Het bovenaardse mededogen
1995-12-15
In de voorgaande artikelen heb ik geprobeerd iets te zeggen over het mededogen van de Boeddha. In dit laatste artikel een poging om dat ‘karoena’ van de Boeddha te vergelijken met het Goddelijk Mededogen van de Zoon Gods die door God de Vader naar de aarde werd gestuurd “in de volheid des tijds”, zoals Galaten 4 dat noemt. - Jaargang 39
- nummer 25
De persoon van de stichter van het Boeddhisme, een beetje geromantiseerd, maar niet al te ver van de historische werkelijkheid, is vol aantrekkelijkheid. Het laat precies zien wat de moderne mens bij zich zelf mistsereniteit oftewel innerlijke vrede.
Stephen Neill 1
Jezus is de meest aantrekkelijke persoon die de wereld ooit heeft gekend! Het is heel boeiend om in de Evangeliën te zien hoe Hij allerlei mensentypen aantrok: prostituées, tollenaars, heel vrome en rechtschapen mensen, vrouwen, mannen, Romeinen, de mensen die Hem nota bene ter dood hebben gebracht. Hij had een magnetische aantrekkingskracht. En dat is uiterst belangrijk, want het Christelijk geloof gaat vooral over deze Jezus. Jezus is de Redder die God voor ons in petto had; Hij is ons komen opzoeken. Jezus vormt de weg waarlangs wij naar God terug kunnen gaan.
Michael Green 2
Het werd mijn dagelijkse overpeinzing hoe ik moest omgaan met mijn lijden onder vooroordeel, eenzaamheid, en ja, zelfmedelijden. Ik moest die vraag onder ogen zien, wilde ik niet voor de rest van mijn leven emotioneel gewond blijven. Twee wegen lagen voor me open. Ze vertoonden zich niet als antwoorden, maar in de vorm van beelden: het beeld van de serene Boeddha en het beeld van Christus aan het kruis.
J. Isamu Yamamoto 3
Het is goed om de Boeddha en de Christus op een paar punten met elkaar te vergelijken. Daarbij moeten we wel in rekening brengen dat voor, veel Boeddhisten in laatste instantie de Leer van de Boeddha belangrijker is dan zijn persoon, terwijl voor ons Christenen de Persoon van Christus doorslaggevend is.
Verschillen in hun onderricht
Tussen de uitspraken van de Boeddha en de Christus zijn zeker wel overeenkomsten te bespeuren. Beiden spreken zich uit tegen een onverschillig leven in een louter materiële wereld. Beiden roepen op tot levensernst. Toch lijkt het me reëler om ook de verschillen tussen beider onderricht te siqnaleren. Ik noem in dit artikel daarom een paar uiterst wezenlijk" verschillen. Bij Christus merk ik op:
a. een alles overheersend besef dat God er is! Dat Hij een Persoon is, dat Hij een Vader is, dat Hij luistert en spreekt, dat Hij reageert, dat Hij zich verheugt of Zich ontzet, dat Hij barmhartig en bewogen is. Bij de Boeddha hoor ik over die God in het geheel niet!
b. nooit enig optimisme m.b.t. goedheid van enig mens. Hij is van mening dat niemand goed is dan God alleen.
Hij gaat met uitspraken uit het Oude Testament akkoord:" Er is niemand die doet wat goed is, zelfs nièt één".
(Lukas 18:19, etc.) Gods wezen is de ene absolute maatstaf van goedheid, zuiverheid en integriteit. God verandert niet. "Er is geen verandering in Hem noch zweem van ommekeer". We kunnen ons afvragen of het bijbelse woord 'zonde' en het boeddhistische woord 'begeerte' inhoudelijk samenvallen; naar mijn mening doen ze dat niet!
c. nooit enige gedachte dat mensen, op grond van hun (al of niet vermeende) goedheid, op eigen kracht met die God in een harmonieuze relatie kunnen komen. Juist daarvoor is Christus gekomen: om mensen met God te verzoenen waar deze mensen dat uit zichzelf niet konden. Wij waren van God vervreemd! In de onderrichting van Christus wordt geen weg van zelfverlossing gewezen, zoals de Boeddha dat doet.
d. de steeds terugkerende verkondiging dat er maar één manier is om te leven zoals God dat wil: mensen moeten hun vertrouwen stellen op God en op Christus. Hij is 'het Lam dat de zonden der wereld wegneemt'. Alleen door de vrucht van de Heilige Geest in je leven te tonen, kunnen we leven zoals de Here dat wil. De Boeddha spreekt niet over die God en zegt met nadruk dat je op jezelf vertrouwen moet.
Omgaan met de dood
Maar de verschillen gaan nog wel verder. Laat ik dat mogen illustreren aan de hand van het bekende Boeddhistisch verhaal over Kisagotami. Deze jonge vrouw raakt buiten zinnen, als ze haar kind verliest. "Ze nam het dode kind in haar armen en ging van huis tot huis met de smeekbede of mensen het kind wilden genezen.
Natuurlijk kon men niets voor haar doen, maar tenslotte gaf een volgeling van de Boeddha haar de raad om de Gezegende te gaan bezoeken die in Jetavana verbleef; daarop bracht zij haar dode kind naar de Boeddha. De Gezegende keek haar met begrip aan en zei: "Om het kind te kunnen genezen heb ik wat papaverzaadjes nodig; ga en vraag om vier of vijf papaverzaadjes uit een huis waar de dood nog nooit is binnen gekomen." De waanzinnige vrouw vertrok en zocht een huis waar de dood nog nooit was binnengekomen, maar het was tevergeefs. Tenslotte moest ze wel naar de Boeddha terugkeren. In zijn kalme aanwezigheid verhelderde haar verstand en ze begreep de betekenis van zijn woorden. Ze nam het lichaam op en begroef het, keerde naar de Boeddha terug en werd een van zijn volgelingen.,,4 Wie dat indringende verhaal hoort, met zijn diepe analyse van de menselijke situatie, moet wel opmerken dat het relaas van de opwekking van Lazarus in de Bijbel, in Johannes 11, een andere Persoon aan het werk laat zien. In Christus' optreden is er geen berusting over de aanwezigheid van lijden en dood, maar boosheid. De Zoon van God is boos over een dood die er niet hoort te zijn! De Here Jezus néémt het niet dat de dood Gods goede schepping zozeer ontsiert. Hij heeft bovendien de macht om deze gestorven vriend uit de doden terug te halen. De jongeling van Naïn wordt opgewekt en het dochtertje van Jaïrus, omdat God van den beginne een goede schepping gemaakt heeft, waarin de dood geen plaats had. Er komt eens een nieuwe aarde, wordt ons beloofd, waarop gerechtigheid woont en waar de dood en de vloek verwijderd zullen zijn. Berusting t.o.v. het lijden en de dood zoals de Boeddha preekt vinden we noch bij Christus noch in het milieu van de Vroege Kerk, waar ook een paar keer de dood en vele malen het lijden daadwerkelijk tegengegaan worden.
'Bindingen' loslaten of juist aangaan?
Daar komt nog iets bij. De Boeddha beklemtoont steeds opnieuw de noodzaak om ons van bindingen los te maken. Onthechting staat in zijn verkondiging centraal. Zijn zoon heette Rahula, 'keten' of 'boei'. In die naamgeving zou men kunnen horen dat 'Binding', ook binding aan je naaste verwanten, een kwaad is.
Als Jezus de jongeling van Naïn opwekt, lezen we wat anders. Hier komt de groep volgelingen van Jezus een uitvaartstoet tegen. De enige zoon van een weduwe wordt uitgedragen. De stoet van het Leven botst op de stoet van de Dood. Jezus stopt de baar en haalt de jongen terug uit de doden. En dan staat er dat zinnetje: "Hij gaf hem aan zijn moeder (terug)".
Door zo te handelen accentueerde de Christus de relatie, de 'binding' van moeder en enige zoon. In zijn prediking is zulke binding goed! (Lukas 7:11) Na de opwekking van zijn vriend Lazarus zegt de Heer tegen de aanwezigen dat ze de uit de doden weergekeerde man moeten 'losmaken en laten heengaan'. (Johannes 11:44) Met de net teruggekeerde dode moeten ze weer een relatie aangaan. Dus is de vraag: is 'binding' nu goed of niet? De Boeddha zegt het een, de Christus het ander ...
De betekenis van 'Kerst'
De Boeddha heeft het accent gelegd op karoena, mededogen, en op metteya, vriendelijkheid. "De rechtvaardige monnik voelt medeleven en mededogen en zoekt met vriendelijkheid naar het goede voor alle levende wezens", lezen we. Richard Lannoy zegt in zijn boek over Boeddhisme echter op: "Met deze bewogenheid en vriendelijkheid bedoelt de Boeddha niet de lans te breken voor aktieve liefde, want aktieve liefde geeft aanleiding tot binding aan aardse zorgen; en hoewel het Boeddhisme een ethiek van innerlijke volmaaktheid propageert, zoals ook Christus' onderricht dat doet, bevordert het geen aktieve bewogenheid. De christelijke opvatting dat het kwaad in de wereld ten goede kan worden gekeerd, treft men in het onderwijs van de Boeddha niet aan. Deze spreekt zich hoe dan ook niet uit over de vraag hoe de wereld verlost moet worden. De Boeddha beschouwt het leven als lijden: geboren worden is lijden, oud worden is lijden, sterven is lijden, verbonden worden aan wat men niet liefheeft is lijden, gescheiden worden van wat men wel liefheeft is lijden, niet bereiken wat men begeert is lijden!
Verlangens voeren ons van de ene geboorte naar de volgende. Daarom moeten verlangens worden uitgebannen.
'De volmaakte mens', is voor de Boeddha 'iemand die geen zorg geeft aan anderen, die van persoonlijke bindingen vrij is.' Als een vader zijn zoon verloren heeft, zegt de Boeddha tot hem:'Wat men liefheeft brengt verdriet en klaagzang.' Om de bevrijding van de cyclus van vele malen geboren worden en sterven te bereiken verliet de Boeddha zijn eigen vrouwen kind; hoe zou hij ons dan kunnen leren dat we bewogen moeten zijn met anderen die onze liefde en zorg behoeven? Hij heeft een ethiek van erbarmen gepredikt die zich niet laat verleiden tot blijvende betrokkenheld."?
Laten we die visie eens vergelijken met die bekende passage uit Filippenzen 2:5-11 die begint met "Laat die gezindheid in u zijn welke ook in Christus Jezus was, die, in de gestalte Gods zijnde, het Gode gelijk zijn niet als roof heeft geacht". (In diverse vertalingen wordt 'harpagmon hegesetai' vertaald met 'die zich niet heeft vastgeklampt aan het Gode gelijk zijn'), maar Zichzelf ontledigd heeft." Jezus Christus heeft, lezen we, de gestalte van een dienstknecht aangenomen en is aan de mensen gelijk geworden. "En in zijn uiterlijk als een mens bevonden, heeft Hij Zich vernederd en is gehoorzaam geworden tot de dood, ja tot de dood des kruises." Als we dat nu nader overwegen, merken we op een Verlosser die Zich identificeert met de mensheid die in schuld verloren lag. Hij gaat 'bindingen' aan, met ons, wordt Een van ons.
Hij is niet hoog en droog in de hemel gebleven, heeft zich niet aan God gelijkheid vastgeklampt. Integendeel, Hij heeft die glorie losgelaten, en is mens geworden, om ons. De Boeddha laat dit aardse leven los, hij onthecht zich, wil niet meer weten van bezit, van voedsel en kleding, van liefde en menselijke relaties. Hij gaat op zoek naar het Ware, het Echte, de Diepste werkelijkheid. Daar kan je als mens veel respect voor hebben. Hij had, volgens verhalen, buitengewoon veel over voor het bereiken van dat Doel. Hij laat los en zegt ons hetzelfde te doen. Laat los en ga op weg naar het Hogere!
Christus echter kwam bij 'dat Hogere' vandaan! Hij was al God en heeft desondanks besloten mens te worden. Hij kwam uit de regionen die de Boeddha zocht, zou je kunnen zeggen (al moet je daarmee oppassen), maar uit liefde voor mensen liet Hij dat alles los en is met ons mensen 'bindingen' aangegaan. Als we de Boeddha geloven mogen, moet onze weg van beneden naar boven leiden. Als ik echter Christus geloven mag, is Hij de weg van Boven naar beneden gegaan. Die andere beweging, tegengesteld aan de zoektocht van de Boeddha, noemen we 'Kerstfeest'.
Noten:
1. Stephen Neill; Chrlstian Fatth and Other Religions. Oxford University Press. London. 1970. p. 113.
2. Michael Green in red. Pieter van Kampen. Wit begint. zwart wint?? Buyten en Schipperheyn. Amsterdam. 1993. p.71.
3. J. Isamu Yamamoto. Beyond Buddhism; A basic Introduction to the Buddhist Tradition. InterVarsity Press. Downers Grove. USA. 1983. p. 106.
4. Sukhavativyuha-Sutra. deel 2. Geciteerd uit The Teaching of the Buddha. Uitgave Bukkyo Dendo Kyaokat (Buddhist Promoting Foundation). Tokyo.Japan. ed. 1982. pp. 186-188.
5. Richard Lannoy. The Speaking Tree. Oxford University Press. Oxford. 1974. p.330.