Pasen - spanning tussen schijn en werkelijkheid (2)

1994-04-22
  • Jaargang 38
  • nummer 8
Vorige keer zijn we begonnen na te denken over de paradoxen van de lijdenstijd. Tussen alle oneerlijke aanklachten en schijnprocessen door wordt de werkelijkheid ongewild zichtbaar: Jezus is Koning. Die lijn trekken we nog verder door naar de dood en opstanding van de Here Jezus.

Werkelijkheid
Jezus sterft. Op de SCHEDELplaats. Kan het dodelijker? Kan een sprookje definitiever eindigen? Kan het ideaal van een nieuwe tijd voor het volk grondiger worden afgebroken? Toch is ook het einde weer schijn, hoezeer ook de dood werkelijkheid is. Dat blijkt om te beginnen uit de reacties van de omstanders. De hoofdman ziet iets van de kern: Werkelijk, een rechtvaardig mens (Luc 23:47).
De menigte ziet alleen de werkelijkheid van de dood (Luc 23:48) En zijn bekenden en volgelingen zien het alleen van een afstand aan (Luc 23:49)Zo wordt in deze serie van reacties pijnlijk duidelijk dat ook de rollen worden omgekeerd.
De gelovigen worden mensen, de heiden raakt onder de indruk.
Als Jezus sterft wordt het donker. Midden op de dag. Het is niet om aan te zien, en God sluit de ogen (Luc 23:44, vgl Mat 27:46). Zo breekt de duisternis door de dag heen, net zoals 33 jaar eerder het Iicht door de nacht was heen gebroken (Luc 2:9). Jezus' dood is even ongewoon als zijn geboorte. In dat spel van clair-obscur wordt duidelijk dat er een oordeel aan de dag treedt. In dat oordeel wordt het kosmische evenwicht verstoord doordat God zich terug trekt.
Daarom moet ook het scheuren van het voorhangsel niet alleen positief worden uitgelegd als de open toegang tot het heilige der heiligen. Het is ook het oordeel van God, dat Hij zich terug trekt uit de tempel en die ontheiligt.
De duisternis is een oordeelsteken, maar in dat oordeel wordt de redding geopenbaard. Opnieuw komen we bij de paradox van Pasen, die pas verstaanbaar wordt als je door de schijn heen prikt. Het oordeel dat God hier voltrekt is de vrijspraak voor velen. De volstrekt onterechte dood van Jezus is het volstrekt onverdiende leven van ons.
Daarom moet op die eerste Paasmorgen de levende niet bij de doden gezocht worden, omdat Hij vanuit de dood ons het leven geeft. Wie zo de tegenstellingen van Pasen gaat herkennen, die ziet ook onmiddellijk de lijn naar Kerst. Ten diepste is Kerst, hoe werelds het ook geworden is, net zo'n feest van schijn en werkelijkheid. Het schijnt te gaan om een weerloze lieve baby, maar het gaat in werkelijkheid om de grote God van hemel en aarde. Zoals bij Pasen die grote God een dode man lijkt. Zowel Kerst als Pasen lijken te bewijzen dat Jezus ook alleen maar een mens was.
Voor wie scherper kijkt ligt juist in de tegenstellingen het bewijs dat Jezus God is (vgl Gezang 139).

Schijn?
Rond het Paas-gebeuren zelf zien we in de lijn van het voorgaande de spanning tussen schijn en werkelijkheid toenemen.
Zo is het om te beginnen opvallend dat er van het centrale gebeuren in de heilsgeschiedenis geen ooggetuigen zijn. Dit kan overigens als een sterk argument worden aangevoerd voor de historische feitelijkheid van de opwekking van Jezus Christus. Wanneer namelijk - zoals sommigen ons willen doen geloven - het Paasgebeuren niet meer zou zijn dan een verhaal dat voort komt uit de vrome wens van de leerlingen, die niet konden accepteren dat hun Heer dood was, dan zouden de verhalen heel wat overtuigender zijn geweest.
Juist het feit dat de Bijbel ons in het ongewisse laat over het hoe van de opwekking, en dat er niemand heeft gezien dat het gebeurde, juist dat feit maakt de beschrijving betrouwbaar. Zo is de schijnbare onzekerheid van de tekst een argument voor de werkelijkheid (maar ook dat is weer een paradox).
De wrange omkeringen, die steeds het verhaal bepalen, zien we ook op de sabbat, waar de discipelen rusten naar het gebod, terwijl de trouwe wetsdienaren druk bezig zijn om een wacht bij het graf te regelen (Luc 23:56b, Mat 27:62-66). Waar de aanklacht tegen Jezus telkens is dat Hij zich - met zijn leerlingen - niet aan de wet houdt, daar blijkt uiteindelijk dat het juist de aanklagers zijn die de wet overtreden.
En zo gaat het door. Want als de vrouwen bij het graf komen blijken steeds de zaken te worden omgekeerd. Ze zoeken een dode, maar vinden een levende. De wachters daarentegen worden als doden door de schrik van het gebeuren (Mat 28:4). Het is de levende zelf die de zaken omkeert. Het ware leven is niet het aardse leven, maar het leven vanuit de eeuwigheid. Zo is Hij de levende, al is Hij gedood, terwijl de verantwoordelijken voor zijn dood zelf - al leven zedood zijn. Ziende blind, en levend dood.
Door de opstanding van de Here Jezus is niet alleen de dood overwonnen, ook het leven is radicaal veranderd.
Zo kan het gebeuren dat het vrouwen zijn die het evangelie mogen uitdragen, die priesters van de verzoening en profeten, boodschappers van het heil worden.
Zo kan de dwaasheid van de wereld Gods wijsheid uitdragen (Luc 24:11). Zo kan het gebeuren dat de gelovigen het niet geloven. Bij de verschijningen van de Here Jezus wordt dat alleen maar duidelijker. De leerlin.gen die naar Emmaüs reizen zijn verblind door hun verdriet en herkennen Hem niet, ook al wisten ze al van de opstanding af (Luc 24:16,22-24). Zijn gezicht wordt niet herkend, zijn woorden worden niet herkend, en Hij doet alsof (schijn!) Hij verder wil gaan (Luc 24:28).
Pas bij de zegen en het breken van het brood wordt Hij herkend, maar dan is Hij ook direct verdwenen (Luc 24:31).
Wanneer daarna de leerlingen bij elkaar komen (inclusief de Emmaüsgangers), dan delen ze met elkaar de ervaringen van Jezus' verschijningen. Vol geloof en blijdschap omdat de Heer is opgestaan.
Als Hij echter zelf in hun midden staat is de herkenning weer verdwenen en zien ze spoken (in elk geval: dat denken ze te zien, Luc 24:36). Jezus moet ze bewijzen dat Hij werkelijk vlees en bloed is, en Hij laat ze voelen dat Hij het is en zien dat Hij eet (Luc 24:39,43). Zo concreet lichamelijk is Hij opgestaan. Tegelijk echter kan Hij plotseling verschijnen en verdwijnen (Luc 24:31,36). De menselijke logica klopt niet meer met de feiten van Jezus opstanding en met de werkelijkheid van het opgestane lichaam.

Schijnende werkelijkheid
In lijden, sterven en opstaan van de Here Jezus komen we voortdurend een schijnende werkelijkheid tegen. De werkelijkheid lijkt schijn en andersom.
Dat brengt de leerlingen aan het twijfelen en maakt de gelovigen tot mensen.
Dat feest van de schijnbare tegenstelling werkt door tot op de dag van vandaag.
Voor ons blijft het even moeilijk als het toen was voor de leerlingen om te beseffen dat de aanwezigheid van de Here Jezus soms onherkenbaar dichtbij is, dat onze Koning moet lijden, dat de Hemelse Majesteit verborgen blijft achter de duivelse macht van deze wereld.
Daarom zijn Goede Vrijdag en Pasen onthullend, openbarend, juist in het verbergen van de Goddelijke werkelijkheid achter de schijn van de wereld. Ze onthullen ons kleingeloof en Gods grootheid, maar ze onthullen het alleen voor wie kijkt met de ogen van een kind, dat ontvankelijk is voor wat God doet. Het lijden, sterven en opstaan van Jezus is een gebeuren waarin voortdurend schijn en werkelijkheid op elkaar botsen. Zo onbegrijpelijk en vol tegenstellingen, dat we de zwartste dag Goede vrijdag noemen.
We zien iets gebeuren, maar zien we werkelijk? Of zijn we zo bekend met deze zaken uit het evangelie, dat het ons niet meer verbaast en verwondert. Zijn we niet opnieuw het slachtoffer van gezichtsbedrog, doordat we denken dat we het al gezien hebben? De spanning tussen schijn en werkelijkheid blijft onzichtbaar voor wie alleen theoretische dogma's wil lezen, maar wordt geopenbaard aan een geopend hart. Dan gaat het licht van Gods werkelijkheid schijnen in onze harten.

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief