Hachelijke heugenis

1995-12-29
  • Jaargang 39
  • nummer 26
Tweemaal in het bekende Lukas 2 komen we bovenstaande opmerking over Maria tegen. Ze is uitermate geschikt om er de kersttijd en tegelijk het voorbij gegane jaar mee af te sluiten. ‘Al deze woorden’ – de gesproken woorden en de geschiede woorden waar het kerstevangelie van vertelt, ze zijn het waard onthouden te worden. Kunnen we dat van het voorbij gesnelde jaar ook zeggen?

Kerst en Oudjaar
Er zal dan duchtig gesnoeid moeten worden, want 'al de woorden', dat is over een jaar genomen erg veel. Met het meeste ervan zouden wij onze toch al geplaagde geheugens onnodig belasten. Misschien is het een goed idee om met de wichelroede van Lukas 2 het veld van 1995 door te lopen om zo met het keurmerk van de heilige geschiedenis onze eigen geschiedenis op haar waarde te schatten en 'het kostbare van het snode te scheiden', zoals een profeet zich uitdrukt (Jeremia 15:19).
De tekst is een protest tegen de vergetelheid. God laat zijn geschiedenis over ons komen met de bedoeling dat wij niet vergeten zullen. "God, op wat Gij eens verrichtte wil ik mijn betrouwen stichten. Wat Gij eens gedaan hebt is steeds in mijn gedachtenis", zingen we in de kerk (Psalm 77:4, berijmd). Maar juist de allergrootste daden van de Heer kunnen zo noodlottig bekend zijn dat wij er niet meer van ophoren. Zou de evangelist daarom die opmerking over Maria's bewaren tot twee keer toe hebben gemaakt? En zou hij daarom ook naast het bewaren het overwegen genoemd hebben? Met dat laatste geeft hij immers aan dat het in het bijbelse gedenken maar niet gaat om een passieve opsluiting in het geheugen, maar om een aktief bezig zijn met wat gebeurd is. Juist wat het kerstgebeuren betreft moet dat niet aan dovemans oren gezegd zijn, want er is geen bijbelgedeelte waar de klakkeloosheid zo'n greep op gekregen heeft. Is Lukas twee wel aanwezig in het innerlijke beraad waarmee wij het leven te lijf gaan? Laten wij ons door het kerst-, door het Christusevangelie, werkelijk gezeggen?

Maria
Ik denk trouwens dat Lukas dit woord over de Moeder des Heren om nog een andere reden een plaats in zijn beschrijving gegeven heeft. Hij heeft er, zo valt te vermoeden, Maria mee willen aanwijzen als de bron waaruit hij geput heeft voor het maken van die twee heel bijzondere hoofdstukken waarmee hij zijn evangelie begint. Dan is altijd al opgevallen dat Lukas die toch zelf geen Jood was, in de hoofdstukken één en twee zo sterk de oudtestamentische verhaaltrant hanteert.
Een verklaring hiervoor zou inderdaad kunnen zijn dat achter Lukas' schrijvershand zich de vertelkunst van Maria verbergt. Het kàn, want dat ze in de taal van Wet en Profeten gepokt en gemazeld was, blijkt uit haar lofzang zonder meer. Lukas die van zichzelf zegt dat hij 'alles van meet aan nauwkeurig is nagegaan' (1 :3), zou dan, zo gaat het vermoeden verder, door middel van intense gesprekken met moeder Maria tot de kompositie van die eerste twee hoofdstukken gekomen zijn.
En met zijn opmerking in vers 19 en in vers 51, zo ongeveer op het einde van zijn navertelllnq, zou hij dan Maria als zijn zegsvrouwe voor wat hij in die hoofdstukken biedt, hebben geëerd: Zij was het die dit allemaal in haar hart bewaard had! Nu, het is natuurlijk niet te bewijzen dat het zo gegaan is, maar een aardig vermoeden is het wel. Maria zelf als de verborgen vertelster van de geboortegeschiedenis, wie zou van deze gedachte niet gecharmeerd zijn?

Twee anekdotes
Maar, zegt iemand, ik kan in de latere berichten zo weinig merken van dat goede geheugen van Maria. Twee anekdotes zijn hiervoor inderdaad illustratief. De eerste komt in dit eigenste· Lukas twee voor: Maria die absoluut niet begrijpt wat haar twaalfjarige zoon Jezus bezielt als hij niet met zijn ouders mee terugkeert van het feest in Jeruzalem. "Kind, waarom hebt gij ons dit aangedaan?" "Ja, maar jullie wisten toch", moet Jezus zijn ouders herinneren, "dat Ik bezig moet zijn met de dingen van mijn vader?" Zeker, ze wisten het én ze wisten het niet. Ter gelegenheid van de bruiloft in Kana doet zich een vergelijkbaar misverstand voor. "Ze hebben geen wijn", zegt Maria tegen haar zoon. Jezus proeft daar bemoeizucht in, Maria wil Hem als wonderdoenende heilbrenger laten optreden. Beslist wijst Hij haar terug: "Mevrouw, wat heb Ik met u te maken?" Ook hier had de vraag kunnen luiden: "Wist U niet dat Ik moet zijn in de dingen mijns Vaders?" Ach ja, toen Jezus het zei, wist ze het wel weer, maar zelf was ze er toch niet opgekomen. Ze had het onthouden, ze was er zelfs overleggend mee bezig geweest, en toch deed het geheugen niet waarvoor het was ingeschakeld, het functioneerde niet geestelijk.

De Geest
Hachelijke heugenis! Het is met onze memorie niet best gesteld. Niet alleen moet er geselecteerd worden omdat er anders teveel onbenullige dingen onthouden worden, niet alleen hebben we last van geheugenverlies waardoor veel opgedane waardevolle ervaringen ons ontvallen, maar dan is er daarnaast ook nog het geestelijk falen van de herinnering. Dat we het van binnen opgeslagene niet werkzaam weten te maken voor het kiezen van de juiste weg en de juiste plaats in het leven. Heeft u de Heilige Geest wel eens gebeden dat Hij over uw herinnering mag gaan? Het mag sturen en gebruiken?
De duivel is op dit veld óók aktief. Hij kan de herinnering levend houden aan ellendige gebeurtenissen op zo'n wijze dat we er kompleet bitter en zuur van worden. Hij kan ook bewerken dat ons de zegen van bepaalde heugenissen ontgaat. Wat nemen we van het gepasseerde jaar mee, het volgende jaar en de verdere rest van ons leven in? Wat blijft er over en achter van het weer opnieuw gevierde kerstfeest? Het is blijkbaar niet voldoende als wij een voorbeeld nemen aan Maria die bewaarde en overwoog. Daar moet dan de zegenende werking van de Heilige Geest nog bij. Hij moet er de naprediker van zijn. Laten wij daarom elkaar op het einde van het jaar een Geestelijk geheugen toewensen, waar een zegenende kracht van uitgaat bij alles wat ons in het nieuwe jaar overkomt!

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief