Kerstverhaal

1995-12-15
  • Jaargang 39
  • nummer 25
"Gré", zei mijn oudtante Riek, heel lang geleden tegen mijn moeder, "laat je niet door Mimi Wirsman in de luren leggen. Ze weet altijd iemand voor haar karretje te spannen." "Oh ja? Nou ... mij niet!" zei moeder.
Ze kneep haar lippen op elkaar en haar gezicht kreeg een strijdlustige uitdrukking.
Met felle halen veegde zij het aanrecht schoon.
"Nou ... kijk uit. Kwam ze hier de vorige keren ook niet net tegen etenstijd?
Dan heeft ze jou tot eetadresje gebombardeerd! Ik doe altijd kleine rotklusjes voor haar. Ik trap er altijd weer in", zei mijn tante en in haar stem klonk afgunstige bewondering. "Je hebt het trouwens veel te druk met al die mensen over de vloer.
Heeft je man zijn bed wel gezien de laatste dagen? Nauwelijks natuurlijk.
Laat nooit één van je jongens bakker worden. Met Kerst is het een slijtageslag. Ja kind, de herdertjes mogen dan bij nachte gelegen hebben ... Bakkers niet!" Na deze vergelijking van beide bedrijfstakken stond tante Riek op. Het gerinkel van telefoon en winkel bel werd haar te veel.
"Dag hoor ... Sterkte met de drukte. Ik bid wel voor jullie", zei ze praktisch.
Moeder bleef peinzend achter. Het was haar nooit zo opgevallen dat zuster Wirsman altijd tegen het eten kwam. Waar er acht, negen of tien eten, was altijd ruimte en voedsel voor een elfde. Vanzelfsprekend. Ze ging door met haar werk en werd al doende driftig. Meeëten! Ze zag zichzelf opeens als een uitgebuite sloof en als ze ergens niet tegen kon, dan was het dat.

De bakkerij van mijn ouders lag aan een dijk, naast de sluis die het IJ met Waterland verbond. Langs de bakkerij liep een pad naar beneden. Iedereen die in de bakkerij moest zijn, gebruikte dat pad. Het licht, dat door de ramen van de bakkerij scheen, was 's avonds ruim voldoende. Het water in de sluis klotste en het donkere water glom en stroomde rimpelig langs de met oude stenen geplaveide oever.

De bakkerij was in de tijd voor Kerst van 's morgens vroeg tot 's avonds laat in vol bedrijf en het werdnauwelijks opgemerkt dat zuster Wirsman, oud-wijkverpleegster en oud-collega van tante Riek tegen zes uur 's avonds de winkel binnenstapte, een handje zwaaide naar het winkelmeisje en doorstoomde naar de woonkeuken waar moeder bezig was met koken.
"Dag liefje", tjilpte ze opgewekt. Ze trok haar bontjas uit en ging behagelijk aan de gedekte tafel zitten. Klein, pienter en kennelijk niet van plan de eerste uren op te stappen. Haar ogen vlogen langs de borden op tafel.
"Zuster ... u krijgt een kop koffie, maar ik heb vandaag weinig tijd voor u", zei moeder verhit en het was klink-klaar dat ze vandaag geen 'liefje' was. Zuster glimlachte wetend. Ze groette de broers en zusters die zich voor de maaltijd verzamelden.
"Haal jij de kerstbroden even voor zuster Wirsman. De zuster zal zo weer weggaan", ging moeder verder en mijn broer verdween naar de bakkerij om de orders uit te voeren.
"Zo veel haast heb ik niet", zei zuster Wirsman onschuldig en roerde bedaard in het koffiekopje dat rap voor haar was neergezet.
"Nee ... maar ik eigenlijk wei", zei moeder en goot de aardappels af.
"Het ruikt goed hoor", prees zuster Wirsman.
"Zuurkool", zei moeder kort.
"Mijn lievelingsgroente", zei zuster Wirsman en snoof nadrukkelijk. Moeder reageerde niet, maar de stamper waarmee ze de aardappels door de zuurkool roeide, had het zwaar te verduren.
"Tja ... Dan ga ik maar", zei zuster Wirsman tien minuten later wat beteuterd. Ze verdwenen met haar kerstbroden. Haar bontjas verleende haar beslist allure. Moeder keek haar na.
Ze begreep opeens waarom tante Riek telkens voor de rotklusjes zwichtte.

We gingen aan tafel. Moeder deed het tafelgebed, maar er sloop een verdedigende toon in bij: "Geef ons heden ons dagelijks brood". Ze voelde zich niet behagelijk en keek dreigend van onze gezichten naar de pannen op tafel. "Vooruit...schep op..er is genoeg", zei ze. Het was stiller dan gewoonlijk en dat was maar goed ook, want anders had niemand waarschijnlijk het schrille 'Help ... Help' gehoord.
"Er zit iemand in de sloot," zei mijn jongste broer, gooide zijn bestek neer en ijlde naar buiten. Wij vlogen achter hem aan ... het pad af... naar beneden. De mensen in de bakkerij kwamen ook op het hulpgeroep af en met vereende krachten werd de drenkeling op de kant getrokken. In optocht ging het weer naar boven en op de grote deurmat in de winkel bleven we staan. Moeder sloeg haar hand voor haar mond. "Zuster", zei ze ontzet. Het was zuster Wirsman. Haar keurige grijze haren dropen en hingen steil naar beneden. De bontjas droop dapper mee en was opeens teruggebracht tot een zielig vel waarvan waterstroompjes afliepen. Er vormde zich een plas op de winkelvloer.
"Ik wilde naar huis gaan, maar ik ben verkeerd afgeslagen", klaagde zuster Wirsman bibberend.
"Gauw onder de douche", zei moeder resoluut en duwde zuster richting trap. Soppend ging ze naar boven.

Twintig minuten later zat zuster Wirsman aan tafel achter een groot bord zuurkool met worst. .. In een jurk van mijn moeder, die haar enkele maten te groot was. "Eerst verdrinkt ze bijna in de sloot en dan in uw kieren", zei een zusje snedig tegen moeder. Moeder wierp strenge blikken om de lachbui die ze aan voelde komen te beteugelen.
"Wie had dat nou gedacht hè", zei zuster Wirsman. "Jullie tante Riekje zou als ze me zag zitten, zeggen: Wirsmannetje, Wirsmannetje ... je hebt ook altijd wat."
"Het geeft niets hoor zuster, eet maar lekker", zei moeder en knikte haar warm toe.
"Je bent een engeltje", zei zuster Wirsman.
"Bijna Kerst... dan krijg je dat", zei een zusje en begon te giechelen. Dankbaar maakte iedereen van de gelegenheid gebruik en er barstte een algemene lachbui los.

Anderen hebben sneeuw, hagel, Scroodge, en verloren zonen die weer thuis komen met Kerst. Wij hebben sinds dat jaar ons eigen verhaal...
'Zuster Wirsman' .

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief