal jaren de tijd gunnen om in hun eigen, zichtbaar verdeelde, huis de zaak op orde te brengen en hen voorlopig niet meer lastig te vallen met de vraag of wij in dit land sámen kerk van Christus kunnen zijn? Deze vragen, in de vorige Opbouw nog verwoord door Fokke Bouma uit Dronten, zijn alleszins begrijpelijk. En als één van degenen, die geroepen is namens onze kerken de gesprekken te voeren, moet ik eerlijk bekennen ze ook aanlokkelijk te vinden. Tegelijk besef ik, dat het afbreken van de kontakten op landelijk niveau toch wel diep ingrijpend zou zijn. Wij zouden daarmee een daad stellen, die wel eens voor lange tijd bepalend kan zijn voor de landelijke kontakten. En juist daar, waar plaatselijk de samensprekingen misschien aarzelend op gang gekomen zijn of de verhoudingen nog vrij broos zijn, zou zo'n landelijke gesprekspauze weleens een negatieve invloed kunnen hebben. Ik weet daarom vooralsnog geen betere houding aan te bevelen dan het ragdunne lijntje dat er is toch maar vast te houden.

Nog een vrijgemaakte stem
Tenslotte nog iets over de toespraak van Dr. A.N. Hendriks als deputaat van de Geref. Kerken (vrijg.) tot de Chr. Geref. synode. Voor de zoveelste keer heeft een vertegenwoordiger van de vrijgemaakte kerken in kontakten met een ander kerkverband de gesprekspartners aangesproken op hun relatie met onze kerken. Hendriks merkte op, dat in verdere gesprekken met Chr. Geref. Deputaten ongetwijfeld nog een aantal zaken de aandacht vraagt. En hij zegt dan: “Van de kant van onze kerken zal dat zeker zijn uw verhouding tot de Nederlands Gereformeerde Kerken. Die verhouding roept bij ons steeds sterkere vragen op. Wij zijn dankbaar dat wij elkaar kunnen vinden bij de trouw aan de gereformeerde belijdenis. Juist dat gegeven doet ons vragen stellen. Hoe kunt u opening bieden aan een plaatselijke samenwerking ja aan een plaatselijk samengaan met kerken, die in haar kerkverband ruimte geven aan afdwaling van de gereformeerde confessie, aan de vrouw in het ambt en aan kinderen aan het avondmaal? (...)Is het ongepast, wanneer onze kerken u vragen tot een schriftuurlijke bepaling te komen?" 1 Misschien zouden we er zo langzamerhand aan gewend moeten zijn, dat onze vrijgemaakte broeders het niet kunnen laten, waar ze maar de gelegenheid krijgen, een poging te wagen om een wig te drijven tussen bevriende' kerkgemeenschappen en ons. Maar eerlijk gezegd went dat nooit. En het doet des temeer pijn, nu de vrijgemaakte synode van Ommen, hoe aarzelend ook, na jaren besloot weer eens met vertegenwoordigers van onze kerken in gesprek te gaan. Dr Hendriks is n.b. één van de deputaten, die aan deze gesprekken met ons heeft deelgenomen. Het verslag van deze gesprekken en de conclusie daaruit moeten nog aan de volgende vrijgemaakte synode worden aangeboden. Nu hoeven we zeker niet de iIIusie te koesteren, dat deze gesprekken het beeld van onze kerken bij onze vrijgemaakte gesprekspartners ingrijpend ten goede hebben veranderd. Maar ik acht het, op z’n zachtst gezegd, bepaald onelegant, dat Hendriks in dit stadium van eerste aarzelende contacten gewoon doorgaat voor de zoveelste keer de staf over ons te breken voor het forum van kerkgemeenschap, waarmee wij ondanks alles toch zo'n hechte relatie hebben. AI vroeg Hendriks niet aan óns of het ongepast is, m.i, mag ons antwoord hierop duidelijk zijn. De trieste balans van alles opmakend moet het ons wel klein en ootmoedig maken. Het (weer) samenbrengen van broeders is duidelijk absoluut geen mensenwerk. Het blijkt op geen enkele wijze iets, dat wij wel even in kannen en kruiken kunnen krijgen. Over toe-eigening van het heil - de heelheid - gesproken! Laten we de Heer van de kerk smeken, dat Hij ons door zijn Geest en Woord bijeen brengt.

Noot:
1. De Reformatie, Jaargang 71, nr. 6, 11 nov. 1995

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief